Waar blijven de politieke kinderboeken?

Kinderen kunnen emotioneel reageren op ingrijpende maat schappelijke gebeur tenissen. Toch verschijnen er, ondanks de wereldwijde onrust, weinig geëngageerde, kritische kinderverhalen.

«Maatschappijkritiek in een aansprekende vorm is welbesteed aan kinderen», stelt Aukje Holtrop in De hele Bibelebontse Berg (1990), hét naslagwerk over de geschiedenis van het Nederlandstalige kinderboek. Toch zijn er in de loop van de tijd relatief weinig maatschappijkritische kinderboeken verschenen, hoewel kinderen heel emotioneel kunnen reageren op maatschappelijke misstanden en in grijpende wereld gebeurtenissen (denk aan de vele acties van de Nederlandse jeugd kort na de tsunami). Een uitzondering is de periode van de jaren zeventig waarin auteurs en werkgroepen nadenken over de functie en noodzaak van politiek in kinderboeken en uit gaven verschijnen als Jan Terlouws De koning van Katoren en Oosterschelde windkracht tien en Henk Barnards Kon hesi baka, kom gauw terug. Maar, concludeert Holtrop in De hele Bibelebontse Berg: «Het lijkt erop dat politiek als expliciet thema in de loop van de jaren tachtig uit het kinderboek verdwenen is.»

Ook wat betreft het laatste decen nium van de twintigste eeuw houdt Holtrops voorlopige conclusie stand. Anne Provoosts veelgeprezen politieke jeugd roman Vallen (1995), over het verband tussen collaboratie in de Tweede We reldoorlog, neonazistische, ex treem-rechtse denkbeelden en hedendaagse praktijken, is binnen de jeugdboekenproductie van de jaren negentig zowel maatschappelijk als literair bezien een uitzondering en hoogtepunt. «Ik weet dat engagement lang taboe is geweest in de Nederlandse jeugdliteratuur», vertelde de Vlaamse Provoost in een interview aan Trouw.

Is het schijnbaar kwijnende bestaan van de sociaal bewogen jeugdroman dan te wijten aan de negatieve lading die de zogenaamde «probleemboeken» hebben? Vrezen auteurs beschuldigd te worden van een politiek correcte houding en indoctrinatie? Of is het uitblijven van geëngageerde jeugdromans een gevolg van te weinig idealisme, te veel navelstaarderij en de eeuwige lofzang op de esthetiek van het jeugdboek in de jaren negentig? Of zijn jeugdboekenauteurs zodanig in verwarring met betrekking tot de maatschappelijke ont wikkelingen dat ze gecompliceerde onderwerpen als het (inter)nationale terrorisme, de oorlog in Irak, de vluchtelingenproblematiek en het snel veranderende klimaat liever mijden en daarmee ook een eventuele standpuntbepaling?

Antwoorden op deze vragen kunnen pas gegeven worden als minimaal de eerste twee decennia van deze eeuw geschiedenis zijn. Afstand in jaren is ook nodig om te signaleren of recent verschenen maatschappijkritische kinderboeken de uitzondering op de kwijnende regel zijn of het begin van een nieuwe trend. Enkele kinderboeken auteurs (zoals Karlijn Stoffels, Lieneke Dijkzeul en Joyce Pool) durven weer te schrijven over maatschappelijk ge voelige onderwerpen. Voorzichtig en be hoedzaam voor indoctrinatie.

Wel gedurfd zijn het in dit blad besproken (april 2004) prentenboek De Generaal van David McKee, volgens de auteur «een direct gevolg van de oorlog in Irak», en Frank Tashlins De beer die geen beer was, een door Hafid Bouazza uit het Amerikaans vertaalde, tijdloze fabel, die aansluit bij het actuele debat over inburgering en culturele identiteit. In beide boeken verbloemen de auteurs geenszins hun meningen en wint de ethische functie het van de esthetische.

In Blauw, Joyce Pools nieuwste boek en de eerste jeugdroman die in het Nederlandse heden speelt, neemt de auteur geen standpunt in ten aanzien van het huidige uitzettingsbeleid van illegalen, het hoofdthema van het verhaal. Pool hoopt lezers aan te zetten tot gedachten over het huidige asielbeleid. Maar, vertelt Pool: «Ik wil vooral geen visie opdringen.» Ze doet inderdaad een serieuze poging de nuance te zoeken en de plotselinge, nachtelijke uitzetting van de vijftienjarige Koerdische Senna Ceçik en haar ouders en broertje, die heftige verontwaardiging oproept bij haar voormalige klasgenootjes, van verschillende kanten te bezien. Daarin slaagt ze maar gedeeltelijk.

