Paul Cliteur en de kwetsbaarheid van de academische vrijheid

Waar het niet wrijft, kan het ook niet glanzen

Nog in 2018 zei rector magnificus van de Universiteit Leiden Carel Stolker in een lezing over academische vrijheid: ‘Laat de bliksem inslaan en beheers zijn effecten.’ Hoe kan hij dan nu ontvankelijk zijn voor klachten over Paul Cliteur, vertrouweling van Thierry Baudet?

Voor academici en kunstenaars is slechts één houding écht onvergeeflijk: conformisme. Om die reden is het de vraag wat opmerkelijker is aan de recente Leidse gebeurtenissen: de eventuele intellectuele misstappen van Paul Cliteur of de overduidelijke publicitaire strategie van zijn baas, tevens rector magnificus van de universiteit, Carel Stolker.

Dit verhaal is ook te beluisteren

Ter herinnering: laatstgenoemde reageerde op zaterdag 28 november op een tweet waarin een kunsthistorica aan diezelfde universiteit haar werkgever opriep zich te distantiëren ‘van (de ideeën van) Paul Cliteur’. ‘Racisme mag geen gemeengoed zijn aan de universiteit’, schreef Lieke Smits, ‘ook niet onder het mom van vrijheid van meningsuiting.’

De reactie van Stolker, eveneens op Twitter, luidde: ‘Zeker, Lieke, het verwijt van een patroon van antisemitisme rond FvD is uiterst zorgelijk en raakt daarmee ook Paul Cliteur. Antisemitisme en racisme, en ook het daarvan niet-afstand nemen, zijn totaal maar dan ook totaal onaanvaardbaar. Wordt snel vervolgd.’

Zo gebeurde, meteen. Op maandag 30 november kwam de universiteit met een persbericht. Daarin stond – je moet goed lezen om de hobbels te ontdekken: ‘De afgelopen week hebben het college van bestuur van de Universiteit Leiden signalen bereikt over beschuldigingen van antisemitisme binnen een afdeling van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. De beschuldigingen hebben tot grote onrust geleid in de faculteit en de bredere universiteit. Het college van bestuur neemt de beschuldigingen serieus omdat ze, indien juist, overduidelijk in strijd zouden zijn met de waarden waar de Universiteit Leiden voor staat. Het college laat daarom onderzoeken of deze beschuldigingen gegrond zijn.’

Signalen over beschuldigingen, dat is zoiets als suggesties over suggesties. Reden genoeg, zou je zeggen, om terughoudend te zijn. Maar nee, in het vervolg van de tekst wordt aan de vaagste suggestie (‘signalen’) voorbij gegaan terwijl de ernstiger suggestie (‘beschuldigingen’) maar liefst drie keer wordt herhaald. Van een chique universiteit als die van Leiden zou je dat niet verwachten, en dan ook nog eens over de eigen mensen én publiekelijk?

Waar de stenen afgepakt worden en de ‘onnozelen’ opgesloten, dáár begint de dictatuur

Hoe dan ook, met dit schot hagel op enkelhoogte was de beer los. Daarbij ging het debat vanzelfsprekend over waar het al weken over gaat: Thierry Baudet, Paul Cliteur, antisemitisme en alles wat hiermee te maken zou kunnen hebben.

Ondertussen blijft het belangrijkste onderwerp op de achtergrond. Dat is namelijk wat Smits vrijheid van meningsuiting noemt en wat binnen de universitaire wereld gewoonlijk als academische vrijheid wordt omschreven. Voorop in de kwestie staat wat mij betreft dan ook niet universitair docent Cliteur maar de hoogste verdediger van de academische vrijheid ter plekke, rector magnificus Carel Stolker. Moet hij, zoals in dit geval gebeurde, meegaan met de roeptoeters op het plein of moet hij pal staan voor de solisten in zijn toren?

