Essay Leve het europatriottisme!

Waar ik me goed voel, ben ik thuis

Europa moet zijn relatieve zwakte als continent van samenwerking, overreding en onderhandeling koesteren tegenover de harde ideologieën van jihadisme, nationalisme en Russisch machismo. Zelfbeheersing als teken van kracht.

Medium europatriotisme

Wij ademen Europa. We eten en drinken Europa: croissants, chorizo, tzatziki, parmaham, goulash, cappuccino, Côtes du Rhône, riesling, Nahe Spätlese, rode port. We zien en horen Europa: Scandi-thrillers, Das Leben der Anderen, Bach, Arctic Monkeys, Strauss, Daft Punk, Conchita Wurst. We lezen Europa: Houellebecq, Nooteboom, Asterix, John Le Carré, De Da Vinci code. We kleden ons en rijden in Europa: Prada, Dolce Gabbana, Louis Vuitton, Mercedes, Citroën, Vespa. Europa is steeds meer ‘het land in ons’. Net als Groningers allemaal een kleine replica van de Martinitoren in zich dragen, ook als ze aan het strand van Rimini liggen, zo draagt ieder van ons steeds meer brokjes Europa met zich mee. De Amsterdamse coffeeshops, de London Eye, Camp Nou, de Akropolis, de Karelsbrug, de Mont Ventoux, de Mona Lisa, de slagvelden bij Verdun, het Holocaustmonument in Berlijn.

Wij zijn Europa – en we zijn dus veel minder eurosceptisch dan we denken. Je zou ons bijna eurofielen noemen. Dat scheldwoord wordt door rechtse en linkse sceptici gebruikt naar analogie van pedofilie: zij vinden dat een ziekte. Maar wij nemen het graag als geuzennaam aan: eurofielen aller landen, verenigt u! We-rope! U-rope! E-You!

Hoe kunnen we meer gaan houden van Europa? Hoe kunnen we de vaderlandsliefde een treetje hoger tillen naar Europees niveau? ‘You don’t fall in love with the common market’, zei Jacques Delors terecht. Een belangengemeenschap vormt nog geen natie, wist ook de Franse historicus Ernest Renan, want ‘aan nationaliteit zit een gevoelskant; zij is tegelijkertijd ziel en lichaam; een Zollverein is geen vaderland.’

Alle groepsidentificatie heeft een libidineuze, lichamelijke kant – een freudiaans inzicht dat door linkse verstandsmensen te veel is verwaarloosd. Volgens de filosoof Simon Critchley kan een Europese identiteit in ieder geval niet worden geschapen met bureaucratische middelen. Er is iets sterkers nodig, ‘iets wat appelleert aan de emoties, een soort nieuwe civiele religie. Politiek heeft patriottisme nodig, dat zei Rousseau al. Ik zie geen Europees patriottisme.’

Toch kan een ‘politiek van het hart’ voor Europa niet zonder europatriottisme. In zoverre valt er wat te leren van populisten die juist de politieke passie preken tegen Europa. Maar het moet een lichte liefde zijn: zwakker dan de exclusieve toewijding en opoffering die nationalisten opeisen voor hun verschillende vaderlandjes. De bekrompen nostalgie van ‘wij waren hier het eerst’ zal moeten wijken voor het lichte thuisgevoel van een open, inclusieve en gastvrije gemeenschap.

Beseffen we wel hoe klein de landjes van Europa zijn, vergeleken met opkomende reuzen als China, India of Rusland? Nederlanders, Luxemburgers, Maltezen, Slovenen en Esten zien dat misschien eerder en sterker dan andere Europeanen. Er schuilt kleinzieligheid in degenen die het bij de nationale Kleinstaaterei willen houden (denk aan de lachwekkende pvv-kreet ‘Nederland is te groot voor de Europese Unie’). Onze landjes zijn ook lang niet zo knus en gezellig als ze lijken. Voelen we ons wel altijd veilig en één met de mensen om ons heen? En willen we die dikke saamhorigheid wel? Als Amsterdamse stadsjongen voel ik me eerder thuis in Londen of Barcelona dan op het Friese, Zeeuwse of Limburgse platteland.

