Waar blijft het mea culpa van de Nederlandse overheid?

In De Groene Amsterdammer verscheen op 26 februari 1949 een brief van een anonieme officier ‘uit Djokja aan zijn vrienden’. De Nederlandse militair, die het Nederlandse ingrijpen op zich rechtvaardigt en wiens brief buiten zijn medeweten werd gepubliceerd, bekritiseert in dit ‘commentaar op ons’ het doden van Indonesische gevangenen met een nekschot.

Medium groene commentaar oorlogsmisdaden

Hij beschrijft hoe dorpen worden platgebrand en er op vluchtende dorpsgenoten wordt geschoten. Het Nederlandse leger gebruikt structureel ‘moffenmethoden’, meldt hij zijn vrienden en hij stelt zelfs, vier jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, dat hij niet de enige is ‘die een steeds grotere bewondering krijgt voor de correcte en beheerste wijze, waarop de Duitse bezetters in ons land zijn opgetreden’.

De brief was het eerste signaal dat de twee Nederlandse politionele acties in 1947 en 1948-49 in voormalig Nederlands-Indië in feite uiterst smerige oorlogen waren. Desondanks concludeerde de Excessennota in 1969, na onthullingen op tv van de voormalige dienstplichtig soldaat Joop Hueting, dat het slechts om een beperkt aantal incidenten (110) ging waarbij extreem geweld werd gebruikt. Dit is sindsdien de basis voor het officiële regeringsstandpunt. Premier De Jong stelde naar aanleiding van de Excessennota: ‘De Regering betreurt dat zich excessen hebben voorgedaan, maar zij handhaaft haar opvatting, dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen.’

Pas jaren later werd duidelijk hoe beperkt dit onderzoek was. In vier maanden tijd moesten acht oudere ambtenaren onder leiding van de jonge historicus Cees Fasseur vele meters archief doorwerken. Er werden geen interviews met betrokkenen afgenomen, alleen officiële rapportages aan de legerleiding werden onderzocht, en bovendien waren de meeste onderzoekers vooringenomen en verre van capabel. Fasseur gaf veel later pas toe dat door de snelheid de lijst oorlogsmisdaden verre van compleet was en dat een hardere conclusie in die tijd ‘politiek niet haalbaar’ was. Voor de historicus zelf was de nota wel een bewijs van goed gedrag, want later kreeg hij als enige toegang tot het Koninklijk Huisarchief voor de biografie van Wilhelmina en een boek over het huwelijk van Juliana en Bernhard.

In het vorige week gepresenteerde boek De brandende kampongs van Generaal Spoor geeft de Zwitsers-Nederlandse Rémy -Limpach als eerste historicus een algemeen oordeel over het Nederlandse optreden, nadat eerdere onthullingen over bijvoorbeeld het bloedbad in Rawagede de conclusies van Fasseur al verregaand hadden ondergraven. En dat oordeel, gebaseerd op uitgebreid onderzoek, is vernietigend: Nederlandse militairen zetten ‘op grote schaal extreem geweld als wapen’ in. De militaire top was van deze structurele misdaden op de hoogte maar weigerde echt in te grijpen. Tienduizenden Indonesiërs lieten door dit geweld het leven. Limpachs onderzoek legt niet de schuld alleen bij de gewone soldaten. Door de politieke en militaire leiding waren de soldaten het veld in gestuurd met een onhaalbare opdracht en onvoldoende materieel. De misdragingen hadden ook hun stilzwijgende toestemming.

‘We sluiten helemaal niets uit. Dat geldt ook voor een eventueel vervolgonderzoek’, stelde minister van Defensie Hennis-Plasschaert in een eerste reactie. Het kabinet heeft beloofd binnen twee maanden met een officiële reactie te komen en het zal dan inderdaad verleidelijk zijn om een uitgebreid en nieuw onderzoek aan te kondigen. Toch is het de vraag of dat echt nodig is. Het onderzoek van Limpach is zó overduidelijk, en het aantal onthullingen is inmiddels zó groot dat een nieuwe commissie niet met andere conclusies zal komen. Zowel de Indonesische slachtoffers en hun nabestaanden als de Nederlandse veteranen hebben behoefte aan een glashelder mea culpa van de Nederlandse overheid. En waar nodig genoegdoening.