Waar de muren van blozen

Als het waar is dat poëzie een product van oerdriften is, mag je van haar eisen dat ze borrelt en bruist, het lichaam zijn onfatsoenlijke gang laat gaan en niet beknibbelt op woorden.

Poëzie die geboren wordt in de duistere diepten van de onderbuik zou geil, vuig en hard mogen zijn, direct en ongepolijst. Maar hoezeer fysiologie en rauwe emoties ook de basis van goede gedichten vormen, literatuur is wel degelijk een cultureel fenomeen, een kunst die, als alle andere, in de loop van duizenden jaren ontwikkeld en verfijnd is. Een overmaat van intellectueel gepriegel is zonder meer de dood in de pot, maar dat impliceert nog niet dat we bezwaar zouden moeten hebben tegen subtiliteit.

Vorig jaar trok Johanna Geels (1968) even de aandacht met een pleidooi voor ‘poëzie met ballen’ als tegenwicht tegen keurige versjes, ‘de zachte handschoentjes, het geschuifel in de gang’. ‘Het moest maar es gaan donderen, knetteren, gaan stomen in die letteren.’ Het is een verlangen dat in het literaire leven met de regelmaat van de klok opduikt, doorgaans wat bijval en commentaar uitlokt, een enkel goed gedicht of verhaal oplevert en dan weer wegsterft, tot de volgende profeet van de rauwe authenticiteit opduikt. Want dat is het: een romantische roep om echtheid.

Medium vuurmakers 20

Geels mag dus worden afgerekend op de mate waarin ze aan de eisen van haar eigen manifest voldoet. Voor die test slaagt ze glansrijk, want Vuurmakers, een samenwerkingsproject met beeldend kunstenaar Kees van der Knaap, is een boek met ballen en billen. ‘Laat mij het krijtstompje in je handen zijn’, aldus de protagoniste, ‘buig mij langzaam voorover’ en duw je hand ‘als een Mongoolse veroveraar’ tussen mijn benen:

‘uit elkaar, baronesje,

nog iets verder, iets verder’

In de tijd dat vrouwelijke dichters nog nette dames waren, en die tijd ligt nog niet zo ver achter ons, was de heftigheid waarmee Geels over seks schrijft ondenkbaar. Dat ze daarvoor niet terugdeinst, lijkt me vooruitgang. Er wordt lustig gebeft, gevingerd en geneukt in Vuurmakers, zowel in de gedichten als in de tekeningen, de stijl van het boek is ruig en ongelikt, de stem van wanhoop en extase wordt niet vervormd. Maar is het ook een goede bundel?

In 24 gedichten en 26 tekeningen wordt het verhaal verteld van een vrouw die zich na een periode van verdriet laat vervoeren door een allesoverheersende liefde voor een beeldend kunstenaar. Het decor is aanvankelijk grauw, vuil en stedelijk, smeekt dan ook om dromen en fantasieën die het mogelijk maken aan de troosteloosheid te ontsnappen, wat in de loop van het boek ook lijkt te gebeuren. Er komt ruimte voor zee, schilderkunst en heidevelden, desperaat verlangen maakt geleidelijk plaats voor vertrouwen. Vuurmakers is het verslag van een hartstochtelijke queeste naar geborgenheid.

Opmerkelijk genoeg begint de bundel met de suggestie dat er niets te zeggen valt:

want er rest niets dan zwijgen

wanneer jouw hand

de opgestapelde winterkou

dwingendzacht

uit mijn botten jaagt

De gedichten die volgen zwijgen allerminst, maar lijken inderdaad te reiken naar iets waarvoor geen woorden beschikbaar zijn. Beelden buitelen slordig over elkaar heen, in de strofische opbouw valt geen regelmaat te ontdekken, de toon is stoer en compromisloos, van fijnzinnigheid is geen sprake, maar of je nu wilt of niet, je gaat erin mee. ‘Dit is geen avond voor stervende mensen’, constateert de dichter naast een tekening waarop een Minotaurus met een ferme erectie een dromende vrouw belaagt, ‘geen avond voor hen die rondgaan met drankjes/ en goedkeurend knikkend doden onder elkaar verdelen’. Nee, het is een avond voor vuile rook en smerige putten, en voor de heftigste neukpartij ooit, ‘zo eentje waar de muren van blozen’.

De poëzie van Geels vertoont een gevaarlijke hang naar kitsch en fantasy, naar goedkope SM, naar de exuberante beeldtaal van Lars von Trier, naar sprookjes en vet aangezette mythologie, maar door de overgave waarmee ze haar surrealistische wereld opbouwt, weet ze moeiteloos te overtuigen. Het volgende gedicht begint onschuldig, maar ontspoort al spoedig:

Maak ons een burcht onder de grond, lief

behangen met bekertjes- of muisjesmos

en zacht gesponnen worteldraden

waar radioactieve zwijnen met koplampogen

door onze takken bedspijlen heen fluisteren

De geliefden nemen zich voor elkaar genadeloos te strippen ‘zoals je schors van bomen trekt’ en ‘het schild van oliekevers klauwt’, maar voorlopig wandelen ze nog bovengronds, ‘ik voorop, met een hand onder mijn jurk’. In de laatste strofe noemt de vrouw zich een ‘rammelende schikgodin’, een ‘spinster van de woest in nekken ronkende/ eeuwigheid’, hetgeen zou moeten betekenen dat ze zelf verantwoordelijk is voor haar toekomst. Desondanks laat ze zich als een offerdier naar het altaar leiden, ‘waar alle geelspuwende/ smiespelmondjes van de wereld traag als hete hars/ mijn oren inglijden en fluisteren over heren en hun genade’.

Nee, subtiel is het misschien niet, maar het is zonneklaar dat hier iets op het spel staat. Deze bundel is een poging ‘uitwaaierende gedachten’ bij elkaar te graaien,

zoals je zwerfhout sprokkelt

het te rusten legt op een droge, warme zolder

het strak bijeen bindt met ruw vlastouw

opdat het nooit meer kwijtraken kan

Dat is gelukt.


Beeld: Kees van der Knaap