Bericht uit voormalig Oost-Duitsland

Waar de hoogovens niet meer bloeien

In den beginne was er de staalindustrie, toen kwam de socialistische modelstad. Twintig jaar na de Duitse hereniging is Eisenhüttenstadt opnieuw een voorbeeld: nu van de pijnlijke keuzes die een vergrijzend, postindustrieel Europa te wachten staan.

EISENHÜTTENSTADT - Op de muren zit nog roze Disney-behang, maar het raam van de babykamer is er al uit gesloopt. Vijftig meter verderop sleurt een graafmachine een stuk dak met schoorsteen naar beneden. Het uiteengereten huizenblok aan de Tunnelstrasse piept en steunt als een gewond dier. ‘Jaren geleden heb ik hier een huis gezocht’, vertelt een smalle, blonde vrouw van middelbare leeftijd. Ze kijkt met vertrokken gezicht naar de groeiende hoop puin op de grond, waarover een arbeider water sproeit tegen het stof. 'Toen waren er geen woningen te krijgen. Nu gaan ze tegen de vlakte.’
Twee decennia na de hereniging van Oost- en West-Duitsland is hier, honderd kilometer van Berlijn, de sanering van de DDR-boedel nog altijd in volle gang. Tot 2020 sloopt het op de grens met Polen gelegen Eisenhüttenstadt bijna negenduizend woningen. Dan zijn er een kleine 25.000 inwoners over, als het tenminste lukt voldoende arbeidsplaatsen te scheppen. Ter vergelijking: in de jaren tachtig woonden hier 53.000 mensen. Ooit was deze stad het symbool van wederopbouw, zelfs van een socialistische droom. Nu staat 'Schrottgorod’ voor afbraak. Een voorbeeld van een vergrijzende, krimpende samenleving waarin alles minder wordt.
Vooral de oudere inwoners van Eisenhüttenstadt kunnen daar maar moeilijk aan wennen. Zoals de secretaresse van de huurdersvereniging. Ik hoopte eigenlijk de voorzitter te vinden in het kleine kantoor aan de centrale Strasse der Republik, maar die laat op zich wachten. In plaats daarvan komt de grijze dame tot drie keer toe terug de ontvangstruimte in: 'En ik moet u nog één ding zeggen.’
Staande aan de Oder kan ze in de winter, als de bomen geen bladeren dragen, haar ouderlijk huis zien liggen. Het is lang geleden dat ze daar woonde. Samen met miljoenen andere Duitse Vertriebenen werd ze na de Tweede Wereldoorlog Polen 'uitgegooid’, zoals ze het zelf noemt. Ze kwam hier terecht, aan de overkant van de rivier. Een stad was er toen nog niet. Wel veel bos, Märkische dennen, en af en toe een boerderij. Met elf mensen moesten ze er eentje delen. Het was bittere armoede.
En toen kwam Eisenhüttenstadt, indertijd Stalinstadt gedoopt. 'Stel u voor, ineens was er een woning en werk voor iedereen! Ik werd spoorwegarbeider’, vertelt de secretaresse niet zonder trots, terwijl ze met haar handen een beweging maakt alsof ze stenen schept. Daarna wist ze zich als zovele ongeschoolde arbeiders in de vroege DDR door opleidingen en cursussen op te werken tot Industriekauffrau. Dus kom bij haar niet aan met spottende observaties over Eisenhüttenstadt als achterlijke Ossistadt. 'Deze stad, dat was licht aan het einde van de tunnel. Hoop. Dat kunnen jullie nooit begrijpen.’

TEGENOVER DE POORT van de staalfabriek in Eisenhüttenstadt staat een standbeeld dat het misschien iets verduidelijkt. Het is Germania, symbool van het Pruisische nationalisme. Maar deze versie is anders dan de kuise jonge vrouw van goud boven op de Berlijnse Siegessäule. De ontmaskerde 'Germania Barbarica’ van Eisenhüttenstadt is een monster. Een oorlogsgodin met doodshoofd, staande op een strijdwagen, in haar handen een gebroken zwaard.
Eisenhüttenstadt moest het tegenontwerp worden van dat oorlogszuchtige Duitsland. Eerst was hier de ijzer- en staalindustrie, toen pas kwamen de mensen. Dat gaf de zojuist opgerichte DDR de mogelijkheid een geheel nieuwe stad te plannen. In enkele jaren tijd werd Stalinstadt geheel volgens de 'zestien basisregels van de socialistische stedenbouw’ uit de grond gestampt.
