Waar het hoofd vol van is

Dirk van Bastelaere
De voorbode van iets groots
Atlas, 103 blz., € 15,-

Een schildersoog kijkt me aan door een rol plakband en de vogeljagers zitten op het hoofd van Lucebert. Zonder uit te leggen dat het oog uit een tijdschriftreclame komt voor een tentoonstelling van Lucebert en dat De vogeljagers een boek is, zou ik een absurd tafereel schetsen. Toch speelt het zich allemaal voor mijn neus af, op tafel. Je moet op een dag veel wegdenken om vol te houden dat je in een redelijk normale wereld leeft. Je moet heel veel niet zien, niet horen, niet lezen, of het niet helemaal tot je door laten dringen.

Dirk van Bastelaere denkt niets weg. De gedichten in De voorbode van iets groots, dit jaar genomineerd voor de vsb-poëzieprijs, zijn dwingend maar willen dat niet lang blijven. De aandacht van de dichter verspringt voordat je zijn woorden tot je door hebt laten dringen. Het zijn nerveuze gedichten, die hun eigen zwaarte niet lijken te verdragen en daarom steeds op iets nieuws afstevenen. Ze weigeren te passen in een patroon – hetgeen een eigen patroon oplevert van ongeduld en onvoorspelbaarheid.

Deze bundel lezen is als televisie kijken met iemand die voortdurend aan het zappen is. Het belangrijke verschil met zappen is dat je gedichten kunt teruglezen. En nog eens, om te merken dat er wel degelijk een structuur bestaat in de opeenvolging van beelden en citaten. Je hebt je als lezer van Van Bastelaere neer te leggen bij een zorgvuldig gecomponeerde willekeur.

In een gedicht uit de serie Zapruder stress waarin alle gedichten beginnen met ‘Bijna’ laat de dichter Japan, Bagdad, Pol Pot, en een omgevallen drankje – ‘Oeps, jammer van je jus d’orange’ – moeiteloos op elkaar volgen. Deze opzettelijke willekeur levert absurde momenten op en lijkt na te bootsen hoe gebeurtenissen in een mensenleven zich aaneenrijgen. Juist de vreemdste momenten in deze bundel zijn van een harde werkelijkheid:

Bijna

schiet je gemoed vol:

bij Tokio, waar Japanners

(inwoners van Japan)

in de regel vastzitten (onder meubilair)

en sterven bij een aardbeving, bouwde Shigeru Ban

een woonproject bestand tegen aardbevingen

(Mededeling van openbaar nut)

De volgorde van de mededelingen die hier worden gedaan maakt dat je Japanners voor je ziet die voortdurend vastzitten onder tafels en banken. Pas tegen het eind van deze ‘nieuwsflits’ komt alles op zijn plaats te staan en zitten de Japanners alleen nog maar vast bij aardbevingen. De woorden en de beelden krijgen hun plaats terwijl het beeld van een aardbeving daar dwars tegenin gaat. De droge opmerking dat er een tegen aardbevingen bestand woonproject wordt gebouwd, laat zien hoe goed mensen zijn in het doen alsof ze bestand zijn tegen rampen. Het maakt dat je de volgende aardbeving al ziet aankomen en het nieuwe woonproject is bij voorbaat gesneuveld.

In het enkele pagina’s lange gedicht waaraan de titel van de bundel is ontleend, vormt de onstuurbaarheid van het leven niet alleen de structuur van het gedicht maar is het ook onderwerp:

Soms ontsnappen ons dingen

als…

je weet wel in

de zin, in deze

zin dat

de duif uit haar Veren ploft

of uit talloos

vele

avondwandelingen het model

van een zonsondergang

te voorschijn klapt als een postkaart

Niet

dat het de verkeerde kant opgaat,

maar zo onverhoeds, zo

voorafgaand

aan een gewaarwording die je misschien als ‘ontzag’ kunt

omschrijven

De dichter schetst niet een specifiek voorval maar een manier waarop gedachten kunnen verdwijnen, hoe indrukken ontstaan, vervagen. Hij lijkt een net te willen gooien om alles wat niet grijpbaar is, maar waar je hoofd vol van is. Flarden van ideeën, herinneringen, betekenissen, indrukken van buitenaf. Hij doet niet zijn best er een lijn in te ontdekken, hij wil de flarden juist zo goed mogelijk bekijken, hij laat ze hun eigen werk doen, wellicht in de hoop er alsnog een logica in te ontwaren:

maar slaapdronken/ met gefronst voorhoofd door nachtelijke hotelgangen op/ zoek naar zijn kamerdeur en blootsvoets, probeert men/ zich zijn eigen/ telefoonnummer te herinneren en titels van schilderijen/ de blik te laten/ richten. Men noemt dat dan:

‘de voorbode van iets groots’/ ‘duistere profetieën’/ ‘De storm op het Meer van Galilea’/ ‘een onverhoeds gebaar’

De ongeduldige zapper die de gedichten van Van Bastelaere stuurt, is uiteindelijk gelaten in zijn vertwijfeling over de wereld om hem heen:

Je bent op een leeftijd gekomen dat iedereen je ‘Willy’

noemt en daar sta je dan, buiten de reikwijdte van dingen

die ons ontsnappen, ter misleiding

bedoeld, luisterend

naar het neergeslagen Roepen

in boeken, als resten

die god weet waar

zijn begonnen om steeds aan zichzelf

te ontsnappen in ons, in vreemd weefsel, stof

dat zichzelf wegblaast

en nog veel meer dan dat

Van Bastelaere wijdt zich vol overgave aan wat de mens ontsnapt. Deze bundel is als een loket voor gevonden voorwerpen waar je kunt terugvinden wat je hebt weggedacht.