Rüdiger Safranski reist mee met Goethe

Waar de citroenen bloeien

Goethe ging in Italië op zoek naar zichzelf en zette een trend. Een gesprek met filosoof en biograaf Rüdiger Safranski over de reis als innerlijke ontdekkingstocht. ‘Goethe had niet op Facebook gezeten.’

Medium safranski2

In het holst van de nacht van 3 september 1786 knijpt een man er in het diepste geheim tussenuit. Het gezelschap, waarmee hij de avond ervoor nog zo geanimeerd en vol zwier gesproken heeft, zal pas de volgende dag ontdekken dat hij verdwenen is. Ook zijn werkgever, de hertog in Weimar, weet niks van zijn plannen. Zelfs zijn naaste vrienden en vriendinnen zullen wekenlang in het duister tasten over waar hij zich bevindt – en waarom.

De reiziger luistert naar de naam Johann Philipp Möller. Schilder van beroep. Althans, daarvoor geeft hij zich uit. Want Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), misschien wel de bekendste schrijver en dichter van zijn tijd, reist incognito. Verkleed als een kunstenaar uit de lagere standen trekt hij naar Italië. Het land van zijn dromen. Daar, ‘waar de citroenen bloeien’, hoopt hij zichzelf opnieuw uit te vinden.

‘Tegenwoordig zouden mensen zeggen dat Goethe een sabbatical nam.’ Rüdiger Safranski gniffelt bij het anglicisme. ‘Maar dit was anders.’ We zitten in de lobby van een Amsterdams hotel. De Duitse filosoof, geboren in het bevrijdingsjaar 1945, is in Nederland vanwege de vertaling van zijn nieuwste biografie: Goethe: Kunstwerk van het leven.

‘Goethe nam een groot risico met deze reis.’ Safranski spreekt langzaam maar in pasklare zinnen. Over ieder woord, elke formulering lijkt nagedacht. ‘Niemand was op de hoogte van zijn plannen. Zelfs zijn beschermheer, de hertog niet. Terwijl die hem eigenlijk toestemming moest geven voor zo’n grote onderneming. Maar Goethe had deze reis simpelweg nodig. Hij was op de helft van het leven. Hem stond levendig het gevaar voor ogen dat hij, hoewel maatschappelijk zeer succesvol, als kunstenaar zou mislukken. Dat hij niets meer tot stand zou brengen. Daarom nam Goethe al zijn onvoltooide, fragmentarisch gebleven werk mee in zijn bagage. Hij moest voor zichzelf uitvinden of hij nog in staat was iets te scheppen. Of hij nog altijd een kunstenaar was.’

Natuurlijk, Goethe wil ook gewoon mooie dingen zien in Italië. Gewapend met reisgidsen en kunstcatalogi vergaapt hij zich aan de façade van het Pantheon en Michelangelo’s fresco’s in de Sixtijnse Kapel. In het dan nog vervallen Rome trekt hij langs de ruïnes, over wankele balken balancerend om ze van dichtbij te bekijken. Zoveel te doen! Hij klaagt zelfs dat hij het met al die bezienswaardigheden veel te druk heeft. Heel modern, geeft Safranski toe. ‘In Goethe’s tijd was het met name de Engelse upper class die door heel Europa trok. In Groot-Brittannië ontstonden de eerste echte reisgidsen. Dat is het prille begin van het toerisme. Met die driftig reizende Engelse elite wordt in Goethe’s tijd grappig genoeg de spot gedreven. Ze trekken de hele wereld rond, merkte Nietzsche later op, zonder te beseffen dat ze beter thuis hadden kunnen blijven. Want ze zoeken enkel datgene wat precies is zoals bij hen zelf.’

Belangrijker dan die schijnbare overeenkomsten, benadrukt Safranski, zijn de verschillen tussen het reizen toen en nu. ‘Je moet beseffen dat zo’n verre tocht in die tijd echt gevaarlijk was. Bij vrijwel al zijn grotere reizen zie je dat Goethe van tevoren zorgt dat zijn testament in orde is. Hij maakt schoon schip, verbrandt persoonlijke brieven en andere documenten. Je kon tenslotte nooit zeker weten of je terug zou komen. Er waren struikrovers onderweg, je kon een ongeluk krijgen of ernstig ziek worden. Dat alles maakte het een risicovolle onderneming.’