Ook over het antwoord op deze vraag bestaat bij mij geen twijfel. Zolang een kwestie zo vaag is als deze heeft een rector magnificus tot plicht een medewerker en zijn denkbeelden in naam van de academische vrijheid, zeker in de openbaarheid, te verdedigen. In dit geval zijn daarvoor nog twee bijkomende factoren: de pretenties van Stolker én de aanklacht. Dat zijn dus maar liefst drie redenen om te veronderstellen dat Stolker met zijn tweet en persbericht een domme daad heeft begaan en dat het om te beginnen dus niet de positie van Cliteur maar die van hém is die ter discussie staat. Let wel, dit staat los van de inhoud. Het betreft de vorm, het betreft posities, uitgangspunten, principes of hoe je het ook wilt noemen. Pas als we het daarover eens zijn kunnen we het over de inhoud hebben.

Wat betreft die inhoud: vanzelfsprekend is het mogelijk dat Cliteur artikel 1 van de grondwet dan wel artikel 137 (c, d: groepsbelediging, aanzetten tot geweld haat, discriminatie) van het Wetboek van Strafrecht overtreden heeft. In dat geval moet hij zich verantwoorden, zoals iedereen. Maar daarvan is vooralsnog geen sprake. Sterker nog: er is zelfs geen aanklacht. Er zijn slechts suggesties over suggesties.

Dat Stolker dergelijke luchtstromen serieus neemt, verbaast te meer omdat er in Nederland in de afgelopen jaren weinigen zijn geweest die zo duidelijk en overtuigend op de bres hebben gestaan voor academische vrijheid als hij. Zo hield Stolker in 2018 op de Leidse Dies natalis een overtuigend verhaal over de universiteit als vrijplaats. Het begin daarvan alleen al: ‘Als rector van de universiteit word ik regelmatig aangesproken op bijdragen van Leidse wetenschappers aan het politieke en maatschappelijke debat. Op Twitter, in blogs, op alumnibijeenkomsten, of op de Leidse markt nemen verontrusten mij dan even apart… Moet jij (@carelstolker) daar niet iets aan doen? Dit is toch de universiteit van Cleveringa? Ik snap waar hun vragen vandaan komen. En tegelijkertijd vind ik een verzoek aan de rector als bestuurder om zijn hoogleraren de mond te snoeren een verzoek dat vervreemdt. Want juist Cleveringa – denk ik dan – staat toch voor de moed van speaking truth to power?’

Zo gaat deze, ook internationaal niet onopgemerkt gebleven, lezing nog even door om te eindigen met een pleidooi tegen elke politieke correctheid en voor intellectuele diversiteit. Zijn visie vat Stolker uiteindelijk samen in een fraaie zin: ‘Laat de bliksem inslaan en beheers zijn effecten.’

Zo’n vijfhonderd jaar ervaring met academische vrijheid leert dat een houding als deze de enig juiste en vruchtbare is. Je zou hetzelfde op duizend manieren kunnen zeggen. Eén daarvan: waar het niet wrijft, kan het ook niet glanzen. En een samenleving moet wrijven en glanzen. Intellectuelen en kunstenaars zijn vanouds degenen die daartoe als eersten aanleiding geven. Zij zijn de rebellen die de stenen in de vijver gooien, zij zijn de kinderen die roepen dat de keizer in z’n nakie loopt. Waar de stenen afgepakt worden en de ‘onnozelen’ opgesloten, dáár, iedereen weet het, begint de dictatuur. Leve dus de satire, leve de spotprenttekenaar, leve de wetenschapper die met argumenten beweert dat zwarte gaten eigenlijk bergen zijn, dat het evident platte vlak een ronding bevat of dat het blauw van de lucht zo blauw niet is.

‘Signalen’ zijn nooit maar dan ook nooit voldoende basis voor een bewering

Helaas heeft de academische vrijheid in de vijfhonderd jaar van haar informele bestaan ontelbaar vele inbreuken gekend. Meestal kwamen die, zoals op dit moment buiten de westerse wereld nog overal gebeurt, van de kant van de overheid. Dat werd met de inrichting van de zogenoemd Democratische Universiteit bij ons in de jaren zestig van de vorige eeuw definitief verleden tijd. De wetgever realiseerde zich toen echter al meteen de nieuwe gevaren en schreef daarom in juni 1969 dat de ‘van oudsher bestaande academische vrijheid, namelijk de vrijheid van onderwijs en onderzoek, ook in de toekomst niet mag worden ingeperkt door pressiegroepen buiten of binnen de universiteit’.