Eén van die klasgenootjes is hoofdpersoon Nienke Bakker, wier moeder bij de politie werkt en betrokken was bij de uitzetting. Door middel van het conflict dat ontstaat tussen moeder en dochter probeert Pool de lezer te tonen hoe complex de vluchtelingenproblematiek is. Aanvankelijk weigert Nienke met haar moeder te communiceren, voelt ze slechts woede en heeft geen begrip voor haar moeders positie. Pool schetst met rake woorden, realistisch en overtuigend, de ruzie die volgt.

«‹Weet je hoe ik me voel, mam? Alsof ik er, via jou, persoonlijk aan heb meegewerkt dat ze de familie Ceçik weg zijn! Donder op! Ik wil je niet zien, ik wil niet met je praten. Ga weg!›» Later in het verhaal licht moeder alsnog haar visie toe. «‹Ons land kan gewoon niet alle mensen opnemen die hier willen blijven, dus je moet wel een verdraaid goede reden hebben. De reden van Senna’s ouders was blijkbaar niet goed genoeg vergeleken met die van anderen.›»

De familie Ceçik blijft onveranderlijk een uitgezet gezin. Wel proberen Senna’s voormalige klasgenootjes, on der leiding van Nienke en Senna’s geheime liefde Bob met helblauw haar, de familie Ceçik te traceren. Dankzij Senna’s dagboek, dat in de voormalige woning van de Ceçiks is achtergebleven, vinden Nienke en Bob aanwijzingen en proeft de lezer bovendien hoe het leven van vluchtelingen kan zijn.

Aardig bedacht, zij het dat Senna’s verhaal nogal rechtlijnig is. Senna komt te verstandig en uitgebalanceerd over. Haar gevoelens voor de autochtone Bob brengen haar niet wezenlijk in verwarring noch in religieuze gewetensnood. Ook de ongekende solidariteit van Senna’s klasgenootjes met de familie Ceçik doet de geloofwaardigheid wankelen. Is er dan helemaal niemand die sym pa thiseert met het ge dachtegoed van een fictieve Geert Wilders? En vindt er behalve de verhitte discussies tussen Nienke en haar moeder geen enkel ander debat over het Nederlandse vluchtelingen beleid plaats? «In Blauw», vertelt Pool, «wilde ik kinderen die uitgezet worden/zijn een gezicht geven.» Daarin is ze geslaagd. De Ceçiks zijn niet langer anoniem. De daaruit voort komende solidariteit die Senna’s klasgenootjes tonen oogt sympathiek, maar gaat ten koste van de complexe werkelijkheid.

Minder maatschappijkritisch dan Pool is de gelauwerde Edward van de Vendel in zijn in Nederland on opgemerkt gebleven, eerste lezersboekje Zootje was hier, waarin twee illegale Franssprekende jongetjes een hoofdrol hebben, maar de vluchte ling en problematiek toch onder geschikt blijft aan het ontroerende verhaal over de slimme maar onzekere, dromerige Tepper, zes à zeven jaar oud, die zoekt naar vriendschap en zelf vertrouwen.

In een terugblik vertelt Tepper in korte, onder elkaar afgedrukte prozazinnetjes, die poëzie suggereren, over zijn ontmoeting met de illegale Kiko en Flam in de tuin bij zijn grootouders, waar Tepper een geheime hut onder het spoor heeft. Daar speelt hij, alleen, zijn kinderlijke spel in een gefantaseerde wereld, waarbij fantasie en realiteit onopvallend samensmelten.

«Ik was vroeg in de hut./ Er hing nog mist./ Ik zei: ‹Hallo, hallo!› met mijn nep-stem./ ‹Hallo, hallo!› zei ik in de telefoon./ En opeens zei iemand: ‹Ee!› Echt…» Een echte stem van een echt jongetje. Een gevlucht, illegaal negerjongetje dat zich met zijn broertje en moeder schuilhoudt in een naburig tuinhuisje.

«Hun land was ver/ en zij waren ver van hun land./ ‹Hun land is zwart en rood,› zei Oma,/ ‹zwart van de oorlog/ en rood van het bloed›.» Treffend en beeldend vat Van de Vendel de gruwelen en gevolgen van oorlogen en het vluchte lingenleven in een paar simpele zinnetjes samen. Een droevig verhaal, dat kleurrijk wordt aangevuld met prachtige paginavullende illustraties van Carll Cneut, die daarmee op geheel eigen wijze het lot van de vluchtelingen vertelt.

