Hoofdcommentaar

Waar blijft het taaloffensief?

Minister Van der Hoeven heeft gelijk als zij stelt dat de overheid niet beschikt over de wettelijke middelen om onderwijssegregatie tegen te gaan. Dat is geen revolutionair inzicht; haar voorgangers hebben het ook al geconstateerd. «Over het onderwerp spreiding kunnen we, schat ik, zes jaar oeverloos praten», zei staatssecretaris Hermans (VVD) in 2000. «En we weten niet eens of het beter werkt. Energieverspilling. Volgens mij kun je beter accepteren dat er zwarte en witte scholen zijn.» Hij werd onthaald op enig vrijblijvend boegeroep waarna de Kamer overging tot de orde van de dag.

Ditmaal kwamen de losse flodders van VVD-integratiewoordvoerster Hirsi Ali die in de krant riep dat de minister «ontoelaatbaar laks» was, maar in de Kamer moest erkennen dat «spreiding op korte termijn niet haalbaar is». Het is niet alleen een kwestie van haalbaarheid, maar ook van politieke zuiverheid. De voorstanders van spreiding zijn vaak niet geïnteresseerd in de bestrijding van onderwijsproblemen. Ze hebben, zoals Hirsi Ali, een appeltje te schillen met islamitische scholen. Of ze willen, zoals Agnes Kant (SP), de school gebruiken als hefboom voor de aanpak van sociale problemen (jeugdcriminaliteit, sociale tweedeling) die niet door het onderwijs worden veroorzaakt en er ook niet door kunnen worden opgelost.

In het slechtste geval begrijpen ze niet wat onderwijs is, namelijk het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden van elk kind. Dat doe je niet door scholen te sluiten, kinderen hun vriendjes af te pakken en ouders in het harnas te jagen tegen elkaar en tegen hun gemeente bestuur. Wie vindt dat islamitische scholen uit den boze zijn, doet er beter aan openlijk te pleiten voor afschaffing van artikel 23 van de Grondwet. Zolang ze daartoe niet de moed hebben — en die hebben ze al sinds 1917 niet meer — doen de liberalen er beter aan hun mond te houden over spreiding. Ze zouden moeten beseffen dat er geen beter middel is om kinderen uit een cultureel isolement te halen dan goede kennis van de Nederlandse taal. Taalkennis maakt vrij, kun je zeggen. In welk opzicht die kinderen vervolgens hun vrijheid gebruiken, maken ze zelf wel uit.

Onderwijskundige redenen voor spreiding zijn er niet. Alloch tone kinderen gaan niet beter presteren als ze tussen autochtone kinderen worden geplaatst. Daarbij komt dat sommige zwarte scholen goed presteren, terwijl sommige witte en gemengde scholen het slecht doen. Vermenging is geen doel op zichzelf en het pesten van zwarte scholen door de toch al schaarse middelen over te hevelen naar gemengde scholen, zoals de SP wil, is onproductief. Dat geldt ook voor het opleggen van quota aan bijzondere scholen. De populatie van de meeste bijzondere scholen wijkt niet af van die van openbare scholen en nogmaals: allochtone kinderen worden niet automatisch beter als ze naar een witte school worden gestuurd. Geen wonder dat de docenten en besturen van de 54 volledig zwarte scholen in Amsterdam niets zien in gedwongen integratie.

Het «oppakken en verslepen van kinderen», zoals de minister het noemt, is dus geen oplossing voor het grootste onderwijskundige probleem van vandaag, de Nederlandse-taalachterstand van migrantenkinderen. Die achterstand hebben de kinderen al wanneer ze rond hun vierde jaar de school binnenkomen. En uit die achterstand vloeien andere problemen voort: hun achterstand in de zaakvakken, hun slechte doorstroming naar havo en vwo, hun slechte arbeidsmarktpositie en hun relatieve isolement in de Nederlandse samenleving. Het jongste SCP-rapport toont nog eens aan dat die ontwikkelingsachterstand niet samenhangt met de kleur van de school of de kinderen en des te meer met de sociaal-economische positie van de ouders.

Het gaat hier niet in de eerste plaats om een geldprobleem, want uit onderzoek blijkt dat meer geld voor zogenaamde concentratiescholen (scholen met een hoog percentage allochtone achterstandsleerlingen) niet leidt tot betere prestaties en soms zelfs tot slechtere. De hamvraag luidt hoe we het onderwijs moeten organiseren en de beschikbare mensen en middelen zo goed mogelijk verdelen om het hoofd te bieden aan de instroom van leerlingen met een Nederlandse-taalachterstand. En in dat opzicht schiet deze minister schromelijk tekort. Zij bezuinigt meer dan honderd miljoen euro op het achterstandsbeleid, bijna een kwart van het budget dat scholen kunnen aanwenden om extra middelen in te zetten voor achterstandsbestrijding.

Wat Nederland nodig heeft is nu juist een taaloffensief, een onderwijskundig Deltaplan om de taalachterstand van alloch tone kinderen zoveel mogelijk in te lopen. Daarvoor zou de minister zich veel meer moeten inspannen. Het kabinet heeft al besloten alle onderwijs in de eerste taal af te schaffen en dat is een goed begin. Helaas ziet de minister niet in dat de leraren die dat onderwijs tot nu toe gaven (de zogenoemde OALT-leraren) voortaan zouden kunnen worden ingezet om hun leerlingen de eerste Nederlandse woordjes te leren. Ze zouden ook een rol kunnen vervullen in de uitbreiding en verbetering van de voorschoolprogramma’s waarvan gebleken is dat ze goede resultaten afwerpen mits de ouders erbij betrokken worden. Het is niet voldoende, maar het zou ten minste een begin van een taal offensief zijn. Als dat een smak geld kost, dan moet het maar. Nietsdoen is op termijn veel kostbaarder.