Pakistaanse politiek

Waar het leger een staat heeft

Afgelopen week vonden in Pakistan parlementsverkiezingen plaats. Ahmad Waqass Goraya, persona non grata in zijn thuisland, blijft ook vanuit Rotterdam de Pakistaanse schijndemocratie bestrijden.

Ahmad Waqass Goraya – ‘De generaals hebben een zachte staatsgreep uitgevoerd’

Het is alsof zijn vaderland hem heeft uitgebraakt. Voet zetten in Pakistan kan hij waarschijnlijk nooit meer. Hij kan zelfs niet meer met landgenoten op de foto. Dat ervoer hij onlangs nog in Brussel met een groep Pakistaanse journalisten en activisten. ‘Er werd een selfie gemaakt. Voordat er werd afgedrukt was het van: “Sorry, Waqass, kun je opzij gaan?” Als ze met mij op een foto staan die via sociale media wordt verspreid lopen ze groot gevaar.’

Maar Ahmad Waqass Goraya (34) laat zich niet het zwijgen opleggen. Hij woont in Rotterdam, met zijn vrouw Mesha en hun zoontje Arastoo, die is vernoemd naar Aristoteles. Vanuit hun kleine woning heeft hij de Pakistaanse parlementsverkiezingen gevolgd die woensdag 25 juli plaatsvonden. Hij heeft weinig vertrouwen in de nieuwe burgerregering die momenteel wordt gevormd. ‘Pakistan is een schijndemocratie. De generaals hebben een zachte staatsgreep uitgevoerd.’

Sinds Pakistan in 1947 werd opgericht hebben de militairen het land via verscheidene coups voor bijna de helft van de tijd geregeerd. Ze zullen echter volgens Goraya niet zo snel meer openlijk de macht grijpen, zoals ze eerder deden, want dan stoppen de VS met het overmaken van de honderden miljoenen dollars per jaar aan militaire hulp. ‘Maar achter de schermen proberen ze de touwtjes in handen te houden. Met intimidatie van activisten, journalisten en rechters.’

Er is in Nederland maar weinig diepgaande kennis over de complexe Pakistaanse samenleving, met zijn patronagenetwerken, zijn semi-autonome grensgebieden en zijn dubbelzinnige omgang met het islamistische gedachtegoed en de extremistische strijdgroepen die daaruit voortkomen. Verkiezingen in dat mysterieuze land zullen dus niet snel voorpaginanieuws zijn.

Maar, meent Goraya, de koers die Pakistan vaart is van groot belang voor het Westen. ‘Of het Westen het wil of niet, het is afhankelijk van Pakistan bij de bestrijding van islamitisch terrorisme. Er zijn tientallen jihadistische groeperingen actief. Sommige vechten vooral in Afghanistan, andere vechten juist tegen de Pakistaanse staat en het Pakistaanse leger. Weer andere willen de jihad exporteren naar het Westen.’ Ook Islamitische Staat is in Pakistan actief. De beweging pleegde aanslagen ten koste van bijna tweehonderd doden in de aanloop naar de verkiezingen en op de verkiezingsdag zelf.

Goraya kwam in 2007 naar Nederland voor zijn studie. Nu werkt hij als IT’er. Zijn vrouw Mesha werkt aan haar proefschrift bij de afdeling Oncologie van het Erasmus-ziekenhuis. Ze serveert thee met melk en desgewenst veel suiker. Ze waarschuwt wel: hoewel de theezakjes rechtstreeks uit Pakistan komen, kan dit brouwsel niet tippen aan de masala wali chai, vol pittige kruiden, zoals die wordt bereid door de beroemde chai wala’s (‘theemannen’) van Lahore.

Die sprookjesachtige miljoenenstad in het Pakistaanse deel van de Punjab is de thuishaven van Waqass. Hij vreest dat hij er nooit meer zal kunnen komen. Er zijn geruchten verspreid, zowel online als door tv-presentatoren, dat hij blasfemie zou hebben gepleegd op internet. Pakistan heeft de strengste blasfemiewetten van alle islamitische landen, met onder meer de doodstraf als sanctie. In het openbaar beschuldigd worden van blasfemie (zoals bijvoorbeeld door het beledigen van de islam of de profeet) is levensgevaarlijk. De afgelopen jaren werden meer dan zestig mensen vermoord op grond van ongefundeerde aantijgingen. Vorig jaar nog werd een student door medestudenten gelyncht op grond van valse blasfemiegeruchten.