Het gaf een reis naar Italië een diepgang en een gewicht die tegenwoordig moeilijk voor te stellen zijn. Daar schuilt iets moois in. Safranski wijst op de Duitse taal: ‘Je hebt fahren en erfahren. Dat ligt heel dicht bij elkaar. Je fahrt, reist, om iets te ervaren. Om jezélf te ervaren. Dat is de diepere zin van het reizen voor Goethe. Als je Goethe’s leven terugkijkend beziet, dan lijkt het allemaal heel geslaagd. Hij leidde een immens succesvol, welvarend en lang leven. Maar wat snel vergeten wordt, is dat er ook bij Goethe momenten waren dat hij had kunnen falen. Je moet bij hem oppassen dat alles achteraf niet te glad lijkt. Eén lange reeks successen. Nee, er waren telkens opnieuw persoonlijke crises. Om die te boven te komen was moed gevraagd. Zoals toen hij naar Italië ging.’

‘Ik mag niet dralen, ik ben al op leeftijd, en misschien breekt het lot me in het midden en blijft de Babylonische toren onvoltooid’

Daarmee heeft Goethe’s reis alle ingrediënten voor een roadmovie. Er is de protagonist, die op een kruispunt in zijn leven is aangekomen. Hij torst een verleden mee waarmee hij in het reine moet komen. En er is, parallel aan de tocht door het onbekende landschap, de geestelijke reis die uitmondt in een metamorfose. Goethe trekt er alles bij elkaar bijna twee jaar voor uit. ‘Ik zal als een nieuw mens terugkomen’, belooft hij zijn moeder aan het begin van zijn onderneming. ‘Men moet zogezegd herboren worden’, noemt hij het elders. En zie, het werkt! Goethe hervindt zijn creativiteit. Het ene na het andere manuscript wordt onder handen genomen. ‘Ik leef een nieuwe jeugd’, meldt hij wanneer hij in Rome is aangekomen aan ‘zijn’ hertog – de radiostilte is inmiddels verbroken. Nog later, in Napels, schrijft hij: ‘Ik herken mezelf amper, ik lijk wel een totaal ander mens geworden. Gisteren dacht ik: óf je was vroeger gek, óf je bent het nu.’

Het hadden de woorden kunnen zijn van een 21ste-eeuwse backpacker. Goethe zette dan ook een trend, meent Safranski. ‘De reis naar Italië was in zijn tijd onder kunstenaars zojuist in de mode geraakt. Vooral voor de schilders was Italië het beloofde land. Het licht, die kleuren. Maar bij Goethe kreeg de tocht nog een extra betekenis. Zijn Italië-gang was een antwoord op een existentiële crisis. Daarmee werd hij de klassieke representant van de wens om uit te breken. Weg van het geordende leven.’

Eigenlijk zijn we daarmee sindsdien niet meer opgehouden. In elke volgende generatie traden jonge mensen die een persoonlijke crisis doormaakten in het voetspoor van de grote literator. Zuidwaarts, waar zon en vrijheid lonken. Hopend op een persoonlijke Renaissance. Safranski: ‘Dat zag je zelfs nog bij de generatie van 1968. Italië was ook een linkse droom. Er zou niet alleen meer zon zijn, maar ook meer anarchie, liberaliteit. Een alternatief voor onze eigen, tot in de puntjes geordende Noord-Europese maatschappij. Ik vind het interessant hoe dit soort beelden eeuwenlang standhoudt. Pas nu is dit voor mijn gevoel langzaam aan het veranderen. Kijk naar de problemen in Griekenland. Of neem Berlusconi. Sinds zijn premierschap denken we bij Italië niet langer aan vrijheid, maar aan corruptie en smakeloosheid.’

Medium safranski1

Safranski’s Goethe is, zoals hij het in zijn boek noemt, een ‘meester in de levenskunst’. Hij citeert een brief uit 1780 waarin Goethe het heeft over ‘dit verlangen, de piramide van mijn bestaan, waarvan de basis voor mij is aangebracht en gelegd, spits de lucht in te steken, zo hoog mogelijk’. Waarop hij zichzelf aanspoort: ‘Ik mag niet dralen, ik ben al op leeftijd, en misschien breekt het lot me in het midden en blijft de Babylonische toren stomp en onvoltooid. Op zijn minst moet men zeggen dat het een dapper ontwerp was.’