Erasmus zei het al: ubi bene, ibi patria, waar ik me goed voel, ben ik thuis. Ik ben op mijn gemak onder ‘mijn soort mensen’, op plekken waar mijn waarden, smaak en levensstijl door anderen worden gedeeld. Mijn thuis is waar ik interessante indrukken en ervaringen kan opdoen: gezellige stadse drukte, afwisseling en avontuur, leuke mensen ontmoeten, slenteren langs mooie gebouwen, reizen en onderweg zijn.

Daarom moeten we het thuisgevoel in kosmopolitische richting uitbreiden, om te beginnen naar Europa. Zij die het thuisgevoel romantiseren vergeten dat we het huis ook moeten verlaten om onszelf te kunnen ontdekken. Authenticiteit vereist dat we op avontuur gaan, richting horizon, voorbij de grenzen van de bekende wereld. Neil Young (die tegenwoordig op een boot en in zijn toerbus woont) is de nieuwe Erasmus: ‘I like moving around. I’ve done it my whole life, and it makes me feel good. It makes me feel at home.’

Postmodernisten overdrijven schromelijk als ze de moderne identiteit als nomadisch voorstellen: alsof we allemaal migranten of toeristen zijn geworden in een mondiale space of flows. Maar dat is meer dan een generalisatie van de ervaring van jetsetacademici, bankiers, politici en artiesten. Mensen willen niet alleen stilzitten en thuiszitten maar ook bewegen – zonder hun basale gehechtheid aan de eigen cultuur en geliefde plekken op te geven. We moeten kortom een thuisgevoel kweken dat tegelijkertijd een soort vakantiegevoel is, een spannende uithuizigheid. Dat kan heel goed in Europa. Reizen in Europa is op vakantie zijn in eigen land.

Als Amsterdamse stadsjongen voel ik me eerder thuis in Londen of Barcelona dan op het Friese of Zeeuwse platteland
***

We moeten Europa vullen met emotie – maar niet met te veel van dat goedje. Een zwak voor Europa is genoeg, net als een zwak voor Nederland (zij vullen elkaar mooi aan). Met dit belangrijke proviso is het de moeite waard om te onderzoeken of de symbolen die onze nationale emotie lange tijd hebben vormgegeven en belichaamd, zoals de gulden, de nationale driekleur, het volkslied en het koningshuis, geschikt zijn voor Europees hergebruik of moeten worden afgeschreven.

Met de Nederlandse taal en de Hollandse gulden zijn we denk ik gauw klaar. Het Nederlands zal op sommige terreinen moeten inschikken, maar nog tot in lengte van dagen blijven bestaan als dagelijkse spreektaal en als taal van de vaderlandse geschiedschrijving, de literatuur, de nederpop en de nederfilm. Daarnaast zal het Euro-Engels (dat nu al door 38 procent van de Europeanen wordt gesproken, rond 2050 waarschijnlijk door negentig procent) een gevoel van Europese bewegingsvrijheid en nabijheid scheppen. De euromunt doet dat al dagelijks, en verbeeldt door zijn abstracte symboliek van bruggen, kathedralen en landschappen precies de lichte binding die Europese burgers zoeken. Hoewel er veel wordt geklaagd over de economische gevolgen van de euro blijkt Nederland ook zonder de gulden te floreren.

Resteren de nationale driekleur, het volkslied, het koningshuis en nationale feestdagen als Koningsdag en 4 en 5 mei. De Nederlandse vlag wappert fier naast de Europese op alle overheidsgebouwen. Alleen een handjevol nationalisten wil de laatste neerhalen en zwaaien met de oude prinsenvlag, die een bedenkelijk nsb-verleden heeft. De kleur oranje heerst uitbundig in de voetbal- en andere stadions, als klederdracht van allerlei hulpsinterklazen en knuffelleeuwen. Het rood-wit-blauw wordt half ironisch op wangen, voorhoofden en blote buiken geschilderd, als uiting van een doorgaans ongevaarlijk feestnationalisme. Buiten de Dodenherdenking en Bevrijdingsdag heeft de Nederlandse driekleur net zo veel emotionele betekenis als de vlaggen die wapperen op de achterplecht van elke Nederlandse boot: weinig tot geen.