Inmiddels heeft een rechtbank in Islamabad geoordeeld dat er in Goraya’s geval geen aanwijzingen zijn voor blasfemie. ‘Mensen onthouden alleen de beschuldigingen. Ik kan verscheurd worden door een woedende menigte als ik mijn gezicht vertoon in Pakistan’, zegt hij, terwijl Arastoo (4) met een vervaarlijk uitziende speelgoeddinosaurus op zijn schoot kruipt. ‘Iedereen die lachend met mij wordt gezien op foto’s loopt gevaar.’

Goraya heeft sowieso geluk dat hij nog leeft. Toen hij in januari Pakistan bezocht, ironisch genoeg om de terugkeer van zijn gezin naar hun vaderland voor te bereiden, werd hij ontvoerd. Niet door moslim-extremisten, maar door het leger. Hij werd vastgehouden in een van de black sites: gevangenissen die officieel niet bestaan (maar vaak wel bekend zijn bij het publiek) en worden gebruikt door de gevreesde militaire inlichtingendienst van Pakistan: de Inter-Services Intelligence (isi). De ontvoering gebeurde openlijk, op klaarlichte dag, midden in de drukte van Lahore. De reden: een populaire Facebook-pagina waarop Goraya met een groep gelijkgestemden actief was en waarop openlijk kritiek werd geuit op het leger. In dezelfde periode werden nog vier ‘liberale bloggers’ (zoals ze inmiddels bekend staan in de media) ontvoerd.

‘Ik kan verscheurd worden door een woedende menigte als ik mijn gezicht vertoon in Pakistan’

‘We werden dagenlang gemarteld. We werden continu geslagen en we moesten twintig uur per dag stijf rechtop staan.’ Hij toont wonden op zijn enkel: ontstekingen als gevolg van de metalen banden waarmee hij aan de muur was geketend. Hij kreeg harde klappen op zijn rechteroor waardoor zijn trommelvlies scheurde. Hij zegt zeker te weten dat het de isi was. ‘We konden soms hun gesprekken horen en hun ondervragingstechnieken zijn bekend. Er zijn de laatste tijd meer journalisten en activisten door hen ontvoerd.’ Het leger en de regering ontkennen elke betrokkenheid bij de ontvoeringen.

Na een week stopten de martelingen. Een van de andere ontvoerden had een broer die werkt voor de bbc. ‘Hij zorgde ervoor dat onze ontvoering steeds in het nieuws bleef. We denken dat ze ons daarom uiteindelijk hebben vrijgelaten. Maar om ons alsnog het zwijgen op te leggen is vlak voor onze vrijlating het blasfemiegerucht verspreid, over ons alle vijf.’

De parlementsverkiezingen verliepen zoals Goraya had verwacht: rommelig en meer dan ooit omgeven door beschuldigingen van fraude. Ze werden gewonnen door de cricketlegende Imran Khan en zijn Pakistaanse Beweging voor Gerechtigheid (pti). Khan maakte zich in Pakistan onsterfelijk door in 1992 als aanvoerder van het nationale cricketteam de voormalige kolonisator Engeland te verslaan in de finale van het wereldkampioenschap. Al twintig jaar probeert hij aan de macht te komen met een hervormingsagenda. Khan zegt te willen strijden tegen corruptie, een islamitische welvaartsstaat te willen opbouwen en de banden met erfvijand India te willen aanhalen. Tegelijkertijd is hij fel gekant tegen de drone-aanvallen van de VS op Pakistaans territorium en heeft hij zich positief uitgelaten over de blasfemiewetten en de strijd van de Taliban in Afghanistan. Analisten menen dat de Afghaanse Taliban worden geholpen door de isi, die een grote rol speelde bij hun oprichting.