Het gaat Van de Vendel om de innerlijke groei van Tepper, ondanks het droeve feit dat de jongens en hun moeder uiteindelijk worden opgepakt door de politie. «Niemand kon er iets aan doen», zegt Tepper. Zootje was hier is kleurrijk in tekst en beeld en, zoals je mag verwachten van een eerste lezersboekje, eenvoudig verteld. Ondanks de eenvoud speelt Van de Vendel een talig spel. Het geluid van de treinen die af en aan over de hut razen, probeert hij in woorden te vangen als «lawaai op papier». En kleine grapjes met Franse woorden als «wie», «kwa», «nuul» en «‹TepPER›, met meer Per dan Tep», doen het verhaal luchthartig klinken.

Zootje was hier is geen maatschappijkritisch boek, maar een stijlvolle kindervertelling, passend in de traditie van realistische verhalen over alledaagse gebeurtenissen, waarin de beleving en eigen (fantasie)wereld van het kind centraal staan.

Erich Fromm, de twintigste-eeuwse Duitse humanist, schreef in zijn Angst voor de vrijheid (1952): is niet elk individu, met al zijn verlangens, angsten, harts tochten, motieven en neigingen tot het goede en kwade, het fundamentele wezen van het maatschappelijke proces?

Hoe de wisselwerking tussen de grote mensenwereld en kleine kinderwereld tot een ontroerend en pakkend verhaal kan leiden toont de Britse David Almond in zijn geprezen, mooi geschreven De vuurvreter. In Keely Bay, ten noorden van Newcastle, woont de familie Burns. Robert Burns blikt als volwassene terug op de gebeurtenissen in de nazomer van 1962. Sovjetraketten staan op Cuba, slechts tweehonderd kilometer van de Verenigde Staten, klaar om te worden afgevuurd.

De wereld houdt haar adem in, terwijl Bobby’s mooi ge visualiseerde kinderwereld van strand, zeelucht, meeuwen, rotspoeltjes, vuurtorens en duinen langzaam maar onherroepelijk wordt verdrongen door televisiebeelden van kernraketten, paddestoelwolken, een huilende wind, verwoeste steden en angst voor een derde wereldoorlog. Een angst die wordt versterkt door Bobby’s ontmoeting met de boeienkoning en onheilsprofeet Mc Nulty, geestelijk verward, verminkt door zijn verblijf als militair op Birma tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Bobby zoekt in de dolgedraaide wereld naar antwoorden. In zijn hoofd. En in gesprekken met vriendjes, zijn vriendinnetje Ailsa en zijn ouders. «Is het goed om te demonstreren», vraagt Bobby zijn vader bij het zien van vredes demonstraties op de televisie, «ook als je denkt dat het hopeloos is?» Vaders antwoord: «Juist dan. Juist als je denkt dat het niets uithaalt, als het lijkt alsof je een roepende in de woestijn bent.» Bobby twijfelt en kiest. Voor protest tegen de fysieke straffen op zijn katholieke «grammar school», maar ook voor McNulty.

Almond vertelde vorig jaar in het dagblad The Guardian dat De vuurvreter vorm kreeg tijdens de dagen voorafgaand aan de inval in Irak: «Woorden als oorlog, bommen en bedreiging werden met een ijzige nonchalance gebezigd.» Almond hoorde op dat moment een echo van het verleden, herinnerde zich zijn schooldagen en de angst en reacties van klasgenoten.

De vuurvreter speelt zich weliswaar af in het verleden, maar is evengoed een treffend, biografisch verslag van hoe kinderen reageren op ingrijpende wereldgebeurtenissen. Ze kunnen ook niet anders dan reageren. Want, of ze willen of niet, kinderen maken deel uit van de grote mensenwereld.

Daarom is het opmerkelijk en bevreemdend dat in deze tijden van wereldwijde onrust (tot nu toe) betrekkelijk weinig maatschappijkritische kinderboeken verschijnen.

David Almond

De Vuurvreter

Vertaald door Annelies Jorna

Querido (12+), 173 blz., € 13,75

Joyce Pool

Blauw

Lemniscaat (10+), 143 blz., € 13,95

Edward van de Vendel

Illustraties: Carll Cneut

Zootje was hier

De Eenhoorn (leesniveau 5; 6+), 64 blz., € 14,95