De kloof tussen politiek en samenleving

Waar blijft de proteststem?

Wat moeten politici met een bevolking die ontevreden is over politiek en samenleving, maar verder best gelukkig? Zelf deugdzamer zijn, minder luisteren, meer het conflict opzoeken. En burger, verzet je eens!

Medium aukje

HET EERSTE DECENNIUM van deze 21ste eeuw zit er bijna op, een decennium waarvoor de Nederlandse canon zou kunnen bestaan uit de steekwoorden Twin Towers, Fortuyn, Van Gogh, Afghanistan, Wilders, Savannah, Gouda, ABN Amro en windmolenpark. Eigenlijk hoort het woord canon zelf ook in dat rijtje, want het opstellen daarvan was in de mode: het stond voor het zoeken naar identiteit, hang naar traditie of behoefte aan houvast.
Wat bij het uitwerken van deze onderwerpen naar boven zou komen, zijn de thema’s waar de Nederlandse burger zich ongerust over maakt en die onzekerheid oproepen: immigratie, opvoeding, waarden en normen, vrijheid, veiligheid, inkomen en milieu. Maar bovenal zou bij die uitwerking blijken hoe ontevreden de Nederlander is over de politiek, hoe Pim Fortuyn die al langer sluimerende onvrede in de samenleving aan de oppervlakte bracht, Geert Wilders het bespelen van die onvrede overnam en hoe de overige politieke partijen daarmee worstelen. Want hoe om te gaan met die onvrede? Te meer daar uit onderzoek steeds weer blijkt dat diezelfde burger met zijn eigen bestaan eigenlijk heel tevreden is. Die paradox zou, voor wie een thematische aanpak van de canon prefereert, ook zelf een onderwerp kunnen zijn.
De studie waarin het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deze paradox wederom signaleert, kreeg als titel: Crisis in aantocht? Op de cover staat Scene at an Inn van de zeventiende-eeuwse schilder Willem Buytewech. Meest opvallende figuur is een pijprokende, zelfingenomen jongeling. Het schilderij symboliseert volgens SCP-directeur Paul Schnabel de paradox: ‘een welvarende samenleving die zich in een flits beroofd ziet van een deel van haar rijkdom’. Daarbij is rijkdom hier meer dan alleen het geld in ieders portemonnee.
Over de kloof tussen politiek en burger, die de oorzaak zou zijn van de onvrede, is inmiddels zoveel geschreven in kranten, tijdschriften, wetenschappelijke studies en boeken dat het gat ermee gevuld zou kunnen worden. De aanvankelijke reactie vanuit de politiek op de als problematisch geziene afstand tot de kiezer zou kunnen worden samengevat met de woorden ‘we moeten beter luisteren’. Inmiddels is echter een kentering opgetreden. Het luisteren zou te veel zijn uitgelopen op een ‘u vraagt, wij draaien’. Het accepteren van de kloof als inherent aan het politieke bestel is nu een trend. Maar daarmee is het niet gedaan met de zorgen over de onvrede en de angst voor de maatschappelijke onrust die daar het gevolg van zou kunnen zijn.
Hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen vindt van zichzelf dat hij op humoristische wijze nare dingen kan vertellen. Maar is hij ongerust over een in aantocht zijnde crisis in politiek en bestuur, zoals de SCP-studie zich afvraagt? ‘Ik ben er nu minder zeker van dat met ironie de gekkigheid valt te keren. Als er een andere politieke meerderheid komt en de economische crisis hardnekkiger blijkt, zou het klimaat wel eens een stuk guurder kunnen worden.’
De gekkigheid waar Frissen op doelt, is voor hem het complexe geheel van een bevolking die volstrekt dubbelzinnig is door voor zichzelf vrijheden op te eisen die ze de buurman niet gunt, een staat die zich veel te veel achter de voordeur van zijn burgers dringt, een samenleving waarin risico’s niet meer worden verdragen, een elite die elk gevoel voor verantwoordelijkheid kwijt is en een populistisch discours dat doet alsof alle onvrede zal verdwijnen als maar naar de volkswil wordt geluisterd. In zijn jongste, bij Van Gennep uitgegeven boek Gevaar verplicht zoekt Frissen naar een oplossing voor die gekkigheid door politici aan te spreken. Over de noodzaak van een aristocratische politiek is daarom de ondertitel. Ook dit blijkt een trend. De Nijmeegse professor politieke geschiedenis Remieg Aerts ging hem dit jaar al in zo’n oproep voor.
Frissen vindt dat politici ‘ouderwetse’ deugden moeten betrachten, zoals de deugd van het midden, prudentie, voorzichtigheid en bescheidenheid. In de praktijk betekent dat volgens hem dat politiek en staat afstand houden van de bevolking. ‘Niet alles is politiek’, zegt hij. ‘Op het terrein van bijvoorbeeld opvoeding of zorg moet de overheid niet achter de voordeur, onder het bed en tussen de oren willen kijken. De diagnose dat de onvrede zou voortkomen uit de kloof is een verkeerde. Een kloof tussen politiek en samenleving is juist goed, die moet er zijn.’
Frissen realiseert zich dat de terughoudendheid waar hij politici toe oproept uit henzelf zal moeten komen: ‘Daarin zit het baron von Münchhausen-idee, ze zullen zich aan hun eigen haren omhoog moeten trekken. De politiek bepaalt nu eenmaal zijn eigen grenzen. Maar juist daarom is het zo belangrijk dat de individuele politicus zich realiseert dat de democratie groter is dan hijzelf. Een politicus moet opereren vanuit de vooronderstelling dat de ander gelijk zou kunnen hebben. Hij moet zich realiseren dat politieke instituties afstand moeten houden ten opzichte van de maatschappelijke verdeeldheid en zich niet mogen vereenzelvigen met één standpunt.’