Niets dwong Goethe daartoe. Hij had zijn hele leven lang geld zat. Al op jonge leeftijd was zijn faam gevestigd. Wanneer Goethe naar buiten ging voor een wandeling liep er geregeld een stoet jonge meisjes en kinderen achter hem aan. Zelfs van Napoleon werd gezegd dat hij Goethe’s succesroman Die Leiden des jungen Werthers zeven keer gelezen zou hebben. Toch weigerde Goethe op zijn lauweren te rusten. Hij bleef pogen zichzelf te verbeteren. Het is dit streven naar individuele vervolmaking, naar een soeverein leven, dat Safranski mateloos bewondert. En niet alleen in Goethe. Eerder leverde de filosoof al goed ontvangen boeken af over onder meer de Duitse Romantiek en Friedrich von Schiller.

Telkens weer keert hij terug naar die periode rond 1800. ‘Dat was de tijd van de grote genieën in de Duitse cultuur’, verklaart hij zijn fascinatie. ‘Natuurlijk, ook daarna zijn er telkens weer bijzondere figuren geweest, maar dit was toch wel een klassiek moment. Zoveel geweldige persoonlijkheden rond dezelfde tijd. Ein Glücksfall. In die karakters zit een vitaliteit, een kracht om je eigen weg te gaan als individu – dat vind ik mooi. Je hoeft het niet eens te zijn met alles wat ze vinden en doen om in hun manier van leven iets verfrissends te ontdekken.’

‘Ik zie een vermindering van de werkelijk vitale belevenissen, als gevolg van een vermenigvuldiging van de opslagtechnieken’

Het is het onderwerp van zijn volgende werk, kondigt hij aan. ‘Dat gaat over het plezier om een Einzelne, een individu te zijn. In Goethe’s tijd was dit niet eenvoudig. Er golden strenge regels. Hij leefde in een standenmaatschappij. Maar Goethe was eigenzinnig. Een mooi woord, vindt u niet? Eigen-zinnig, niet alleen op het gebied van de kunst, maar ook als het ging om hoe hij vorm gaf aan zijn eigen leven. Goethe wilde een non-conformist zijn, zoals we het tegenwoordig zouden noemen. Neem zijn relatie met Christiane Vulpius, een vrouw uit het gewone volk die in een fabriek werkte waar ze papieren bloemen maakten. De adel in Weimar vond het vreselijk. Maar Goethe trok zich er weinig van aan. Integendeel: hij vond dat die mensen zich aan hém moesten aanpassen. Dat waardeer ik in hem. Daar komt bij dat Goethe voor mij als biograaf iets ongrijpbaars blijft hebben. Goethe was een Proteus. Net als de Griekse zeegod veranderde hij zichzelf voortdurend. Dat gaf hij ook toe in gesprekken: “Als de mensen denken dat ik in Weimar ben, ben ik in Jena.” Symbolisch, snap je? Goethe laat zich niet vangen.’

Goethe was een individu op de drempel van de industriële maatschappij. Van een moderniteit ook die, zoals zijn boezemvriend Schiller het schitterend verwoordde, de mens klein maakt om iets groots met hem te beginnen. Wij leven daar middenin. Dat maakt het ook voor ons, alle vrijheid ten spijt, nog altijd lastig om een soeverein mens te zijn, denkt Safranski. ‘We zijn meer dan ooit verbonden met anderen. Altijd en overal. Dat kweekt, vaak onbemerkt, conformisme. Denk ook aan hoe afhankelijk we zijn geworden van de sociale media. Mensen zitten amper of ze kijken al weer op hun smartphone. Die arme duivels, denk ik dan. Ze kunnen blijkbaar nauwelijks meer voor zichzelf zijn. Er wordt veel over individualisme gepraat, maar de mensen worden steeds conformistischer. En collectivistischer.’

Precies dat is volgens Safranski het probleem met het moderne reizen. In zijn boek Hoeveel globalisering verdraagt de mens maakt hij een onderscheid tussen ‘kosmopolitisme’ en ‘globalisering’. De kosmopoliet houdt van het vreemde, juist omdát het vreemd is. Maar de globalisering tracht al het bijzondere waar zij op stuit te elimineren. Het is de grote gelijkmaker.