Toch gebeurde dat. Het meest opmerkelijke Nederlandse voorbeeld hiervan speelde een jaar of tien later aan dezelfde Leidse universiteit: de affaire-Buikhuisen, waarbij de spraakmakende criminoloog het werken onmogelijk werd gemaakt na een hetze tegen hem in de media. Het siert Stolker dat hij, nog in zijn functie als decaan, degene is geweest die de man in Spanje opzocht en zoiets als informele excuses maakte. In zijn Dies natalis-lezing verwijst hij daar dan ook trots naar en stelt: ‘Bolwerk van vrijheid zijn is een dagelijkse opdracht.’

Deze omschrijving van de kwetsbaarheid van de academische vrijheid is typisch jaren zestig en maakte enkele tientallen jaren later, in de jaren negentig, plaats voor een wellicht grotere en in ieder geval meer directe bedreiging, namelijk van de kant van bestuurders. Immers, in de bestuurdersuniversiteit die de opvolger was van haar democratische voorganger kwam zo goed als alle macht bij het college van bestuur te liggen. Feitelijk is dat nog steeds zo. Vandaar ook dat het voor de academische vrijheid zo ontzettend belangrijk is dat een rector magnificus als lid van dat college van bestuur op de bres staat voor de vrijheid van zijn onderzoekers. Stolker deed dat. Meer nog: hij maakte van die noodzaak zoiets als zijn bestuurlijk uithangbord.

Een reden te meer dus om, eufemistisch gezegd, verbaasd te zijn over zijn meest recente optreden. Dit nog extra omdat het onduidelijk is wat de feiten zijn. Steeds weer en overal lees je over antisemitisme bij Forum voor Democratie en dus ook bij Cliteur. Maar uitgangspunt van elke goede wetenschap is dat eerst de feiten boven tafel moeten komen en dat hearsay (‘signalen’) nooit maar dan ook nooit voldoende basis is voor een bewering. Ook deze academische evidentie lijkt in dit geval met voeten getreden.

Vandaar de onvermijdelijke vraag: waarom deed Stolker wat juist hij steeds weer aankondigde nooit te zullen doen? En waarom ging hij zo ver om zijn koerswijziging ook nog eens in te zetten met een trumpie, een gratuite slinger in de digitale wereld?

Twee redenen, denk ik. De eerste is de digitalisering dan wel de verplaatsing van de publieke opinie en de politieke pressie van fysieke groepen en aanwijsbare ‘middelen’ als kranten, pamfletten en posters naar een volstrekt onoverzichtelijke, onbeheersbare en vernietigende wolk die alles en iedereen in een mum van tijd kan doordringen en verstikken. Niemand wil dat hem of haar zoiets overkomt en steeds meer mensen nemen om die reden tijdig maatregelen. Zo ook in dit geval.

De tweede reden is antisemitisme. Het begrip is langzamerhand verworden tot zoiets als wat ‘fascist’ was in de jaren zestig en zeventig – of ‘katholiek’ in de beginnende Republiek, ‘anarchist’ aan het eind van de negentiende eeuw, ‘communist’ in de jaren vijftig, enzovoort. Elk gebruik ervan staat gelijk aan een publieke doodverklaring. Tegelijkertijd denk ik dat niemand met enig gezond verstand in onze samenleving serieus vindt dat antisemitisme een geoorloofde, laat staan verdedigbare, houding is. Bovendien, wie dat wel vindt, is op de hoogte van de consequenties. Dit verandert echter niets aan het feit dat het begrip te pas en te onpas gebruikt wordt, als panacee tegen alles wat onwenselijk wordt geacht.

Kortom, het is verdrietig en eigenlijk ook onvergeeflijk dat de rector magnificus van onze oudste en mooiste universiteit bezweken is voor de publieke spiraal die de oorzaak is van de samenballing van twee onvergelijkbare, modieuze grootheden als sociale media en signalen van antisemitisme. Het had Stolker gesierd als hij ook onder druk daarvan was blijven staan voor zijn principes.