HET CDA-KAMERLID Jan Schinkelshoek pleit, en dat sluit aan bij het betoog van Frissen, voor een herwaardering van het compromis: ‘Een compromis is water bij de wijn doen, maar dat getuigt juist van kracht. Vanuit je eigen overtuiging ben je dan op zoek gegaan naar een balans tussen uiteenlopende meningen. Onze voorouders in de politiek hebben daarmee een stabiel en welvarend land opgebouwd.’ Volgens Schinkelshoek is voor de middenpartijen CDA, PVDA en VVD het antwoord op de uitdaging door de populistische partijen ‘niet dat we moeten doen alsof Kamerleden stromannen zijn van de kiezer. Het is een vergissing te denken dat meer democratie betere democratie is. Ik heb niks tegen lijsttrekkersverkiezingen, maar politiek is meer dan luisteren naar de kiezer. Die trend – u vraagt, wij draaien – heeft de problemen alleen maar groter gemaakt. Nu zitten we klem in een fatale vicieuze cirkel. Door vooral te willen laten zien dat we goed luisteren, wekken we verwachtingen die we niet kunnen waarmaken. Dus gaat de kiezer zeggen: ze bakken er niks van in Den Haag. De politiek zal altijd tegengestelde wensen van de bevolking moeten filteren en een eigenstandige afweging moeten maken.’
Schinkelshoek vindt dat de politiek te veel heeft gesuggereerd vrede en geluk te kunnen garanderen: ‘Dat kunnen we niet. Dat schrijnt des te meer nu we tegen volgende generaties niet meer kunnen zeggen dat zij het beter zullen krijgen. Dat mensen ook hierdoor teleurgesteld zijn geraakt, is begrijpelijk. Je ziet nu overigens wel een kentering. Bijna alle partijen doen geleidelijk aan aan management van verwachtingen. Noodgedwongen.’ Hij vindt het ‘meer dan ooit nodig dat het politieke centrum zich hervindt. De middenpartijen moeten laten zien dat hun ideologieën concepten zijn die ook in de 21ste eeuw wat te bieden hebben. Wat betekent rentmeesterschap of naastenliefde in deze tijd voor het CDA, of solidariteit voor de PVDA?’
Schinkelshoek geeft een voorbeeld: ‘Het CDA wil niet dat de staat overal verantwoordelijk voor is. Ook het neoliberale denken dat alles overlaat aan de markt is ten einde. De reflex bij het CDA is groot om nu terug te vallen op het maatschappelijk middenveld. Maar wie of wat is dat in deze tijd? Jongeren worden bijvoorbeeld geen lid meer van de vakbond. Andersom moet je als staat als je verantwoordelijkheden overdraagt aan schoolbesturen of ziekenhuisdirecties die dan ook niet meer steeds voor de voeten blijven lopen. Dat vergt het hernieuwd overdenken van het christen-democratisch gedachtegoed. Daar zijn we nog maar net mee begonnen.’
Ook Frissen vindt dat gezocht moet worden naar nieuwe vormen of arrangementen die meer verantwoordelijkheid leggen bij burgers, en minder bij staat of markt: ‘Het zou mooi zijn als de financiële crisis benut zou worden om dat te regelen in een aantal domeinen, zoals zorg, welzijn, onderwijs en sociale zekerheid.’
