Verkiezingen Kortzichtige politiek

Waar het over had moeten gaan

Op het laatste moment schreven de politieke partijen miljarden aan bezuinigingen in hun financiële paragrafen. De debatten gaan alleen nog daarover. Maar niemand vraagt zich af: hoe kunnen wij uit onze schulden groeien?

Medium 07151388

Wie had eind februari kunnen verzinnen dat de verkiezingen over economie zouden gaan? Natuurlijk, dat er bezuinigd moest worden was bekend. Het kabinet had zes maanden eerder de zoektocht naar besparingen uitbesteed aan twintig ambtelijke commissies. En die zouden ongetwijfeld met verregaande hervormingen in taaie dossiers komen. Maar de verwachting was toch echt dat de pijn pas op middellange termijn – na 2015 – moest worden geleden. Breed deelden partijen de opvatting dat het prille herstel niet in de knop moest worden gesmoord. Eerst herstel, dan hervormen.

En dus zouden de verkiezingen gaan over waar ze in Nederland al tien jaar over gaan: migratie en integratie. Zeker de pvda-strategen moeten dat hebben gedacht. Toen de eerste haarscheurtjes bij Wouter Bos werden bespeurd, is gezocht naar een opvolger die in het integratiegeweld overeind zou blijven. Met veel bombarie werd in maart de nieuwe lijsttrekker gepresenteerd, Job Cohen, een man die Amsterdam in een siertuin van multiculturalisme te midden van een barre woestenij aan xenofoob nationalisme had getransformeerd. Een man ook die de beschaving waar de kiezer naar snakte zou kunnen terugbrengen in het politieke debat. Dat leek de pvda geen windeieren te leggen: een lichte Cohen-mania maakte zich van het land meester.

Het liep anders. Terwijl de partijen de laatste hand legden aan de programmateksten raakte Griekenland in een vrije val. Plots verschoof de politieke aandacht van pril herstel en stimulering naar tekort, schuld en broekriem. Met dank aan Standard & Poor’s, die in december de Griekse overheidsschuld afwaardeerde, en grote beleggers als Pimco die twijfel zaaiden over de robuustheid van de euro-economieën en de wil van Euro-politici om de munt te redden.

Intellectueel lenig als politici nu eenmaal zijn, werd het keynesianisme van 2009 in de lente van 2010 alweer vervangen door een rigide monetarisme met maar één gerecht: bezuinigen. Zelfs internationale organisaties als imf en oeso toonden zich geschrokken en drongen aan op prudentie, ook al mocht die het prille herstel niet smoren. Zoals de secretaris van de oeso toegaf: ‘Beschuldigingen dat wij leiden aan schizofrenie zijn terecht.’

En dus schreven alle partijen op het laatste moment miljarden aan bezuinigingen in hun financiële paragrafen. En dus winkelden alle partijen selectief in de voorstellen van de ambtelijke commissies. En dus kropen alle partijen deemoedig onder het juk van het cpb door. En dus werden kiezers getrakteerd op politieke debatten gegoten in het afzichtelijke jargon van het jaarverslag. En dus waren het weer die vervloekte bonentellers die doorgaan voor economen die op de buis de democratie mochten vermoorden met technocratisch gebazel.

pvda, pvv en d66 hebben het nakijken gehad, hoe zinnig of onzinnig hun programma’s ook waren en hoezeer Geert Wilders ook probeerde om, als witgekuifde Cato, ieder antwoord te beëindigen met de zin: ‘En overigens ben ik van mening dat de massamigratie terstond moet worden stopgezet.’ Terwijl de vvd, de partij van de uitkeringsloze middenklasse, die het monetarisme nu eenmaal in het bloed heeft zitten, de verkiezingen dreigt te gaan winnen. Ondanks een programma dat (hoe liberaal!) vrijheid voor de Nederlander koopt met dwang voor de buitenlander. En ondanks een lijsttrekker die zijn existentiële onzekerheid overschreeuwt met pareltjes als: ‘… en dan krijgt de Marokkaan een cursus kickboksen zodat hij je nog beter in elkaar kan trappen’ (in Buitenhof).