De bezoeker die daarbij denkt aan te brede boulevards, geflankeerd door grauwe Oostblokflats, wacht een aangename verrassing. Het geheel onder monumentenzorg vallende centrum van Eisenhüttenstadt bestaat uit vriendelijke, halfhoge gebouwen in neoklassieke stijl. De gevels zijn verfraaid met kleine zuilen en gietijzeren balkonnetjes. Daaromheen veel licht, lucht en ruimte - het oorspronkelijke bouwplan voorzag in tachtig vierkante meter groen per familie. Ook van binnen waren de zeker niet kleine woningen voor de jaren vijftig een vooruitgang. Er was zelfs centrale verwarming. In tegenstelling tot in Moskou en de Berlijnse Stalinallee heeft hier de menselijke maat het gewonnen van de 'stalinistische suikertaarten’.
Het zijn subtielere details die het socialistische karakter van Eisenhüttenstadt verraden. Wie van een afstand naar de stad kijkt, merkt dat er iets ontbreekt. Er zijn geen kerktorens. In plaats daarvan leiden de centrale assen van Eisenhüttenstadt naar publieke voorzieningen als scholen en ziekenhuizen. Fraai afgewerkte bogen bieden toegang tot de geborgen binnenwereld van de stad. Op de speeltuintjes, parkjes en trapveldjes tussen de huizenblokken moest een nieuwe, socialere mens ontstaan.
Iets van die veilige wereld is nog voelbaar in het DDR-museum. De Töpchenbank, met onder de klep twee roze en twee blauwe potjes waar de kinderen collectief hun behoefte konden doen, herinnert aan de vorige bestemming van het gebouw: tot halverwege de jaren negentig was dit een crèche. Nu wordt hier gepoogd bezoekers een indruk te geven van het alledaagse leven in Oost-Duitsland. Vanuit een hoek klinkt zachtjes de marsmuziek van het Lied vom Eisenhüttenkombinat Ost (’… waar hoogovens bloeien’). Foto’s tonen dansende paartjes in het clubhuis van de staalfabriek. Nog steeds wordt er in Eisenhüttenstadt gevoetbald bij FC Stahl.
'Overzichtelijk’ is het woord dat Dagmar Püschel gebruikt voor dit leven. Daar bedoelt de dit jaar tot burgemeester gekozen politica van Die Linke niet iets positiefs mee. 'Ik haat routine’, deelt ze mee in haar werkkamer in het stadhuis. 'Niet dat mijn vroegere leven in Eisenhüttenstadt saai was, maar het stond wel grotendeels vast. Ik had mijn studie afgerond en werkte als lerares en conrector hier in de stad. Dat zou ik waarschijnlijk tot mijn pensioen zijn blijven doen. Ook mijn man zou zijn leven lang bij hetzelfde bedrijf in dienst zijn geweest. We zouden op dezelfde plek blijven wonen, en ergens waren er dan kleinkinderen gekomen. Natuurlijk, dat geeft zekerheid. Maar er gebeurde nooit iets spannends. Tot 1989.’
In het jaar van de Wende broeide het ook in Eisenhüttenstadt. Er waren demonstraties. Eerst nog met DDR-vlaggen, later de Duitse driekleur. Boze burgers hingen vacatures op bij het hoofdbureau van de Stasi. De medewerkers van de geheime dienst moesten maar eens fatsoenlijk werk zoeken. Het gezapige DDR-leven raakte in een stroomversnelling. Rustig zou het nooit meer worden.
Burgemeester Püschel, die in 1986 was toegetreden tot de officiële staatspartij SED, was misschien nog wel het meest onder de indruk van hoe persoonlijke relaties van de ene op de andere dag veranderden. Ouders namen de rode schooldirectrice onder vuur. 'Ineens groetten mensen je niet meer. Onze partijsecretaris die ik zo geweldig vond, had plotseling heel andere opvattingen en ging CDU stemmen! Ik dacht: wat is dat nu? Ik was ervan uitgegaan dat de mensen meenden wat ze zeiden.’
Naast haar aan tafel is collega Perske aangeschoven, een van de weinige hoger geplaatste mannen op dit door vrouwen bestierde stadhuis. Hij heeft soortgelijke ervaringen als Püschel. Beiden zaten destijds in de eerste democratisch gekozen DDR-gemeenteraad. Zij voor de communisten, hij voor de SPD. Perske, die nu al jaren verantwoordelijk is voor sloop, renovatie en nieuwbouw in Eisenhüttenstadt, had in 1989 een leidinggevende functie in een betonfabriek met 350 werknemers. 'Elke morgen vroeg ik me af wie er vandaag nog op het werk zou verschijnen. Mensen vertrokken over nacht, naar het Westen.’