Volgens Goraya hebben de militairen ervoor gezorgd dat Imran Khan kon winnen. Daarvoor is weinig hard bewijs, maar de meeste internationaal georiënteerde media denken er net zo over als Goraya. The Economist bijvoorbeeld, doorgaans goed op de hoogte, spreekt onomwonden van een ‘overwinning met steun van het leger’. Dat Imran Khan geen absolute meerderheid heeft gehaald is in het voordeel van de generaals, aldus het weekblad: ‘Het is de ideale uitkomst voor de militairen: een plooibare leider en een minderheidskabinet dat niet veel macht zal hebben.’

De laatste jaren heeft het leger, dat de controle heeft over Pakistans kernwapens, zijn positie kunnen verstevigen door de offensieven die het op verzoek van de burgerregering – en met Amerikaans geld – uitvoerde in de Pathaanse stammengebieden aan de Afghaanse grens. Die waren gericht tegen islamistische terreurgroepen, die vaak voor het gemak worden aangeduid als ‘Pakistaanse Taliban’, hoewel ze vaak weinig met elkaar hebben uit te staan.

Goraya heeft in zijn Twitter-profiel als zijn locatie vermeld: ‘Military Occupied Pakistan’. ‘Zo voelt het echt. We hebben een gezegde: “Normale staten hebben een leger, maar het Pakistaanse leger heeft een staat.” De militairen souperen een enorm deel van het staatsbudget op en controleren het buitenlandse beleid. Ze beheren onze grondstoffen, ze hebben suikerfabrieken, onroerend goed, golfbanen en enorme lappen grond. Het leger leidt het grootste zakenimperium van Pakistan, geregistreerd als een goed doel: The Army Welfare Trust. Dus er wordt geen belasting betaald. Dat imperium willen ze koste wat het kost behouden, vandaar de inmenging achter de schermen en het martelen van criticasters.’

Goraya is ervan overtuigd dat het Westen de verkeerde kaart speelt door de militairen te blijven financieren wegens de strijd in Afghanistan. ‘Het is pure chantage. Zolang ze geld krijgen zullen ze er juist voor zorgen dat de oorlog in Afghanistan doorgaat, want dan blijft het Westen betalen. Boze bewoners van de stammengebieden zeggen nu openlijk dat Afghaanse Taliban-eenheden opereren vanaf militair gecontroleerd gebied. Die mensen zien dat gewoon onder hun neus gebeuren.’ Hij weet uit eigen ervaring dat het leger ook extremistische groepen steunt die vechten tegen India, voor de aansluiting van Kasjmir bij Pakistan. ‘Die hebben vaak banden met al-Qaeda. De trainingskampen zijn geen fabeltje, ze bestaan. Klasgenoten van me werden er opgeleid voor de jihad tegen India.’

Goraya oogt vitaal en heeft naar eigen zeggen geen psychische klachten overgehouden aan de martelingen. ‘Al besef ik dat dat nog kan komen. Ik had het geluk dat ik terug kon keren naar een veilig bestaan in Nederland.’ Hij is in Rotterdam relatief veilig volgens de politie. De straat waar het gezin Goraya woont is druk, ook ’s avonds. Er patrouilleert regelmatig politie. En Goraya geniet inmiddels bekendheid in kringen van journalisten, activisten en politici binnen en buiten Nederland. Hij hoopt dat die ‘heel veel herrie’ zullen maken, mocht hij ooit weer verdwijnen. ‘De martelingen beginnen meestal al na enkele uren, dus je moet heel snel zijn.’ Maar hij is voorzichtig. Bijeenkomsten met Pakistanen uit de diaspora mijdt hij en hij houdt goed in de gaten of hij wordt geobserveerd.

Misschien wel het belangrijkste, zegt hij, is dat hij geen eenzame strijder is. ‘Er zijn vele Pakistanen zoals ik, verspreid over de wereld.’ Zijn kritische berichten worden tienduizenden keren per maand ge-retweet. ‘Zolang we niet vanuit Pakistan opereren kunnen ze ons weinig maken. Wij verzwakken het antidemocratische systeem van binnenuit en we zullen nooit stoppen.’