Een jaar later

Waar blijft het Irak-onderzoek?

Een jaar na de invasie van Irak evalueren zes Nederlandse radio- en televisiecommentatoren hun argumenten vóór of tegen van destijds.

Volgende week is het een jaar geleden dat Amerikaanse en Britse troepen Irak aanvielen. Het demissionaire Nederlandse kabinet steunde deze oorlog «politiek, maar niet militair», een standpunt dat vooral in het buitenland vaak moeilijk werd begrepen. Aan de vooravond van de oorlog was uit de moeizame formatiebesprekingen tussen het CDA (vóór) en de PvdA (tégen) het compromis voortgekomen dat de Nederlandse regering onverkort zou vasthouden aan resolutie 1441 van de Veiligheidsraad. Deze resolutie beoogde volledige Iraakse openheid over massavernietigingswapens. Want die wapens had Irak zonder twijfel, zo verzekerde de Britse premier Blair in een dik rapport en zo demonstreerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell in een speciale zitting van de Veiligheidsraad.

Dictator Saddam Hoessein werd verwijderd en de oorlog gewonnen. Maar de massavernietigingswapens, de eigenlijke casus belli voor militaire actie, zijn nog altijd niet gevonden. En als we minister Powell en de voormalige wapeninspecteur David Kay moeten geloven, zullen die ook niet meer gevonden worden. Er waren geen massavernietigingswapens in Irak en de bewijslast was ten dele vals. In Engeland en in de Verenigde Staten heeft deze constatering geleid tot introspectie. Commissies onderzoeken het functioneren van inlichtingendiensten en de wijze waarop politici met materiaal van die inlichtingendiensten zijn omgesprongen.

Maar in Nederland blijft het stil. Er komt een onderzoek naar de AIVD. Niet vanwege Irak, maar om de fatale veiligheidsanalyse van Pim Fortuyn en het gestuntel bij het achterhalen van de onderwereldcontacten van Mabel Wisse Smit. De rol die de dienst speelde in de beoordeling van informatie van zusterdiensten over massavernietigings wapens in Irak, wordt niet bekeken.

De Nederlandse steun voor de oorlog was ten dele gebaseerd op gefalsificeerde informatie, maar ook voor onderzoek naar de politieke besluitvorming lijkt vooralsnog bij het parlement weinig belangstelling.

De Groene Amsterdammer legde zes toonaangevende commentatoren die op radio en televisie voor en tijdens de oorlog onze mening vormden drie vragen voor: «Moet Nederland, nu de basis voor de oorlog wankel is gebleken, ook onderzoek gaan doen?»; «Is de Nederlandse ‹politieke steun› een houdbaar standpunt gebleken?» en «Zijn uw persoonlijke opvattingen over de oorlog een jaar na het begin van de aanval veranderd?».

Ko Colijn, defensiespecialist, was dagelijks commentator voor het nos-Journaal. Hij geloofde de presentatie van Colin Powell in de Veiligheidsraad.

Colijn: «Nederland verschuilt zich achter het argument dat de bewijslast niet bestond uit het vinden van massavernietigingswapens en een relatie tussen Irak en al-Qaeda, maar uit het niet nakomen van de beroemde resolutie 1441. Ik geef toe: dat is een flinterdun schaamlapje, maar je kunt het blijven volhouden, want zo staat het geschreven. Natuurlijk heeft de aanname van het bestaan van massavernietigingswapens wel weer een rol gespeeld bij de formulering van resolutie 1441, die immers disarmament eiste. En daarvoor zijn we weer te blind achter MI6 en de CIA aangelopen. Ik zou wel onderzocht willen hebben of onze AIVD werkelijk, zoals Balkenende beweert, de Britse en Amerikaanse verdenkingen nog eens zelfstandig tegen het licht heeft gehouden. Ik betwijfel of ze daartoe in staat is. En dan is mijn conclusie: in het tijdperk van pre-emptieve strategieën is dat voor ons land een onverantwoorde situatie. De beslissing over oorlog en vrede mag niet van buitenlandse inlichtingen afhankelijk zijn maar moet op z’n minst in Den Haag verifieerbaar zijn. Dat is wat ik onderzocht wil hebben.