De gebeurtenissen volgden elkaar te snel op om het overzicht te bewaren. Laat staan om te bedenken hoe Eisenhüttenstadt er twintig jaar later uit zou zien. Hij somt op: eerst ging het nog om een andere, betere DDR. Daarna volgden de eerste vrije verkiezingen, toen de D-mark. Ten slotte de 'toetreding’ tot de Bondsrepubliek - Perske slikt het woord 'hereniging’ op het nippertje in. En dan waren er nog alle vernieuwingen op privé-gebied. Perske: 'Denk alleen al aan de spaarrekeningen en verzekeringsproducten waar we ons ineens in moesten verdiepen! Mensen probeerden je van alles aan te smeren. Bij mij ging het nog. Maar stel je mijn vader en moeder voor. Zulke oudere mensen konden de veranderingen helemaal niet meer bijbenen.’

MISSCHIEN MOEST ZOVEEL ONZEKERHEID vroeg of laat wel tot een uitbarsting leiden. Daarvan is nu niets meer te merken in de omgeving van de Poststrasse, aan de rand van het centrum, waar plukjes donkere mannen verveeld rondslenteren. Een blauwe cabine met slagboom markeert de ingang tot een voormalige DDR-legerkazerne. Sinds 1990 doen de gebouwen dienst als asielzoekerscentrum en deportatiegevangenis. Aan de overkant van de straat wapperen op het grasveldje voor een oudere flat een paar truien aan de collectieve waslijn.
Zo kalm als het er nu is, zo heet ging het er in de zomer van 1992 aan toe. Met molotovcocktails en stenen belaagden extreem-rechtse jongeren de vluchtelingen. Ze konden dagenlang hun gang gaan, onder luid applaus van omwonenden. Delen van het complex brandden volledig uit.
De racistische pogroms die in die jaren in heel Duitsland plaatsvonden, van Solingen tot Rostock, betekenden het definitieve einde van de hoopvolle omwenteling van 1989. Over het waarom van het oplaaiende rechts-extremisme is sindsdien veel gezegd en geschreven. Een wetenschapper heeft zelfs gemeend dat de verklaring ligt in de strenge, collectieve zindelijkheidstraining waaraan kinderen op DDR-crèches onderworpen werden. Daar, op de in het DDR-museum te bezichtigen Töpchenbank, zouden de autoritaire persoonlijkheden zijn gekweekt die later brandbommen naar buitenlanders gooiden.
In Eisenhüttenstadt houden ze het bij minder exotische verklaringen - al praten ze nog altijd niet graag over de gebeurtenissen. 'Die mensen hadden een andere mentaliteit. Ze zaten in de vuilnisbakken. Dat kende men hier helemaal niet’, zegt de persvoorlichtster van de gemeente over de asielzoekers die elke dag met busladingen tegelijk aankwamen. 'Het asielzoekerscentrum was overvol. Er zaten drie maal zoveel mensen als eigenlijk de bedoeling was.’
Samen met de veranderingsmoeheid bij de autochtone bevolking vormde dat een explosieve mix, voegt burgemeester Püschel toe. Het gevoel van spanning en uitdaging van 1989 was inmiddels omgeslagen in angst en woede. De Oost-Duitse economie onderging een neoliberale shocktherapie. De ene na de andere industrie werd geprivatiseerd of gesloten. In Eisenhüttenstadt was het met name de toekomst van de staalfabriek, waar tot de Wende niet minder dan twaalfduizend mensen werkten, die de gemoederen beroerde. Het einde van de fabriek was waarschijnlijk ook het einde geweest van Eisenhüttenstadt.
'De wildste geruchten deden de ronde’, herinnert burgemeester Püschel zich. 'Dat de fabriek gekocht zou worden door een concurrent om haar vervolgens stil te leggen, bijvoorbeeld. De onmacht was groot.’ Maar dat gevoel uitte zich niet enkel negatief, zoals rond het asielzoekerscentrum, aldus Püschel. 'De angst dat de fabriek gesloten werd, bracht heel Eisenhüttenstadt op de been. We hielden nachtwakes. Er was grote verbondenheid.’

ANNO 2010 ZIJN ZE ER NOG ALLEBEI, de stad en de staalfabriek. Maar beide moeten eraan wennen dat de toekomst niet meer maar minder brengt; dat ze niet groter zullen worden, hooguit kleiner. De fabriek is overgenomen door ArcelorMittal. Er werken nog altijd een paar duizend mensen. Maar het is niet meer zoals vroeger, toen de hele stad afhankelijk was van het bedrijf. Dat is maar goed ook, want in de huidige crisis is de staalproductie in Eisenhüttenstadt met een derde gedaald.