Begrijp me niet verkeerd: dat het over iets anders gaat dan heilige boeken en hoofddeksels is een zegen. In dit hysterische land zijn jarenlang kleine culturele verschillen uitvergroot tot onoverkomelijke obstakels. Door migranten op te zadelen met de onmogelijke eis net zo te worden als wij hebben we de poort naar integratie gesloten. Niet alleen doordat het ‘wij’ steeds meer historisch en zelfs genetisch werd ingevuld, maar ook doordat de resterende verschillen steeds vaker werden gelezen als onwil en dus reden voor uitzetting. De taal van het integratiedebat moet sociaal-economisch zijn, niet etnisch-cultureel. Godlof dus dat het nu eens niet over zoiets infantiels als hoofddoekjes gaat.

Dat betekent niet dat ik gelukkig ben met de wending die de debatten hebben genomen. Als je schulden hebt, kun je twee dingen doen: minder uitgeven of meer gaan verdienen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven, en voor staten. De verkiezingen gaan alleen over het eerste. De subtekst van alle debatten is dat er fors bezuinigd moet worden en wel nu. Daarover bestaat geen verschil van mening. Wel over de verdeling ervan. Links wil de armen sparen, rechts wil de rijken ontzien. Wat uitmondt in tot vervelens toe herhaalde breekpunten, die straks, tijdens de onderhandelingen, toch weer boterzacht zullen blijken te zijn.

Er is veel af te dingen op deze bezuinigingsdrift. Neem de hypotheekrenteaftrek. Natuurlijk deugt er weinig van de Nederlandse huizenmarkt. Te weinig koopwoningen, te weinig keuzevrijheid, te weinig doorstroming, te veel scheefwoners, absurd hoge huizenprijzen in de Randstad – en zo verder. Maar waarom moeten deze gebreken juist nu worden aangepakt? Minder aftrek betekent lagere huizenprijzen en dus lagere huurwaardeforfaiten en overdrachtsbelastingen. Bovendien moet minder aftrek op een of andere manier fiscaal worden gecompenseerd. Kortom, het levert de staat nauwelijks iets op. Bovendien vreest ongeveer de helft van de huishoudens hogere woonlasten en houdt dus de hand op de knip. Net ontkomen aan een financiële implosie van wereldhistorische proporties is dat wel het laatste wat je wil. Wat denken partijen hiermee te winnen en waarom moet het nu? Soortgelijke kanttekeningen kun je bij de andere onderwerpen plaatsen.

Wat blijft hangen is het beeld van een politieke kaste die zich opportunistisch op een nieuwe crisis stort om oude stokpaardjes als haarlemmerolie te slijten voor de problemen van vandaag. Maar ondertussen kan niemand uitleggen wat langetermijnhervormingen met kortetermijnproblemen te maken hebben. Noch kan iemand vertellen waarom het taboe op bezuinigen van gisteren vandaag niet meer van kracht is. Daarmee de kiezer in grote en groeiende verwarring achterlatend.

Erger is dat het nauwelijks over het tweede gaat: hoe kunnen wij uit onze schulden groeien? Juist daar wringt steeds meer de schoen. Door ontgroening, een gevolg van agrarische schooltijden en dure en matige kinderopvang, krimpen de cohorten die de arbeidsmarkt betreden en staan de groeicijfers onder druk. Betere scholing zou dat kunnen compenseren. Helaas is het Nederlandse onderwijs al jaren aan het zakken op internationale ranglijstjes. Vergrijzing verergert dat alleen maar. Door stijgende levensverwachtingen moeten minder jongeren straks voor meer bejaarden zorgen. Dat kan alleen met forse productiviteitsstijgingen en dat vereist een uitmuntend onderwijsbestel. De Nederlandse werkelijkheid is een andere.

De sectoren die het geld moeten verdienen, geven geen vrolijker beeld. Het bankwezen heeft een klap gehad waar het niet snel van zal herstellen. ing en ABN Amro zijn een schim van wat ze waren. En pogingen van het Holland Financial Centre om Nederland als financieel centrum op de kaart te zetten, zouden tragisch zijn als ze niet zo lachwekkend waren. De transportsector, een andere Nederlandse kampioen, genereert nauwelijks toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Bovendien is het de vraag of deze sector in het licht van de aanstaande energietransitie niet ten dode is opgeschreven. Datzelfde geldt voor de tuinbouw en bloementeelt, de grootste exportsector van Nederland, met hun immense energieverbruik.

