Waar blijft de veenbrand?

Iedereen is enthousiast over Job Cohen.
Iedereen?
Als ik de kranten lees en televisie kijk wel. Hij ‘bindt’, hij is 'de Obama van Nederland’, 'Yes, I Cohen’, 'een groot staatsman’.
Ik loop in het Vondelpark, en ja, daar ontmoet ik de mensen die op Wilders stemmen. Dat zijn arbeiders. Lagere inkomens. De mensen voor wie Cohen zegt op te komen, maar ze vertrouwen Cohen niet.
Ik ben het met ze eens. Ik vind Cohen een intellectueel, maar geen staatsman. En zelfs als intellectueel valt hij me tegen. Hij heeft, voor mij, slappe ideeën die het niveau van 'we moeten in dialoog zijn en blijven’ niet overtreffen.
Voor de goede orde: ikzelf wil geen hoofddoekjes verbieden, ik wil ook geen korans verbieden, hogere straffen hebben ook geen effect - tenzij het de doodstraf is - wat ik wél wil is beleid, of helemaal geen beleid.
Cohen heeft daar geen ideeën over. Geen idee waar hij voor staat anders dan voor een soort lieve sociaal-democratie met veel 'samen’ en 'fatsoen’ en 'zo'n land wil ik niet’.
Cohen wil de kerken en de moskeeën betrekken bij zijn beleid - en is daarom niets anders dan een wat linksachtige CDA'er.
De man die ik in het park over Cohen spreek, vraagt me opeens: 'Bent u een Wildersmannetje?’
Ik haal mijn schouders op en zeg: 'Nee.’
Dan zegt hij: 'Vindt u Wilders sympathiek?’
Ik haal weer mijn schouders op. En ik antwoord: 'Ik vind niet één politicus sympathiek.’
Dan zegt hij: 'Ik heb het gevoel dat als u op Wilders zou willen stemmen u dat niet zou zeggen. Het is heel raar, iedereen schreeuwt het uit dat ze op Cohen gaan stemmen, maar als Wilders ter sprake komt, dan merk ik dat men daar niet voor durft uit te komen.’
Ik knik. Die ervaring heb ik ook. Ook ik ken mensen die Wilders gaan stemmen en dat niet in alle openheid durven te zeggen, omdat ze niet uitgemaakt willen worden voor racist, voor extreem-rechts, voor fascist. Het is een reden waarom ik er wel eens over heb gedacht om in de krant te schrijven dat ik Wilders ga stemmen, en misschien ga ik dat ook nog wel eens doen. Baldadigheid moet.
Dan zegt de man: 'Ik dacht met de nieuwe verkiezingen, nu gaat het gebeuren. De veenbrand komt naar boven, maar ik denk dat de veenbrand weer doorwoekert.’
Ik kijk hem aan en schrik: zoals hij denkt, denk ik ook.
Als Cohen en ik door de stad lopen, zien we een ander Amsterdam. Hij ziet een stad waarmee het steeds beter gaat. Ik niet. Ik voel meer agressie, ik merk tweespalt, ik merk haat - en niet tegen allochtonen in het algemeen.
Amsterdam kent ongeveer 170 nationaliteiten, maar over 168 nationaliteiten hoor ik de Amsterdammers nooit. Zelfs niet als het onderwereldfiguren uit Joegoslavië zijn, of Kroatische drugsdealers.
Ik zie een stad waar de kunstenaars uit zijn weggevlucht - en terecht, want kunstenaars hebben geen musea meer waarin ze kunnen exposeren. Ik zie een stad die, in vergelijking met dertig jaar geleden, veel minder vrij is geworden. Minder sociale cohesie, minder betrokkenheid, meer gestoorden op straat.
De verkiezingen zijn al bepaald. PvdA zal grote winst boeken, CDA zal wat inleveren, D66 gaat wat terug, Wilders zal ook nog wel iets halen, kortom: er zal niets veranderen. Vadertje Cohen - een soort Balkenende - komt dan aan de macht. Na de moord op Pim Fortuyn dacht ik: nu breekt de veenbrand los, na de moord op Theo van Gogh, drie jaar later, dacht ik: die veenbrand begint nu.
Die veenbrand is niet gekomen. Is hij er niet?
Over een jaar, voorspel ik nu, breekt hij uit.
Ik ben er zo bang voor…