Waarom zou onze positie van politieke steun aan de oorlog niet houdbaar zijn? Alle gradaties van steun of afkeer zijn toegestaan in de internationale politiek. Je zult er alleen geen lof mee oogsten bij de landen die wél levens op het spel zetten. Dit was geen Navo-interventie, dus bondgenootschappelijke plichten telden niet. Overigens ligt de vraag wel iets genuanceerder, want Nederland heeft achter de schermen wel degelijk een militair steentje bijgedragen. Dergelijke subtiliteiten, zeggen dat je militair niet meedoet maar onder de oppervlakte wel, zijn ook niet ongebruikelijk in het finetunen van je steun. De enige norm die telt is: kun je het uitleggen aan degenen die feitelijk de veiligheid voor hun rekening nemen.

Mijn persoonlijke opvattingen zijn niet echt veranderd, want enige scepsis is me niet vreemd. Ik geef meteen toe dat het onvindbaar zijn van de massavernietigingswapens schokkend is en afbreuk doet aan de legitimiteit van de oorlog. Ook ik dacht dat ze er waren, want je kon je niet voorstellen dat iemand als minister Colin Powell zijn reputatie op het spel zou zetten met zo’n show in de Veiligheidsraad. We hadden nog kritischer kunnen zijn, wrikken in de haarscheurtjes die je in de verschillende Intelligence Estimates kon ontwaren. Maar die waren ook weer verklaarbaar op, zeg maar, bestuurskundige gronden. Ook de Fransen en de Duitsers twijfelden niet aan het bestaan van die massavernietigingswapens. Iraakse commandanten die nu door Amerikanen op de gril worden gelegd, geloven het nog. Wapenspeurder David Kay heeft dus waarschijnlijk gelijk dat een perverse systeemfout, angst van generaals voor Saddam, macht kunnen ontlenen aan spookwapens, ons heeft misleid. Sommigen forceren de discussie hierover nu, door te beweren dat Blair c.s. dus hebben gelogen. Dat vind ik een stap te ver. Ook wapeninspecteur Hans Blix zegt dat hij niet in de kwade trouw van Blair gelooft. Daarom is ‹misleiding› een te groot woord. Ten slotte vind ik het aangaan van een oorlog op basis van achteraf vastgestelde foute presumpties wel heel ernstig, maar niet per se immoreel. De staatsman die te goeder trouw een dreiging ziet groeien en niets doet, handelt onverantwoordelijk en misschien zelfs immoreel. In dat opzicht voel ik me teleurgesteld, maar niet misleid.»

Ruth Oldenziel, Amerika-kenner, leverde onder meer commentaar bij Nova. Ze stond kritisch tegenover de oorlog en werd al snel niet meer uitgenodigd.

Oldenziel: «Het is evident dat Nederland zichzelf moet onderwerpen aan een grondig zelfonderzoek. Alle argumenten die de formele aanleiding tot ingrijpen vormden, zijn onzin gebleken. Maar dat er binnen de Kamer niet politiek wordt geëvalueerd, verbaast me tegelijk weer niet: we waren zeer volgzaam in onze relatie tot Amerika. Deze regering heeft aan de vooravond van de aanval op geen enkele manier een onafhankelijke visie op de oorlog ontwikkeld en doet dat weer niet. Dat heeft zeker ook te maken met de onwennigheid en onervarenheid van de regering. Tekenend is dat premier Balkenende nu is uitgenodigd door president Bush om naar Washington te komen om onder meer over Europa van gedachten te wisselen, nog vóórdat wij een eigen standpunt hebben ontwikkeld over onze positie tot Europa. Dat heeft iets wrangs.

Onze handelsbelangen bepalen het prisma van onze buitenlandse politiek. Het feit dat we óók onderdeel zijn van een groter internationaal politiek-juridisch geheel lijkt ons telkens weer te verrassen. De JSF-kwestie is een schoolvoorbeeld van deze houding. Met de huidige regering zal hierin geen verandering komen. Sowieso getuigt dit kabinet van crisismanagement. Het is moeilijk te zeggen of onze houding houdbaar blijft. Pas als we met een situatie te maken krijgen zoals in Srebrenica houden we ons met de politieke consequenties bezig. Dat is redelijk laat voor een zelfonderzoek.

