Waar ik me bevind

Wat is er toch veel veranderd, ik kan dit oprecht denken. Sterker nog: het kan de uitkomst zijn van lange gedachtekronkelingen, uitwaaierend over fysieke, politieke en geestelijke aspecten van het bestaan, en dan is dit dus mijn langzaam ontstane, voorzichtig geformuleerde conclusie, dat er zoveel veranderd is. Ik kan me nog net inhouden en het niet hardop uitspreken, al kan ik tijdens een dis, ik noem maar wat, zo in nood geraken, zozeer geen draai wetende te geven aan een conversatie, zozeer snakkende ook naar het punt van afronding, dat ik opeens ook zomaar iets kan zeggen als ‘er moet nog een hoop gebeuren’. En ja, dan kan het wel opeens stil worden aan tafel, het ene moment werd er nog op hoog niveau gespeculeerd over van alles, ging het over de wereldorde en verschuivende parameters, het volgende moment valt alles dood, zegt iemand in feite dat ze naar bed wil, slapen.

Ondertussen is het toch echt waar, zowel dat er nog een hoop moet gebeuren als dat er veel veranderd is, dat laatste dacht ik bijvoorbeeld vorige week nog toen ik tijdens een etentje voorafgaand aan het boekenbal in gesprek raakte met een schrijfster die zwanger was van haar eerste kind. Ze hoefde het niet te zeggen dat ze zwanger was, dat was nogal obvious, en daar begon het eigenlijk al mee, het kronkelen van mijn gedachten. Ik ging in gedachten terug naar het boekenbal van 21 jaar ervoor, toen ik zwanger was van mijn zoon, en dit op alle mogelijke manieren probeerde te verbergen. Niet dat ik me schaamde, het was gewoon geen onderwerp van gesprek, op een of andere manier schiep ik er eer in dat niemand van mijn collega’s wist dat ik al een dochter had ook, het was iets van mij en niet van mijn werk, en toen pas na een jaar of tien mijn kinderschaar ter sprake kwam op de redactie – voor alle duidelijkheid: ik was freelancer, wat je sowieso al iets meer mogelijkheden tot schimmigheid biedt – en men alom uitriep: huh, heb jij kínderen? vond ik dat geruststellend.

Misschien dacht ik stiekem ook wel dat zwangerschap mij voorgoed van iedere sex-appeal zou beroven, en gezien de toen dominante zwangerschapskledij – je gaf aan elkaar de verwassen hobbezakken door – was dat ook niet denkbeeldig. Sinds ik een paar weken geleden, rond carnaval, in de krant las dat er ieder jaar wel vrouwen zijn die tot hun eigen grote verrassing opeens moeten bevallen, geloof ik dat je brein je lichaam in toom kan houden, zelfs als je zwanger bent. Deze schrijfster zag er echter zo mooi in volle bloei uit, dat ik me met terugwerkende kracht afvroeg wat ik mezelf, en mijn omgeving, heb ontzegd. Haar op zich nog in het beginstadium verkerende buikje stak nu al trots naar voren, haar borsten lagen opgetast als in een bonbonwinkel. Maar zij vertelde me ook er erg aan te moeten wennen voortdurend aangesproken te worden op een nieuwe status die gepaard ging met navenant nieuwe morele verwachtingen. Wáárover een discussie of gesprek ook ging, er was altijd wel een moment dat de bal haar kant op kwam met de woorden: jij wordt binnenkort moeder, wat vind jíj er nu van?

Toen men alom uitriep: huh, heb jij kínderen? vond ik dat geruststellend

‘Het is net alsof mijn identiteit is veranderd’, sprak ze boven haar in glanzend zwart satijn gevangen buik en haar decolleté dat suggestief met gaas was bekleed, ‘ik ben ik niet meer.’

Misschien was het dat wel wat ik probeerde te voorkomen, ik weet het niet zo goed meer, het waren andere tijden. Ik was een van de eersten in mijn vriendenkring die kinderen kreeg en wist me er gewoon geen houding mee te geven. Wel weet ik nog dat ik heel lang het leeftijdvak waarin ik me bevond kenschetste als het meest dramatische dat er mogelijk was, want tussen je twintigste en je dertigste gebeurden toch wel echt de allerergste en -definitiefste dingen. Maar op weg naar de veertig wist ik dat dit alles nog maar een peulenschil was vergeleken bij wat er met je gebeurt tussen je dertigste en veertigste, nog in ignorant bliss verkerende van wat me hierná weer aan onherroepelijke verliezen en onverwachte nieuwe identiteiten stond te wachten.

Ik dacht aan het babytje in de schrijfstersbuik naast me, hoe gezellig het was om zwanger te zijn, hoe onverschrokken ik me voelde, nooit meer bang ’s nachts op de fiets, want niet alleen, en hoe gek het was dat eenmaal geboren het babytje gewoon nooit meer wegging. Wat toch ook weer een angstwekkend inzicht teweegbracht: dat iedereen zomaar de zorg kan krijgen voor zoiets weerloos. Wat is er toch een hoop veranderd, bijna zei ik het hardop, tot ik opeens besefte dat één ding gewoon nooit veranderde. Overal waar ík me bevind, daar is het drama.