Waar blijft de servische vaclav havel?

Al twee weken demonstreren dagelijks tussen de vijftig- en honderdduizend mensen in Belgrado tegen de annulering van de gemeenteraadsverkiezingen door president Milosevic.

Als we sommige kranten mogen geloven, verzamelt zich ook elke dag een schare demonstranten onder het raam van oppositieleider Zoran Djindjic om zijn favoriete leuze te scanderen. Ze roepen dan niet ‘Wij zijn het volk’, zoals de Oostduitse demonstranten aan de vooravond van de val van de Muur, of simpelweg 'Democratie!’, zoals de Roemenen riepen op die onvergetelijke, kraakheldere winterdag toen het monster Ceausescu van het ene op het andere ogenblik tot stuifsneeuw verpulverde. Nee, de demonstranten in Belgrado roepen 'Djindjic, ze kunnen je reet likken.’
De banalisering van de politieke cultuur, die door het bewind van Milosevic als een gezonde uiting van de 'Servische volksziel’ werd aangemoedigd, is kennelijk ook aan zijn tegenstanders niet voorbijgegaan. De oppositie wil de president op vreedzame wijze afzetten, naar het voorbeeld van de 'fluwelen revolutie’ in Tsjechoslowakije, maar voorlopig stuurt zij aan op een bloedige confrontatie. Het ontbreekt de beweging aan de politieke intelligentie, de buitenlandse steun en het democratische geduld om een morele machtswisseling af te dwingen. Want de oppositieleiders mogen Milosevic dan wel het graf in wensen, ze hebben meer met hem gemeen dan ze willen toegeven.
De zakenman Djindjic is net als Milosevic een opportunist. Toen Milosevic zijn toevlucht zocht in een extreem nationalisme om zijn failliete één-partijstaat te redden, voerde Djindjic oppositie als 'Europeaan’ en 'kosmopoliet’. Na 1993, toen Milosevic het nationalisme liet vallen om West-Europa en de Verenigde Staten niet verder van zich te vervreemden, bekeerde Djindjic zich tot de groot-Servische gedachte en voerde hij campagne voor Radovan Karadzic. En nu ijvert hij weer voor een strikte toepassing van het Dayton-akkoord te zamen met de Ifor-landen, die natuurlijk bien étonnés zijn. Onder zijn leiding zal Servië niet snel uitgroeien tot een stabiele democratie.
De tweede ster aan het oppositionele firmament, Vuk Draskovic, is van twijfelachtig kaliber omdat hij wèl ergens in gelooft. Zijn van bloedwraak, zondebesef en fatalisme doordrenkte demagogie overtrof de laatste jaren alles wat de bezoldigde propagandisten van Milosevic wisten te produceren. Samen met de dorpsidioot van Belgrado, Vojislav Seselj, hield hij het revanchisme in stand. Nu roept hij op hoge toon dat Milosevic schuldig is aan de 'etnische zuiveringen’, maar dat klinkt verstandiger dan het is: Draskovic is niet tegen etnische zuiveringen, hij is tegen de zuivering van Serviërs.
Een beweging met zulke leiders kan wellicht Milosevic verjagen, maar mist de innerlijke overtuiging om zijn geest uit te bannen. In elk geval roepen de demonstranten geen leuzen voor een groot-Servië en eisen zij geen verbod op alle godsdiensten behalve de Slavische orthodoxie. Ze roepen om erkenning van hun democratische rechten. Dat is een hele geruststelling. Maar een Servische Vaclav Havel wordt node gemist.