De uitdaging is om te reizen als een kosmopoliet. Om terug te keren naar de reis als dieper gaande persoonlijke ervaring, in plaats van een optelsom van pizzeria’s en Lonely Planet-_highlights. Maar makkelijk is dat niet, erkent Safranski. ‘Vroeger was je lang onderweg. Terwijl Goethe tergend langzaam Rome naderde, bouwden zijn verwachtingen zich op. Juist in dat verwachtingsvolle gevoel schuilt wat mij betreft veel van de aantrekkingskracht van het reizen. Maar tegenwoordig zijn we er in een mum van tijd. Je stapt in Duitsland in het vliegtuig, om even later op een bijna identiek vliegveld in Buenos Aires te landen. Natuurlijk is dat handig, die snelheid. Maar we verliezen ook iets. Het is wat Heidegger _die Entfernung der Entfernung noemde. Er is een mooie anekdote over de oorspronkelijke bewoners van Australië. Als zij te voet van a naar b reisden, gingen ze voordat ze hun eindbestemming bereikten eerst zitten. Waarom? Omdat hun ziel hen achterna moest komen. De ziel is altijd langzamer.’

Nog een verschil: in Goethe’s tijd was het amper mogelijk om indrukken onderweg vast te leggen. Een enkele keer liet hij een vakantiekiekje op het witte doek vereeuwigen door een bevriende schilder, maar dat was uiteraard tijdrovend en kostbaar. Volgens Safranski had dit enorme gevolgen voor hoe de toenmalige reiziger de omgeving in zich opnam. ‘Het is net als met muziek. Wij kunnen altijd alles naluisteren. Maar toen er nog geen opnameapparatuur bestond wist je: dit hoor ik maar één keer. Dan luister je heel anders. Hetzelfde geldt voor foto’s en filmpjes maken op vakantie. Als ik zie hoe mensen daar voortdurend mee bezig zijn, dan denk ik: kijk nou toch eens écht! Ja, straks heb je het beeld. Maar heb je het ook ervaren? Ik vrees van niet. Ik zie een vermindering van de werkelijk vitale belevenissen, als gevolg van een vermenigvuldiging van de opslagtechnieken. Maar dat zijn prothesen. Hulpmiddelen. Als je daar gebruik van maakt, gaat het ten koste van iets anders. Je geheugen, bijvoorbeeld. Het is net als met bewegen. Wanneer je dat niet meer doet, worden je ledematen stijf.’

Hoe dit te voorkomen? Wat Safranski betreft kunnen we nog heel wat leren van de oude meester. ‘Goethe zou vandaag de dag een superster geweest zijn. Hij zag er goed uit. Hij kon vlot praten, zat vol ideeën, was zelfbewust, kortom: een echte gangmaker. En toch lette hij er altijd op dat hij zijn vrijheid behield. Goethe had niet op Facebook gezeten. Hij zou ook niet mobiel bereikbaar zijn. Voor dat soort zaken had hij een secretaris.’ Safranski lacht: ‘In telefoonreclames wordt tegenwoordig geworven met de leuze: altijd bereikbaar. Maar dat moest wat Goethe betreft alleen het personeel zijn. Als je werkelijk onafhankelijk bent, hóór je niet altijd bereikbaar te zijn! Je moet alleen bereikbaar zijn wanneer je daar zelf zin in hebt.’

Zelf heeft Safranski ook zijn methodes tegen de vluchtigheid en de oppervlakkigheid die het moderne leven in de hand werkt. ‘Persoonlijk leer ik elke ochtend een half uur een gedicht uit mijn hoofd. Het is belangrijk dat je daar een ritme van maakt, een ritueel. Op dit moment houd ik me bezig met Hölderlin.’

Waar het om gaat, benadrukt hij, is je eigen soevereiniteit te behouden. Dat vergt discipline. ‘We hebben vrijheid genoeg. Maar benut je de zegeningen van het moderne leven, of laat je je benutten? Die keuze heeft iedereen. Je moet het alleen willen. Je hóeft toch geen televisie te hebben? Je kunt die telefoon toch ook uit zetten?’


Beeld: (1) Johann Wolfgang von Goethe bezoekt het Colosseum in Rome, geschilderd door Jacob-Philippe Hackert, circa 1790 (Bridgeman Art Library/HH); (2) Rüdiger Safranski (Joost van den Broek/HH)