Ook het Wilhelmus is behalve bij plechtige herdenkingen ongeveer even betekenisloos als de officiële Europese hymne Ode an die Freude – en even tekstloos als we beseffen dat de meest gezongen variant de lalala-voetbalversie is. Onze ware volksliederen zijn trouwens Europees, stammen uit de recente popcultuur en zijn Engelstalig: We Are the Champions en You’ll Never Walk Alone.

Het is zonneklaar dat het Nederlandse vorstenhuis, net zo min als dat van België, Spanje, Denemarken, Zweden, Groot-Brittannië, Monaco en Luxemburg, kan overleven in de toekomstige Europese Republiek. De koppen van de monarchen zullen van de euromunt moeten rollen. Gelukkig hebben we in Nederland niet één maar twee Oranjes: er is ook nog Koning Voetbal. Anders dan de erfelijke monarchie bestaat dat nieuwe Oranje uit sterren die zelf naam hebben gemaakt en bij tegenvallende prestaties door de trainer kunnen worden vervangen. gt;

Koningsdag, voorheen Koninginnedag, gaat nauwelijks meer over de familie Van Oranje, maar is eerder een dag van feestelijke vermarkting en uitbundige gekkigheid. De nationale Dodenherdenking en Bevrijdingsdag zijn steeds minder exclusief gericht op de Tweede Wereldoorlog, hoewel die wel het zwaartepunt blijft. Het zal niet lang duren voordat de Tweede Wereldoorlog en de holocaust zullen worden herdacht in Europees verband en op Europese schaal – met deelname van de ‘eeuwig schuldige’ Duitsers, zoals dit al langer gebeurt bij vieringen van D-Day.

Net als de herdenkingen van 1914-1918 zijn die van 1939-1945 cruciaal ter bevestiging van een Europese identiteit die de verschrikkingen van de oorlog voor altijd achter zich wil laten. Lieux de mémoire als Verdun, Sarajevo, de Vlaamse Westhoek, Auschwitz, Theresienstadt, Sobibor, Dresden en de Normandische stranden zijn daarvoor focale punten. Een bezoek aan deze ‘moeilijke landschappen’ en dit ‘schurend erfgoed’ wordt onder Europeanen steeds populairder (dark tourism).

Er is niets tegen nationale feestdagen, als ze maar in het teken staan van een gastvrije feestcultuur en geen militaristische, nationalistische of xenofobe bijklank hebben. Een dieptepunt is de Servische obsessie met de Slag op het Merelveld (1389), die het nationale trauma van de nederlaag die ooit tegen de Ottomanen werd geleden telkens opnieuw opstookt. Of de obsessie van sommige islamofoben met de beide keren (1529 en 1683) dat de opmars van dezelfde Ottomanen bij Wenen door christelijke legers werd gestuit. Maar het bloedige verleden van Europa verbiedt het eigenlijk om de ontelbare veld- en zeeslagen die op Europese bodem zijn uitgevochten (zie Wikipedia voor schokkend lange lijsten per land) anders dan als onbegrijpelijke anachronismen te zien.

De Groene europoliticus Reinhard Bütikofer stelt voor om historische gebeurtenissen die Europese landen tot nu toe nationaal vieren in een Europees perspectief te plaatsen, zoals de Portugese Anjerrevolutie van 1974. Zonder Europa had die niet plaatsgehad, net zo min als de overwinning van de democratie in Spanje na de dood van Franco in 1975. Zoals in de negentiende eeuw de lokale autarkie werd doorbroken door de aanleg van een nationaal spoorwegnet en lokale en regionale festiviteiten plaatsmaakten voor nationale feestdagen, zo kunnen nu in het spoor van de tgv en de Eurostar nationale evenementen voor een deel plaatsmaken voor Europese (denk aan het Oktoberfest in München, het Notting Hill Carnival in Londen en de Amsterdam Gay Pride).