Alles wat ik indertijd heb voorspeld is overeind gebleven. Zo heb ik een dag na de aanslagen van 11 september in een radioprogramma hardop uitgesproken dat Irak zou worden aangevallen. Helaas is het precies zo gegaan. Langzaam werd naar de oorlog toegewerkt. De wisselende argumenten vanuit de VS werden door ons laconiek overgenomen. Het was stuitend hoe weinig doortimmerd Bush zijn argumenten wist te presenteren. Voor mij is de vraag: hoe is dit proces toch mogelijk geweest? Iedereen kon dezelfde analyse maken dat het niet realistisch was om te denken dat de VS de massavernietigingswapens zouden vinden. Hoewel ik sympathie had voor de visie dat Irak beter af zou zijn met de val van Saddam was het glashelder dat de regering-Bush niet bereid was om aan nation building te doen. Maar dit vond geen gehoor achter de tafel in de studio. Ik zou bij de omroep aanvankelijk regelmatig commentaar gaan leveren. Uiteindelijk ben ik weinig opgeroepen omdat ik niet in het stramien paste van de heren achter de tafel die zich vrijwel uitsluitend bezighielden met de oorlog en zijn hightech-wapens, gesteund door de eenzijdige beelden die we kregen via het Pentagon en de embedded journalisten in Irak. Dat was schrijnend. Als ik de politieke vraag wat er met die overwinning gedaan zou moeten worden, opwierp, viel dat letterlijk buiten het beeld. Het gaat me er niet om dat ik gelijk heb gekregen, maar wel om het mechanisme van de zogenaamde onvermijdelijkheid te ontrafelen. Iedereen zat op die oorlog te wachten; in de journalistiek en de politiek lagen de draaiboeken al klaar. Het begin van de oorlog was eigenlijk een soort ontlading. Dat proces zelf is minstens zo onthullend.»

Ben Soetendorp, Midden-Oostenspecialist, was ervan overtuigd dat er massavernietigingswapens in Irak waren.

Soetendorp: «De regering zal zich bij het bepalen van een standpunt heus voor een deel hebben laten leiden door de AIVD, maar die gaf een analyse uit de tweede hand, gebaseerd op Engelse, Amerikaanse en andere inlichtingendiensten. De belangrijkste inlichtingen komen natuurlijk van mensen ter plekke: spionnen, informanten en verklikkers. En wij hadden die mensen niet. Het heeft daarom geen zin een officieel onderzoek te starten naar de werking van de Nederlandse inlichtingendienst. Je zult daar niets van belang vinden.

Nederland steunde de oorlog officieel politiek, maar de scheiding politiek-militair is natuurlijk vooral semantisch. Uit recente ontwikkelingen blijkt opnieuw hoe onverstandig het is te zeggen: we gaan wel, maar schieten niet. Wij willen niet erkennen dat de Nederlandse militairen in feite een bezettingsmacht vormen, en in ieder geval als zodanig door de Irakezen worden gezien. Ze vormen in feite ook geen peace keeping force maar een informele peace making force. In de praktijk zijn allerlei nuances in de taakopvatting ineffectief. Je denkt toch niet dat een Iraakse burger weet dat een Nederlandse militair niet schiet om jouw veiligheid te garanderen, een Amerikaanse wel, en een Italiaanse alleen na acht uur ’s avonds? Dat schept allemaal verwarringen.

Ik dacht dat er massavernietigingswapens waren in Irak. Maar ik voel me niet echt bedonderd nu blijkt dat ze er niet zijn. Bij non-proliferatie gaat het immers ook om de software, de kennis. Die is wel degelijk aanwezig. De hardware, uranium en dergelijke, is niet gevonden, maar die wetenschappers lopen daar gewoon rond. Het verbaast mij wel dat er uit gesprekken met die wetenschappers niet veel meer naar voren is gekomen. Overigens ging de oorlog officieus natuurlijk ook om een regimeverandering. Wel, in dat opzicht is het een succes geweest. Alleen, de pretentie dat er nu een prachtige democratie voor in de plaats kan komen, is niet aan mij besteed. Daarover dacht ik voor de oorlog niet anders. Wel heb ik, net als zovelen, de macht van de sjiïeten onderschat. We dachten dat die mensen zo blij zouden zijn met hun bevrijding dat ze zich coöperatiever zouden opstellen. Maar net als in Iran hebben geestelijke leiders onder hen het voor het zeggen. En die volgen een eigen, religieuze agenda.»

Bart Tromp, columnist en hoogleraar internationale betrekkingen, was sceptisch over de bewijzen voor massavernietigingswapens.