Ook de stad zelf heeft fors moeten inleveren. De bevolking is bijna gehalveerd, en bovendien vergrijsd. Vooral de jonge vrouwen zijn massaal weggetrokken. De gevolgen van die demografische veranderingen zijn alom zichtbaar. Tal van crèches zijn tegen de vlakte gegaan, andere werden omgebouwd tot seniorenwoningen. Twee scholen zijn gesloopt, eentje is verkocht. En op het dieptepunt stond in het centrum van Eisenhüttenstadt tot zestig procent van de woningen leeg. Door in de buitenwijken duizenden huizen te slopen en de binnenstad te renoveren, is dat percentage inmiddels teruggebracht tot 22. Het doel is een kleine tien procent. Als alles goed gaat, is tegen die tijd zelfs het schuin tegenover het stadhuis gelegen, langzaam afbladderende ex-hotel Lunik veranderd in een verpleeghuis.
Als alles goed gaat. Want al heeft Eisenhüttenstadt de zwaarste jaren achter zich, het herstel is broos. De lonen zijn gestegen, en zowel op het stadhuis als in de staalfabriek verdienen de mensen tegenwoordig evenveel als hun West-Duitse collega’s. Maar nog steeds groeit veertig procent van de kinderen hier op in door geldgebrek geteisterde families. Ook armoede onder ouderen wordt een groot probleem, voorspelt burgemeester Püschel: 'Mensen die mede vanwege de Wende jarenlang niet hebben kunnen werken, krijgen straks minder pensioen.’
De grootste bedreiging van alles blijft de leegloop, zegt Püschel: 'We moeten voorkomen dat nog meer jonge mensen de stad verlaten. Daarvoor is werk nodig, dat dusdanig betaald wordt dat je er ook van kunt leven. Kijk, we zitten niet te wachten op arbeidsplaatsen om elke prijs. In het verleden is Brandenburg nog wel eens als lage-loonland gepresenteerd. Dat was een fout van de politiek. Het resultaat is dat werkende mensen juist weggaan.’
Zo zijn twintig jaar na de hereniging tussen de twee Duitslanden de problemen allerminst opgelost. Maar opmerkelijk genoeg zijn ze wél herkenbaarder geworden. De blik waarmee de West-Europeaan de Oost-Duitse besognes beziet, is veranderd. Van een exotische erfenis van het DDR-communisme zijn steden als Eisenhüttenstadt ineens voorloper geworden in een Europa dat worstelt met globalisering, vergrijzing en bevolkingskrimp.
Ook de daarbij horende discussies over economische toekomstperspectieven komt verrassend bekend voor. Sommige Oost-Duitse steden, zoals Hoyerswerda, leggen zich neer bij de krimp. Zij stellen zich in op een postindustriële economie die draait op senioren met geld en toeristen. Flatgebouwen worden gesloopt, de brakke grond wordt met bomen beplant of onder water gezet. Andere gemeenten nemen een voorbeeld aan het Ruhrgebied en bouwen oude fabrieken om tot ateliers en tentoonstellingsruimte.
Eisenhüttenstadt heeft een andere keuze gemaakt. Niemand die de stad per trein nadert, kan daar omheen. Langs het spoor verrijst een groot, nieuw fabriekscomplex. Geen staal ditmaal, maar een papierfabriek met een toekomstige jaarlijkse productie van 650.000 ton. Mogelijk zal ook het Russische Gazprom in de regio investeren en een gascentrale bouwen.
Voorlopig lijkt de omarming van de oude identiteit van industriestad te werken. Maar de voor de afgelopen decennia kenmerkende onzekerheid verdwijnt er niet mee. Nog altijd kan in verre bestuurskamers van de ene op de andere dag besloten worden de plaatselijke fabriek te sluiten. En het is de landelijke politiek die beslist over het al dan niet invoeren van een minimumloon of een versobering van de pensioenen, niet de inwoners van Eisenhüttenstadt wier toekomst ermee staat of valt.
Daarbij hebben zij één groot voordeel ten opzichte van andere Europeanen: ze zijn niet anders gewend. 'Zo gaat het hier al sinds 1990’, lacht Perske. 'We hebben het tot nu toe overleefd. En ach, het maakt het werk ook een beetje spannend.’ Ook Püschel probeert het van de zonnige kant te zien. 'Saai wordt het hier in elk geval niet.’