Vrijzinnigheid – de vrijheid om anders te denken en te leven – lijkt een vorm van zwakte, maar is bij nader inzien een bron van kracht

Zoals de negentiende-eeuwse cultus van de Nederlandse natie allerlei tradities en helden uitvond (de Bataafse mythe, de Gouden Eeuw, De Ruyter, Van Speyk), zo kunnen we proberen een nieuw pantheon van grote verhalen en grote mensen uit het verleden en heden van Europa samen te stellen. Mits we opnieuw bezuinigen op nationalistische tradities en krijgshaftige symbolen, zoals het volkslied De Vlaamse Leeuw en de held Ambiorix in Vlaanderen, de Stefansmythe en de beeldengroep op het Heldenplein in Boedapest, of de mythe van Napoleon en zijn kitscherige praalgraf in het Parijse Panthéon.

Het is schokkend dat overal in Europa zowel standbeelden van tal van legerleiders en oorlogshitsers te vinden zijn als gedenkstenen voor hun miljoenen slachtoffers, Morts pour la Patrie. Een vreedzamer pantheon van Europese helden begint eerder bij standbeelden als die van Goethe en Schiller in Weimar of van Bach in Leipzig. Maar in de virtuele beeldcultuur zijn stenen of bronzen beelden eigenlijk overbodig geworden. Onze Euro-celebs zijn overal: behalve de vele sporthelden ook filmsterren als Brigitte Bardot, Marcello Mastroianni, Sophia Loren, Gerard Dépardieu en Hugh Grant, komieken als John Cleese en Rowan Atkinson, zangers als Placido Domingo, Charles Aznavour, Jacques Brel en Paul McCartney, en last but not least de vele fictionele figuren die Europa rijk is, zoals Graaf Dracula, Don Quichot, Hercule Poirot, Sherlock Holmes, Kuifje en Harry Potter.

***
Op zoek naar rituelen en symbolen die het europatriottisme kunnen versterken is de celebritycultuur een voor de hand liggende vindplaats. Persoonlijk charisma helpt om de Europese identiteit zichtbaar en tastbaar te maken (Conchita Wurst!). Op scholen kan veel meer Europese in plaats van vaderlandse geschiedenis worden gegeven. De Europese democratie zal meer herkenbaar en levendig worden als de politieke partijen nadrukkelijker worden vertegenwoordigd door politieke personen die charmant, open en taalvaardig kunnen communiceren met Europese burgers in verschillende landen.

Op die manier ontstaan de contouren van een ‘banaal’ euronationalisme, waarin Europa via allerlei dagelijkse praktijken en objecten wordt benoemd en gereproduceerd. Niet naar het voorbeeld van de nationalistische vlagceremonie waaraan Amerikaanse kinderen dagelijks worden onderworpen, maar luchtiger, zoals in de Hollandse symboliek van kaas, molens, tulpen en de fiets. Hoe kunnen we een koppelteken-identiteit aannemen en onszelf gaan zien als Nederlandse, Franse, Griekse of Roemeense Europeanen? Daarvoor zijn enthousiaste europatriotten nodig die de unieke Europese vrijheid en democratie schaamteloos durven te pluggen, ensceneren en belichamen.

Europa is nog jong: meer dan de helft van de staten is pas lid sinds 2000. Het is dus niet vreemd dat het nog niet in de hearts and minds van zijn burgers is ingedaald. In elke nieuwe generatie is dat eurobesef sterker dan bij de vorige. Daarom moeten we de deugd van het geduld oefenen. Europa is een project van lange adem: een democratische kathedraal waaraan opeenvolgende generaties van ambachtslieden en kunstenaars hard hebben gewerkt, en dat werk is nog lang niet af. De natiestaten deden er minstens tweehonderd jaar over om vorm te krijgen, dus eigenlijk staan we pas aan het begin.