En de Nederlandse multinationals, van oudsher de ruggengraat van onze economie? Helaas hebben we ook daarvan weinig te verwachten. Meer en meer hebben ze hun productie en onderzoek naar andere regio’s verplaatst. Daardoor resteren in Nederland vaak alleen nog kleine hoofdkantoren van pakweg vijfhonderd man. Meer en meer hebben ze de ambitie van grote wereldspeler opgegeven en zich getransformeerd in nichespelers die groot zijn in kleine markten. En meer en meer zijn ze gefuseerd met grotere buitenlandse concurrenten en is het strategische centrum elders komen te liggen. In de laatste FT Global 500 staan slechts zeven Nederlandse bedrijven. De eerste is Unilever, op plek 61. ing vinden we op plaats 183 en Philips op 236. China is vertegenwoordigd met 23 bedrijven, waarvan zes in de top-vijftig.

Geen wonder dat de oeso in haar laatste Economic Outlook een somber toekomstbeeld voor Europa schetst. Terwijl in de VS alweer groeicijfers van vier procent worden geschreven en Azië in de dubbele cijfers zit, voorspelt de oeso voor vergrijzend Europa een verloren decennium met een groei van één, hooguit twee procent; onvoldoende om ons welvaartspeil te behouden. Bovendien houdt de oeso een flinke slag om de arm vanwege de onzekerheid rond de euro. Europa zou zomaar kunnen terugvallen in de recessie die ze net heeft verlaten.

De partijprogramma’s grossieren ondertussen in vrome wensen. GroenLinks wil met ‘schone technologie, uitmuntend onderwijs, toponderzoek en sterke groene bedrijven een voorsprong nemen in de wereldeconomie’. d66 wil dat Nederland in 2020 ‘tot de beste economieën ter wereld behoort’ en zet in op ‘kennis en innovatie’. Ook de vvd onderschrijft het belang van innovatie en wil een nieuw ministerie oprichten (sic!) dat ‘verantwoordelijk is voor onderwijs, wetenschap en innovatie’. De pvda wil dat het Nederlandse onderzoek tot de mondiale top-vijf gaat behoren, omdat ‘excellente wetenschappers de motor voor goed onderwijs, maatschappelijke vooruitgang en een innovatieve kenniseconomie zijn’. Het cda heeft een soortgelijke ambitie: Nederland moet tot ‘de wereldtop-vijf van kennislanden’ gaan behoren.

Daarmee trappen ze allemaal in de valkuilen van het smadelijk mislukte Innovatieplatform. Ten eerste heeft innovatie niets te maken met witte jassen, patenten en laboratoria, maar slaat het op elke onderneming die, vrij naar Joseph Schumpeter, erin slaagt iets aan te bieden wat er voorheen, op die plaats, op dat tijdstip, niet was. Dus is de Turkse groenteboer net zo innovatief als Philips. Ten tweede hebben universiteiten al lang geen monopolie meer op kennisproductie. Met luie studenten, matige docenten en een organisatie aangestuurd door amateuristische bestuurders met professionele pretenties die wordt overlopen door de pedagogen die eerder het basis- en het middelbaar onderwijs om zeep hielpen zijn er eigenlijk geen goede argumenten voor het vele belastinggeld dat erheen gaat. Ten slotte is innovatie niet maakbaar, maar, naar Jon Elster, een ‘essentieel bijproduct’ van handelingen die om andere redenen worden verricht, net als liefde en succes.

Waar Edmund Burke en Friedrich Hayek elkaar de hand reiken, past de staat bescheidenheid. Goed funderend onderwijs, een infrastructuur voor een leven lang leren, laagdrempelige markten, een mededingingsbeleid met tanden dat korte metten maakt met de politieke, bestuurlijke, economische en financiële kartels die Nederland onderling verdelen, minder administratieve verplichtingen, minder preventieve wetgeving, schuldkwijtschelding na zeven jaar, en een grotere acceptatie van ongelijkheid, rotzooi, pech en geluk zijn mijns inziens belangrijker ingrediënten voor een succesvol innovatiebeleid dan de vele nota’s, fora, fondsen, potjes, subsidies en ‘topinstituten’ die daar momenteel voor verantwoordelijk zijn. En ja, daar hoort ook een plicht tot economische zelfstandigheid bij. Want daar had Rutte natuurlijk groot gelijk in: die bijstandsmoeder van Netwerk had al lang aan het werk moeten zijn.

foto: Koen Verheijden /HH