PVDA-Kamerlid Paul Kalma is van oordeel dat degenen die politici oproepen zich deugdelijker te gedragen of die stellen dat een kloof juist goed is, voorbijgaan aan een essentieel probleem: de verbleking van de tegenstellingen in de politiek: ‘Wijlen Bart Tromp schreef al dat als je politieke tegenstellingen sterk relativeert, je ongewild ruimte laat voor een andere ordening. De populisten vullen die lege ruimte nu in: daardoor is het nu de buitenstaanders tegen de gevestigde orde. We moeten terug naar de samenbindende kracht van het politieke conflict.’ Kalma is het dan ook niet zonder meer eens met Schinkelshoeks pleidooi voor een herwaardering van het compromis: ‘Uiteindelijk zal in de politiek een compromis moeten worden bereikt, dat klopt, maar dan zul je toch eerst de tegenstellingen duidelijk moeten articuleren. Ik denk juist dat de politiek nu te veel aan elkaar hangt van compromissen en we niet meer weten waartussen het een compromis is. Dat is vervaagd. We hebben de fundamentele debatten verwaarloosd.’
Hij vraagt zich ook af of je moet spreken over een terugkeer naar de ideologieën, zoals Schinkelshoek doet, maar pleit er wel voor dat in ieder geval de verschillen tussen de gevestigde partijen duidelijker worden gemarkeerd: ‘Want vruchtbare polarisatie is de kern van politiek. De huidige economische crisis markeert het einde van het neoliberale tijdperk. Het roept fundamentele vragen en nieuwe conflicten op over grenzen aan de commercie, over de definitie van groei en welvaart en over de verdeling van rijkdom in de wereld. Ik ben ervan overtuigd dat de nasleep van de crisis ons zeker tien á twintig jaar bezig gaat houden.’
In de hernieuwde discussie over het overdragen van verantwoordelijkheden, de zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen staat, markt en samenleving valt het Kalma op dat het altijd meteen gaat over wie bestuurlijk aan de touwtjes mag trekken: ‘Wat ik mis, is het burgeractivisme, verzet dat op straat tot uitdrukking komt, maatschappelijke bewegingen die zelf het conflict opzoeken. Activisme past niet in ons bestuurlijk denken. In Nederland zie je mede daardoor de proteststem alleen één keer in de vier jaar, in het stemhok. Ook de PVV van Wilders, die toch zegt een beweging te zijn, roept niet op tot actie. Mogelijk is het ook juist andersom: dat de groei van de PVV in de peilingen een symptoom is van het gebrek aan burgeractivisme.’
Kalma vindt dat opvallend, zeker nu er inmiddels ook sprake is van een economische crisis: ‘Kijk naar de VS of Frankrijk, daar zie je wel verzet. Eigenlijk vind ik het juist zorgelijk dat het in Nederland zo rustig is. Dat hier niet volop wordt gedemonstreerd, heeft volgens mij alles te maken met dat ontbreken van tegenstellingen. Volgens mij is daar een verband tussen. In Nederland ligt de nadruk altijd op binding, niet alleen in de politiek overigens, het is veel breder. Maar zonder conflict en zonder dat burgers in actie komen, verzwakt de kracht van de politiek.’