Tromp: «Ja, ik vind dat er onderzoek moet komen. Het is uiterst merkwaardig dat noch vóór, noch tijdens of na de formatie een volwaardige politieke discussie over het Nederlandse standpunt is gevoerd. In feite stond dat standpunt in september 2002 al vast. Nog voordat Tony Blair de Verenigde Staten terugbracht naar de Veiligheidsraad zei minister De Hoop Scheffer namens de vorige regering dat er voor een gewapend optreden geen VN-resolutie nodig was. Er is geen enkele poging gedaan om hiervoor een politieke en volkenrechtelijke argumentatie aan te voeren. Het doet denken aan de boekhoudfraude bij Ahold. Daar werden de belangrijkste juridische adviseurs buiten de side letters gehouden. In een onderzoek zouden alle juridische en politieke gronden waarop Nederland zo vroeg in zijn eentje een besluit nam aan de orde moeten komen. Eigen inlichtingenmateriaal had Nederland niet. Dus waar was dat besluit op gebaseerd?

Na de verkiezingen ontstond de merkwaardige toestand dat de PvdA alleen mocht deelnemen aan de regering als er overeenstemming was over de oorlog. De middenpositie die daaruit voortkwam, wordt alleen hier begrepen. Met exact hetzelfde standpunt mocht de Spaanse premier Aznar op de Azoren naast Bush en Blair staan. Nederland steunde gewoon de oorlog. Er zijn aan alle kanten fouten gemaakt door iedereen. Nederland deed er niet verstandig aan om in zijn eentje positie te kiezen. Terwijl we aan de ene kant van alles met Europa willen, liepen we ver voor de muziek uit en kozen we voor de Verenigde Staten.

Zelf was ik om heel veel redenen uiterst sceptisch. Als die massavernietigingswapens er zijn, waarom komen jullie dan niet met harde bewijzen? schreef ik. Je ziet nu dat voorstanders van de oorlog vanwege die massavernietigingswapens allerlei verdedigingslinies optrekken. Sommigen roepen dat we moeten ophouden naar het verleden te kijken en ons moeten interesseren voor de prachtige democratische toekomst van Irak. Ook zijn er mensen die nu zeggen dat het niet om massavernietigingswapens ging, maar om het verschrikkelijke regime van Saddam. Maar dat is nooit het argument voor die oorlog geweest. Bovendien steunden de Amerikanen en Britten Saddam in de jaren tachtig toen hij geen haar beter was. De Nederlandse regering zegt, tot slot, dat het niet om de massavernietigingswapens ging maar om Veiligheidsraadresolutie 1441. Maar die resolutie bevat geen vrijbrief om erop los te slaan als Irak zich volgens iemand daar niet aan houdt. Deze laatste verdediging is extra huichelachtig omdat Nederland het eerder slechts wenselijk en niet noodzakelijk vond dat er überhaupt een resolutie zou komen. Sceptisch ben ik dus nog steeds.»

Mient-Jan Faber, voormalig secretaris van het ikv, was vóór de oorlog omdat hij vond dat Saddam verwijderd moest worden.

Faber: «Als kleine natie met beperkte macht hebben we gekozen voor politieke deelname op basis van informatie van andere inlichtingendiensten. Voor zover ik weet had Nederland geen speciale bronnen of spionnen in Irak om tot een zelfstandig oordeel te komen. Dat maakt onderzoek naar de rol van onze eigen inlichtingendienst mijns inziens overbodig. Politiek daarentegen zouden we wel degelijk goed moeten evalueren waarom we zijn meegegaan in een besluitvormingsproces, waarvan de rechtvaardiging nu niet blijkt te deugen. We hebben geaccepteerd zoals de zaak werd gepresenteerd door met name Engeland en Amerika. Daar zouden we nu uitermate kritisch over moeten zijn. Maar nee, in Den Haag blijft het stil.

Nederland is überhaupt slecht in zelf kritiek. Kijk naar Srebrenica en, verder in ons verleden, naar de politionele acties in Indonesië of onze houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. We schoffelen onze fouten weg, daar zijn we altijd goed in geweest. Eigenlijk zijn we slechte mensen: we zijn een handelsnatie, waardoor we graag iedereen te vriend willen houden naar gelang onze economische belangen. Zo schipperen we met alle golven mee, zoals we dat al eeuwen doen en zullen blijven doen. Daar maak ik me geen enkele illusie over. Ondertussen behouden we het moralisme van de calvinist: het vingertje wijst naar anderen, maar nooit naar onszelf.

