Rudi Dutschke, Jeder hat sein Leben ganz zu leben

«Waar blijft de revolutionair?»

Wie de onlangs verschenen dagboeken leest van Rudi Dutschke, de bejubelde maar ook verguisde Duitse studentenleider uit de jaren zestig, beseft hoezeer de val van de Muur en de ineenstorting van de Sovjet-Unie een einde hebben gemaakt aan alle ideologieën. Het marxistische jargon van Dutschke en zijn geloof in een revolutie ter verwezenlijking van een antiautoritair, democratisch socialisme in Duitsland doen nu vreemd en naïef aan, maar dertig, veertig jaar geleden oefende hij daarmee een grote aantrekkingskracht uit op studenten die eind jaren zestig rebelleerden tegen de gevestigde orde, de oorlog in Vietnam en de uitbuiting in de Derde Wereld.

In zijn dagboeken, bijna 25 jaar na zijn dood uitgegeven door de weduwe Gretchen Dutschke, legde de streng ideologisch denkende revolutionair zijn wat warrig marxistisch gedachtegoed vast, alsmede in verkorte vorm de ideeën van onder meer de toen veel gelezen linkse denker Herbert Marcuse.

Dutschke keerde zich zowel tegen het «despotisch communisme» van de Sovjet-Unie en de DDR als tegen de burgerlijke, kapitalistische samenleving in de Bondsrepubliek. Als marxist geloofde hij in de klassenstrijd, maar hij zag ook wel dat de arbeiders allerminst strijdlustig waren. Dat waren alleen de studenten. Marx leert echter dat de «bevrijding van de arbeidersklasse» alleen door die klasse zelf mogelijk is. Dutschke wist raad: de tegenstelling tussen studenten en arbeiders moest worden opgeheven. Op 7 juli 1969 noteerde hij: «De toekomstige maatschappij moet één grote universiteit zijn?!»

De dagboeken hebben naast een politiek ook een zeer menselijk aspect. Dutschke was een tragisch figuur. De studentenleider, door de kranten van het rechtse en invloedrijke Springer-concern afgeschilderd als een duivels sujet, werd in april 1968 slachtoffer van een bijna dodelijke aanslag. De rechtse extremist Josef Bachmann schoot hem in West-Berlijn twee keer door het hoofd, waarbij zijn hersenen ernstig werden beschadigd.

Dutschke overleefde. Uit de dagboeken blijkt hoe traumatisch deze aanslag is geweest, hoezeer hij worstelde met zijn angst voor epileptische aanvallen waaraan hij na de aanslag leed, en vooral hoezeer hij zich inspande om zijn verloren geheugen, denk- en spraakvermogen terug te winnen. Op 2 maart 1970, bijna twee jaar na de aanslag, schreef hij: «Het lezen gaat al wel sneller, maar ik ben hierover nog ontevreden.»

In de dagboeken staat ook het nodige over Dutschkes liefdes- en gezinsleven. Zijn beide kinderen, Hosea en Polly, vormden zijn grootste geluk. Hun antiautoritaire opvoeding was hoogst belangrijk. Zijn opvattingen hierover klinken eveneens dogmatisch en marxistisch. Arme kinderen. Toch moet Dutschke, als hij tenminste thuis was, een heel aardige vader zijn geweest. Een goede echtgenoot was hij minder. Althans, uit de dagboeken blijkt dat er binnen het huwelijk regelmatig spanningen en conflicten waren. Gretchen Dutschke hielp haar man, maar wilde daarnaast een eigen, onafhankelijk leven leiden. Rudi moest een deel van het huishoudelijk werk op zich nemen, wat hem kennelijk moeilijk viel, want dat werk leidde maar af van studie en politiek. Hij schreef: «Wat gebeurt er met me? Waar blijft de revolutionair? Hij volbrengt een moeilijke opgave, hij probeert de ‹gelijkheid tussen man en vrouw› in de praktijk te brengen.»

Dutschke, die na de aanslag een tijdje in Londen en na zijn uitwijzing uit Groot-Brittannië in het Deense Aarhus woonde, begon zich na het verschijnen van zijn proefschrift (Versuch, Lenin auf die Füsse zu stellen) weer meer te mengen in het politieke debat in Duitsland. In november 1974 verscheen hij in Hamburg bij de begrafenis van Holger Meins, lid van de Rote Armee Fraktion (RAF). Meins was overleden aan de gevolgen van een hongerstaking in de gevangenis. Bij zijn graf riep Dutschke met opgeheven vuist: «Holger, de strijd gaat verder.»

In zijn dagboek noteerde hij de negatieve reacties op dit optreden. Hij maakte ook duidelijk dat hij het niet eens was met de RAF. Revolutie heeft alleen kans van slagen als die wordt gesteund door de brede massa van de bevolking; terrorisme leidt alleen maar tot vijandschap bij de massa. De RAF heeft politiek dan ook geen enkele betekenis, schreef hij op 6 december 1974. «En toch zullen wij van onze kritische solidariteit niet afwijken.»

Aan het einde van de jaren zeventig begon Dutschke zich te interesseren voor de bedreiging van het milieu door kerncentrales en andere zaken. In 1979 raakte hij betrokken bij de eerste groene partij in Duitsland. Die nam toen deel aan de verkiezingen in Bremen en slaagde erin de kiesdrempel van vijf procent te passeren. Dutschke had meegedaan aan de verkiezingsstrijd. Het gezin overwoog om naar Bremen te verhuizen.

Maar zover kwam het niet. Op 24 december 1979 overleed Dutschke. Hij was 39 jaar oud.

Rudi Dutschke

Jeder hat sein Leben ganz zu leben: Die Tagebücher 1963-1979

Uitg. Kiepenheuer & Witsch, 429 blz., € 19,90