Waar is de liefdevolle vader?

Walter van den Berg schreef een klassieke Vatersuche © Neeltje de Vries

In Van dode mannen win je niet (2013) plantte Walter van den Berg het kiempje voor zijn nieuwe roman. Erik, een alcoholist met losse handjes, hield daarin een doorlopende monoloog tegen zijn voormalige stiefzoon Wesley. Hij herinnert zich hoe hij tegen Dimphy, Wes’ moeder, zijn beklag deed dat die jongen de hele dag op zijn kamertje zat, ‘maar zij vond dat je recht had op een eigen plek en je eigen ruimte in de breedste zin van het woord, zo zei ze het: in de breedste zin van het woord’.

In Ruimte is het 25 jaar geleden dat Dimphy en Wes in de Amsterdamse wijk Slotervaart op de bus stapten om te vluchten voor de gewelddadige buien van Erik. Tegenwoordig woont Wes in Londen, als bestsellerauteur van een wereldwijd succesvol zelfhulpboek, terwijl zijn moeder in een verzorgingstehuis vegeteert. Voor een tv-optreden in een populaire talkshow is hij twee dagen in Amsterdam. In de donkere hoeken van internet circuleert net een filmpje van een misplaatste grap die hij tegen een fan heeft gemaakt, maar hem is verzekerd dat het gesprek alleen over zijn roem zal gaan. Als hij in de uitzending toch ter verantwoording wordt geroepen, maakt hij het op een onwaarschijnlijke manier nog erger. Zijn blamage gaat viraal en de trial by media waarin Wes vervolgens terechtkomt, stort hem met een noodgang in een existentiële crisis.

Ruimte kun je met recht a helluva read noemen. Vanaf de eerste alinea word je krachtig in het bewustzijn van de personages gezogen door een soepel gebruik van de vrije indirecte rede, een literaire techniek waarbij vertellerstekst en persoonstekst in elkaar overlopen: ‘Ze stond in de kleine keuken van hun flatje en probeerde haar gedachten rustig te krijgen, waar moeten we heen, waar moeten we heen, maar ze kon niets bedenken. Ze had plastic tasjes in haar handen voor spullen, maar god, wélke spullen?’ Van den Berg heeft de gave om personages die van nature niet zulke praters zijn doorleefd neer te zetten, heel naturel maakt hij de pijn invoelbaar van het moeten verwoorden van een traumatische ervaring, die op zichzelf onuitsprekelijk is.

In Ruimte gaat het om de manier waarop Wes en Dimphy denken dat hun trauma hun leven bepaalt. Met een paar heldere beelden slaat Van den Berg dat trauma als een heipaal in het verhaal. ‘In de nacht is de muur het dikst’, herhaalt Wes de hele tijd, een zinnetje dat hij vroeger voor zichzelf heeft bedacht om de klappen niet te horen die zijn moeder kreeg als hij in bed lag. Het huiselijk geweld lijkt aanvankelijk de logische verklaring voor zijn introverte en afstandelijke persoonlijkheid, maar dat wordt steeds minder eenduidig. In een strakke regie wisselt Van den Berg het hedendaagse perspectief van Wes af met het chronologisch vertelde verleden vanuit de beleving van Dimphy. Met veelzeggende details laat Van den Berg gaandeweg sterker doorschemeren dat Erik Wes misschien wel beter zag dan Dimphy zelf – zo heeft ze geen idee of haar zoon zijn school wel heeft afgemaakt.

Vanaf het begin word je krachtig in het bewust-zijn van de personages gezogen

Naarmate de oorsprong van Wes’ botte gedrag diffuser wordt – want allemachtig, wat is dit bij vlagen een onmogelijk figuur – verschuift de empathie die je als lezer voor hem voelt. Hij is vooral intrigerend wanneer het onduidelijk is in hoeverre zijn gedrag nog te vergoelijken valt door zijn jeugd of dat hij zich gewoon opstelt als een egocentrische eikel die zich wentelt in zijn slachtofferrol.

Aan zijn zelfhulpboek is niets waarachtig, alle adviezen die hij daarin geeft heeft hij ooit zelf gekregen van zijn ex, Bloem. Voor zalen vol mannen in een crisis – in lijn met de tijdgeest zijn het incels, sociaal incapabele jongens wier levens zich op fora en in games afspelen en die daardoor tegen hun zin zonder seks zitten – verkondigt hij als een goeroe de inzichten die zij hem ooit tevergeefs probeerde aan te reiken: ‘Hij zei tegen de zaal dat iedereen waarde had. Jullie allemaal. Stuk voor stuk. Jullie verdienen de ruimte die jullie in moeten nemen. En jullie moeten die ruimte koesteren – dit is heel belangrijk, want jullie moeten ook koesteren dat jullie acties gevolgen hebben. Jullie ráken andere mensen met de dingen die jullie zeggen en doen.’

De ontwikkelingen zijn gecentreerd rond een van Wes’ volgelingen, die fundamenteel in hem teleurgesteld is geraakt omdat zijn adviezen niet werken. Uit de ellende waartoe dat leidt blijkt uiteindelijk dat Ruimte een klassieke Vatersuche is: de parallel tussen Wes en zijn ontgoochelde fan is dat ze allebei een liefdevolle vader missen.

Dat Wes niet snapt dat dát zijn werkelijke probleem is, vormt natuurlijk de ironie van de roman. Het is zijn ex Bloem – een slimme, invoelende maar tot zijn teleurstelling niet zo’n knappe vrouw – die hem op zijn blinde vlekken moet wijzen. Dat is al net zo klassiek als het vadercomplex, de reddende vrouw die dient tot zelfverwezenlijking van de man.

Ruimte blijft minder lang hangen dan je op basis van Van den Bergs schrijftalent zou verwachten. Dat heeft vooral te maken met de verklarende hamerzinnen die rechtstreeks uit het handboek hechtingsproblematiek lijken te komen. ‘Daar is het misgegaan, mam. Jij kreeg misschien de klappen, maar daar is het misgegaan met mij, want daar heb ik de muur gebouwd en die muur staat er nu voor altijd en ik krijg ’m nooit meer neer.’ Het zijn zinnen die denkend lezen in de weg staan. Kennelijk gunt de schrijver zijn personages meer ruimte dan zijn lezers.