Ik heb de oorlog vanuit een ander perspectief benaderd: niet het volkenrechtelijk kader, maar het terrein van de mensenrechten vormde voor mij de rechtvaardiging. Ik zei indertijd: ‹De oorlog deugt niet, maar de bevrijding is nodig.› Ik hoef nu niet met mijn geweten te worstelen. Een brute tiran is verdreven, en dat is op zich winst. Toen ik er onlangs was, merkte ik hoe opgelucht de bevolking is. Niemand wil terug naar de tijd van Saddam, ondanks de aanslagen en de anti-Amerikaanse demonstraties. Ik heb aanhangers van extremistische sjiïeten letterlijk horen zeggen: ‹Saddam was een duivel, en we hebben een grotere duivel nodig gehad om ons van hem te bevrijden.› Aan de andere kant willen de meeste Irakezen niet dat de Amerikanen vertrekken. De houding blijft ambivalent, maar dat verbaast me niet. Ik ben gematigd optimistisch over de toekomst van Irak. Er liggen veel kansen, en die worden naarmate het beter gaat, gegrepen. Het heeft tijd nodig.»

Maarten Brands, emeritus hoogleraar geschiedenis, vond de argumenten van de tegenstanders van de oorlog niet sterk. Hij steunde de Verenigde Staten.

Brands: «Met onderzoek is nooit wat mis, maar first things first. Het moet nu maar eens afgelopen zijn met die weerzinwekkende pseudo-euforie over het uitblijven van het bewijs van het bestaan van massavernietigingswapens in Irak. Het Midden-Oosten zit vol met die troep, van wat voor soort ook. Neem Libië. Natuurlijk bestaat er terechte tevredenheid dat dit land enigszins is genormaliseerd in de afgelopen maanden. Maar tegelijk wordt nu duidelijk wat voor troep daar allemaal te vinden was. De Amerikanen hebben onmiskenbaar blunders gemaakt en die onderzoeken ze nu zelf. Ik sluit me aan bij Churchill die al zei dat de Amerikanen uiteindelijk het goede zullen doen nadat ze het verkeerde op eindeloos veel manieren hebben geprobeerd.

Het Nederlandse standpunt, wel politieke steun, geen militaire steun, was eigenlijk zo gek nog niet. Natuurlijk lijkt de formulering op droog water. Er zit iets dialectisch in: ja en nee tegelijk. Maar het was niet het domste wat die malle regering van toen heeft gedaan. Kijk naar die idioot van een Louis Michel in België (minister van Buitenlandse Zaken — red.) of het gedraai van Fischer in Duitsland. Die zijn nu de hele dag zoet met reparatiewerkzaamheden terwijl ze dachten onafhankelijk te opereren. Zolang Europa geen enkele strategie ontwikkelt om de dreiging uit het Midden-Oosten het hoofd te bieden, zal het volkomen afhankelijk blijven van de Verenigde Staten. Nee, Nederland heeft er niet verkeerd aan gedaan de diplomatie nog een beetje te laten spreken. Want dat is wel het allerergste aan de hele affaire: het totale falen van de diplomatie. Er is altijd gedonder geweest in die Atlantische relatie, maar nog nooit is er zoveel porselein tegelijk kapotgesmeten als in de afgelopen maanden.

Mijn persoonlijke opvatting, zowel voor als na de invasie, is dat het Amerikaanse verwijt hout snijdt dat we hier in Europa zijn overgeleverd aan het status-quo-denken. Onlangs weer verweet Fischer Amerika dat het de stabiliteit in het Midden-Oosten heeft verstoord. Hoezo stabiliteit? Wat een onzin! Bernard Lewis, die ik als een groot geleerde beschouw, heeft helder uiteengezet dat de schrikbarende neergang van het gemiddelde inkomen, de angstaanjagende demografische ontwikkelingen en het feit dat er in het Midden-Oosten nog nooit uit zichzelf een fatsoenlijk regime is opgestaan, in combinatie ervoor zorgen dat we slechts het allerergste kunnen verwachten. En dan moet je, zoals Lewis liet zien in What Went Wrong?, ook nog bedenken dat de inwoners van die slecht bestuurde landen geconditioneerd zijn het Westen de schuld te geven van al hun lijden en falen én dat van hun regering. Bush zei het afgelopen november heel duidelijk: ‹We hebben fouten gemaakt, maar afwachten en niets doen is levensgevaarlijk.› Daar heeft die man natuurlijk groot gelijk in.»