Waar droomde ik van?

Waar droomde ik vroeger van?
Ik droomde van een leuk meisje. Ze zat bij me in de klas. Ik weet eigenlijk nog steeds niet waarom ze destijds niet van me hield, terwijl ik leuker, ongecompliceerder en grappiger was dan nu.

Wat wilde ik met haar?
Ik wilde dat ze mij wilde. Ik had graag gehad dat ze aan iedereen zou vertellen dat wij met haar gingen. Ik wilde plannen met haar maken, ik wilde stoer voor haar zijn.
Ik herinner me nog dat we oefenden voor het afscheidsfeest. Op de allerlaatste dag van de lagere school zouden we een toneelstuk doen. Ik had dat toneelstuk voor een deel geschreven, ik had mezelf de hoofdrol toebedacht en voor de plot van het stuk - de meester en lerares zouden elkaar krijgen - had ik haar in gedachten.
Maar het ging aan alle kanten mis.
Ze vond het toneelstuk stom (‘laten we dansen!’), ze vond de plot stom, ze vond mij stom - en toch (waarom in godsnaam) dacht ik haar alleen maar te kunnen verleiden als ik in mijn eigen stuk zou spelen en dan de woorden zou uitspreken die ik zelf bedacht had. (Was gaan dansen, denk ik nu. Had haar meteen gelijk gegeven.)
De akelige wijsheid die je met de jaren opdoet, draag je - tegen beter weten in - over op je kinderen, want zelf ben je in wezen niets wijzer geworden.
Wat zou het toch mooi zijn, dacht ik toen ik achttien was, als Thea op mij verliefd werd via mijn gedichten.
Ik stopte elke dag een briefje in haar bus. Ik tekende bloemetjes onder mijn handtekening. En als ik haar zag had ik het over de beste schrijvers van de wereld, zoals een wijnkenner achteloos de fijnste wijnjaren opnoemt. Maar Thea werd niet dronken van mijn poëzie.
Dat wist ik al.
Ik ben nu 45 jaar, en nog steeds koester ik ergens de hoop dat iemand mijn verhalen leest en zegt: 'Ja, met die jongen wil ik.’
Het gebeurt me nu wel eens, moet ik eerlijk zeggen.
Dan loop ik op straat en zegt een vrouwwezen tegen mij: 'Uw verhalen, die zijn heel mooi… heel mooi… U bent een heel bijzondere man… Heel bijzonder.’
'Loop door’, denk ik dan, want het is een vrouw die ik niet wil. Het is een lelijke vrouw, zoals ik een lelijke man ben. Ik vind eigenlijk dat iemand die zo aardig is, die de moeite neemt mij te complimenteren en eigenlijk precies datgene zegt waarom ik ben gaan schrijven, niet lelijk kan zijn.
Maar het kan! Waarom is dat, God?
Ze zijn nooit 23! Ze hebben nooit volle borsten! Ze kijken nooit van geilheid smachtend uit hun ogen en ze hebben nooit als hobby’s: het bestuderen van het werk van Opheffer en dagelijkse seks met Opheffer. Ze houden meestal van muziek, literatuur, boswandelingen en 'gewoon niets doen, als jij dat ook wil’. Ze hebben meestal een reeks van mislukte relaties achter de rug en ze begrijpen mij eerder dan ik hen.
Waar droomde ik vroeger van?
Ik droomde van haar. Ze was niet onbereikbaar, maar ze moest op mij vallen om de dingen die ik deed en dacht - en daardoor werd ze onbereikbaar. Gaandeweg heb ik geleerd dat het om een vileine vorm van aandacht gaat. Vilein, omdat je niet weet waar je die aandacht op moet richten.
Het gaat namelijk steeds om iets anders. Het gaat om iets wat ik waarschijnlijk nooit te pakken zal krijgen, omdat ik te veel met mezelf bezig ben. Ik ben een egoïst.
Nu weet ik dat de fout was dat ik een dichter wilde zijn, en dat ook geworden ben; ik had de allure van een dichter moeten hebben, de illusies van een pooier en de ideeën van een aap.