Europa is een project van beschaving en verheffing, waarin de schepping van materiële levens- en stijgingskansen voor al zijn burgers steeds moet worden geflankeerd door morele opvoeding tot zachtmoedigheid, vrijzinnigheid, pluralisme en creativiteit. Daarom is het in het directe belang van Europa om niet alleen de welvaart rechtvaardiger te verdelen, maar ook om breed en diep te investeren in onderwijs op alle niveaus. De beste europropaganda is de verleiding van het Europese goede leven, de Europese vrijheid en de Europese democratie. Die sociale vrijheid-in-veiligheid is alleen mogelijk als geweld, agressie en intimidatie worden geminimaliseerd en we bereid zijn om iedere Europese burger kansen te geven op een beter leven.

Als zelfkritische reactie op de historische ervaringen van het imperialisme, de twee wereldoorlogen, het linkse en rechtse totalitarisme en de holocaust, richt de Europese identiteit zich tegen alle missionaire beschavingsoffensieven en totalitaire ideologieën. Het Europese individualisme valt dan ook niet samen met het zelfverzekerde rationalisme van de Verlichting of het rugged individualism van de markt. Het benadrukt juist de kunst van de twijfel. Het vermogen tot zelfkritiek en de daaruit volgende bescheidenheid en matiging zijn wezenlijk voor de Europese identiteit.

De Europese democratie is een relativistische democratie, die goed kan leven met en zelfs trots is op het onophefbare democratisch tekort: niemand weet zeker wat het volk wil of wat de kiezer zegt, wie tot het volk behoort en wie niet. Daarom wordt een ieder permanent uitgenodigd om daarover zijn zegje te doen. De democratie is er juist om dit gebrek aan gemeenschap, aan bindende normen en waarden zo goed mogelijk te verdragen en die verschillen zo vreedzaam mogelijk te organiseren. Eén metawaarde stijgt daarboven uit: die van de vrijzinnigheid, die dit waarheidstekort vormgeeft en ons bindt aan een beschaafde, gematigde denkstijl en levenshouding.

Vrijzinnigheid – de vrijheid om anders te denken en te leven – lijkt op het eerste gezicht een vorm van zwakte, maar is bij nader inzien een bron van kracht. Afzien van geweld is vaak een teken van grote geestelijke weerbaarheid. Te veel zekerheid maakt niet sterk maar juist kwetsbaar. Stelligheid, scherpslijperij en gelijkhebberij doden immers alle vernieuwing. Vrijzinnigheid bevordert juist de openheid voor andere mensen, levensstijlen en denkbeelden, werkt vindingrijkheid in de hand, en is daarmee een voorwaarde voor culturele dynamiek, sociale veerkracht en technologische vernieuwing. De economische kracht en creativiteit van Europa zijn zonder die vrijzinnigheid en zachtmoedigheid ondenkbaar. Wat Poetin beschouwt als laffe decadentie vormt daarom juist de kracht van de EU. Hij begrijpt niet dat het Westen succesvol is niet ondanks, maar dankzij die zogenaamd verwekelijkte, feminiene habitus.

Europa geeft de voorkeur aan de krachten van samenwerking en overreding boven de machten van strijd, verovering en vernedering

Europese democraten kunnen dan ook trots zijn op hun onzekere identiteit. De vrijzinnige houding van ‘zelfverzekerde twijfel’ is wel degelijk weerbaar en offensief. Ons besef dat wij de waarheid niet in pacht hebben geldt immers ook voor alle anderen: onze ‘superioriteit’ ligt daarin dat wij alle harde superioriteitsclaims afwijzen. Wij zijn trots op onze cultuur van kritisch debat en tolerantie, en trekken een duidelijke grens waar die cultuur wordt bedreigd.

