Waar ik sta

Kijk wat verder dan je eigen land. Het hele blik bekende Nederlanders is opengetrokken om me dit iedere dag een paar keer in te wrijven, met wanhopige Haïtianen op de achtergrond. Ik wil wel wat verder kijken, maar het kost me moeite. Net zoals de internationale schrijversconferentie iets ingewikkelds had, twee weken geleden tijdens het Winternachtenfestival in Den Haag.
We waren samen gekomen om te komen tot nieuwe regels van engagement. Dat was de opdracht. Vergeleken met hun collega’s in India, Indonesië, China en Libanon, laat staan Haïti, hebben Nederlandse schrijvers met andere grootheden te maken. Wat iets anders is dan dat ze het makkelijker zouden hebben. Want of je nu schrijft over martelingen, huiselijk geweld, dode lammeren of zoiets abstracts als macht, je moet het maar net kunnen. Schrijven bedoel ik.
Een oud literair dogma zegt dat het niet uitmaakt waaróver je schrijft, maar hóe je schrijft. Inmiddels is men - het is altijd een beetje onduidelijk in deze wie ‘men’ is, maar het mooie van literaire dogma’s is dat ze op hun hoogtepunt tot cliché zijn verworden en dat dan langzaam de tegenbeweging in gang wordt gezet - daarvan aan het terugkomen. Grote maatschappelijke thema’s, de armoede in de wereld, dood en verderf, discriminatie, geen schrijver mag ervoor weglopen.
Ik ben zelf nog niet helemaal zo ver om de oude stelregel los te laten, maar dat heeft meer met mijn opvatting van groot en klein te maken. Van de ellende in de diverse landen van herkomst van mijn collega-schrijvers was ik onmiddellijk overtuigd, maar dat was ik eigenlijk sowieso al, maar of ze ook een beetje goeie romans schrijven… Geen idee. Het lijkt een bijna decadente vraag.
Opvallend was dat alle niet-westerse schrijvers een gedeelde afkeer van fictie hadden. Of ze wantrouwden fictie, dat is misschien preciezer uitgedrukt. Uitputtend onderzoek doen, de waarheid vertellen, geen feiten met verzinsels mengen, naam en toenaam noemen, dit waren hun voornaamste regels van engagement. Mijn regels staken er wat povertjes bij af: precies zijn, open blik houden, nooit genoegen nemen met het voor de hand liggende, niet lui zijn. Vooral die precisie, waarmee ik niet bedoel dat een schrijver moet schrijven wat er gebeurt en waarom, maar waarmee ik wil zeggen dat hij oplettend is, niet gemakzuchtig, dat hij zich moet zien te verhouden tot de wrede chaos die nu eenmaal heerst, waar je ook bent.
Ik kan me voorstellen dat voor sommige schrijvers de werkelijkheid zich zo opdringt dat ze niet anders kunnen dan de strijd ermee aan te binden. We moeten vechten tegen macht en autoriteit, zei de Indiër, die wist dat hij bij thuiskomst weer bij de rechtbank werd verwacht. Ik heb problemen met het schrijven van fictie, zei de Indonesiër die een paar uur eerder had gehoord dat een van zijn kompanen was gestorven (vermoord?) in de gevangenis.
Ik moest mijn dochtertje naar bed brengen, verklaarde de Nederlander zijn late aankomst. Liefde is een kapitalistisch woord, zei de Chinese. Ik wil mijn vader begrijpen, zei een andere Nederlander. Hij had nog het geluk dat zijn vader niet-Nederlands was, en dat hij dus wist waar hij het moest zoeken.
Ik weet niet of ik mijn vader wil begrijpen, maar stel dat ik dat zou willen: ik zou niet weten waar te beginnen. Zozeer dringt het verhaal zich níet op. Ooit had ik een goede Molukse vriend. Ergens was ik wel jaloers op hem, hij had een echt verloren paradijs, zo begreep ik ten tijde van de treinkapingen, midden jaren zeventig vorige eeuw. Daar hoorde zelfs een president bij, de tengere ir. Manusama. Waar bevindt zich mijn paradijs? Achter het heggetje met de klapbessen in Tuindorp Oostzaan? Of op het betonnen balkon drie hoog achter in Amsterdam-Oost? Het land waar ik geworteld ben is zo klein en kabbelend dat de hele wereld mijn onderwerp is. Hoe die te vatten? Een van de grootste misverstanden in de literatuur is dat iemand die veel heeft meegemaakt, of op de een of andere manier getraumatiseerd is, een boek kan schrijven. Iedereen maakt veel mee, en is getraumatiseerd op eigen wijze, maar je moet er maar net oog voor hebben.
Des te verlichtender was de aanwezigheid van een zwarte dichteres uit Zuid-Afrika, Ronelda S. Kamfer. Ze zei niet zo veel, maar las wel wat voor. Waar ek staan heet het openingsgedicht van haar bundel Noudat slapende honde.

… soos goed opgevoede mense
Lag en eet ons saam
Maar êrens diep binnen my
Weet ek waar ek staan.

Het frappante was: waar zij stond, daar stond ik ook.