***

Deze paradox, dat de relatieve zwakte van Europa tegelijkertijd zijn grootste kracht is, vormt het hart van de aantrekkingskracht van de Europese idee. Het zachte maar stevige Europa geeft de voorkeur aan de krachten van samenwerking, verleiding, overreding en onderhandeling boven de machten van strijd, verovering en vernedering. Het verzet zich tegen al die vormen van absolutisme en fundamentalisme die bloedige sporen hebben getrokken door zijn eigen geschiedenis. Op dit moment botst Europa op nieuwe verschijningsvormen hiervan: islam-jihadisme, populistisch nationalisme, neoliberaal marktfundamentalisme en de Russische machomacht. Tegenover die harde ideologieën en praktijken moet Europa zijn relatieve zwakte als een sieraad blijven koesteren.

Erasmus wordt wel beschouwd als de eerste theoreticus van het pacifisme, vanwege zijn pleidooi voor de uitschakeling van alle geweld en vooral de afschaffing van de oorlog, die ‘schipbreuk van alle goede dingen’. Beslissing door de wapenen leidde immers nooit tot een morele oplossing van conflicten. De opvoeding tot humaniteit moest vooral geschieden langs de weg van de intellectuele en morele ontwikkeling. Het vaderlandsideaal vond hij een te eng ideaal, dat moest worden overwonnen door het bovennationale, Europese ideaal.

Met recht kan Erasmus met zijn nomadische ervaringen en grensoverschrijdende denkbeelden gelden als de eerste echte Europeaan, en Nederlanders kunnen trots zijn dat hij in heel de toenmalige wereld bekendstond als ‘Roterodamus’. Maar er zijn goede redenen om de term humanisme als uithangbord voor de Europese identiteit te vermijden. Ten eerste neigt die stroming te veel naar een abstracte vorm van wereldburgerschap. Europees patriottisme is daarentegen alleen effectief als het wordt gericht op een afgebakende, eindige ruimte, die groter is dan de huidige naties maar niet doorschiet naar een ‘wortelloos’ kosmopolitisme.

Ten tweede is het de vraag hoe pacifistisch Europa kan zijn als het credo ‘nooit meer oorlog’ en de waarden van individualisme, pluralisme, democratie en solidariteit ook naar buiten toe krachtig moeten worden verdedigd – zoals op dit ogenblik in Oekraïne. Dat vergt een flinke dosis harde macht, geopolitiek realisme en een heldere strategische visie, aldus de Belgische politicoloog Jonathan Holslag. Als Europa respect wil afdwingen voor zijn idealen en levensstijl moet het meer van deze harde macht ontwikkelen, bijvoorbeeld door een gezamenlijke buitenlandse politiek te voeren en een sterke krijgsmacht op te bouwen.

De Europese vrede, vrijheid en vrijzinnigheid verspreiden zich niet vanzelf, zonder slag of stoot, via vrouwelijke verleiding. Zij moeten ook worden verdedigd tegen intolerante, wrede en onscrupuleuze vijanden. Een weerbare democratie moet daarom leren omgaan met de paradox dat ze haar vijanden moet bestrijden zonder op hen te gaan lijken. Zij moet de realiteit van het politieke kwaad onder ogen zien, maar blijven vechten met ‘de middelen van het minste kwaad’ (Michael Ignatieff). Ze moet haar waarden overtuigend uitdragen zonder zich te kunnen beroepen op onwrikbare fundamenten. Zij kan dus nooit zo hard en meedogenloos zijn als haar ergste vijanden, maar moet haar relatieve zachtheid, matiging en zelfbeheersing als teken van trots en kracht blijven zien.

Machtsbewustzijn is daarmee een noodzakelijk ingrediënt van het europatriottisme. Macht moet voor Europa niet langer een vies woord zijn. Trots zijn op Europa is ook trots zijn op de kracht van de samenwerking, op de machtswinst die wordt geboekt als kleine soevereiniteiten worden gebundeld in een groter blok dat zich beter kan weren tegen de economische macht van markten, multinationals en staatsmonopolies, de terreur van grensoverschrijdende maffiosi en fanatici, en de dreiging van macholanden als Rusland. Europa is nog te veel de speelbal van dergelijke grensoverschrijdende machten en te weinig een echte grote mogendheid. Trots op Europa is ook trots op zijn mondiale leiderschap, bijvoorbeeld als het gaat om zijn sociale model of zijn innovatieve klimaat- en energiepolitiek.

Trots op Europa ontstaat ook wanneer we de Europese democratie verlevendigen en de creativiteit van burgers bundelen in een vernieuwingsgerichte cultuur. Europa is de wereldleider van de groene revolutie, van de sociale vrede, van het goede leven, van een vrijzinnige levensstijl en van een pluralistische democratie. Die Europese trots kan alleen maar groeien als we met één mond spreken in de buitenlandse politiek, een gezamenlijke defensie- en interventiemacht opbouwen en enthousiast kunnen luisteren naar toespraken van onze direct gekozen Europese president.

Wat schaal betreft is het europatriottisme enigszins vergelijkbaar met zijn Amerikaanse tegenhanger. We spiegelen ons natuurlijk niet aan de chauvinistische ‘natie onder God’ volgens John Wayne, George W. Bush of de Tea Party, maar eerder aan het links-liberale patriottisme van een filosoof als Richard Rorty, dat eigenlijk beter past bij Europa dan bij de huidige VS. Ook Rorty erkent de noodzaak van emotionele betrokkenheid bij ‘ons land’ en van de zoektocht naar de identiteit of ziel ervan. Maar die morele identiteit is niet iets wat al bestaat en moet worden beschermd, zoals rechts gelooft, maar iets wat nog tot stand moet worden gebracht. De natie is niet af. Nationale trots is niet trots op het bestaande, maar op wat wij van onszelf kunnen maken.

Ook de inhoud van Rorty’s utopie lijkt sterk op het Europese ideaal van de sociale vrijheid en de sociale democratie. Hij onderschrijft het motto dat John Stuart Mill gebruikte voor zijn boek On Liberty: ‘De ontwikkeling van de mens in zijn rijkste verscheidenheid.’ Die individuele ontwikkeling is alleen mogelijk in een fatsoenlijke en beschaafde samenleving die geweld en vernedering heeft afgezworen en de strijd voor sociale rechtvaardigheid als bezielend beginsel heeft aanvaard.

Amerika (Europa dus) is het land van de individuele vrijheid, van gelijke kansen en van herverdeling van inkomens en vermogens, en kan als zodanig de ‘eerste klassenloze maatschappij’ vormen. De historische ironie wil dat miljoenen Europeanen eerder naar Amerika trokken om te ontsnappen aan de gesloten klassenmaatschappij op het oude continent. Maar inmiddels is zowel de rijkdom als de armoede in de VS erfelijk geworden en slagen sommige Europese landen, zoals de Scandinavische verzorgingsstaten, er beter in om de traditionele klassendrempels te slechten.

Rorty bevestigt dat de democratie geen vaste waarden of waarheden kent, zoals de wil van God, de morele wet, de wetten van de geschiedenis of de wetenschappelijke feiten. Ook de wil van het volk legt de politieke waarheid niet vast. De democratie is principieel onaf: het is de onafgebroken zoektocht naar een betere samenleving. Wat Rorty zegt over Amerika vertaal ik daarom graag naar ons utopische vaderland Europa: ‘You have to describe the country in terms of what you passionately hope it will become, as well as in terms of what you know it to be now. You have to be loyal to a dream country rather than to the one to which you wake up every morning.’ Het is dit gedroomde Europa dat wij tot het vaderland van onze vaderlanden moeten maken.


Dick Pels is socioloog en publicist. Deze week verschijnt zijn nieuwste boek Van welk Europa houden wij? bij uitgeverij Cossee