Waar is de netpolitie?

WAAR KOMT TOCH die telkens terugkerende roep om nieuwe, beperkende wetgeving voor het Internet vandaan? Het lijkt wel of de irrationele angsten die honderd jaar geleden aan het anonieme grotestadsleven verbonden werden, nu worden geprojecteerd op het World Wide Web. De publiciteit rond de Zandvoortse kinderpornozaak toont weer eens aan dat de roep om wetgeving vaak omgekeerd evenredig is aan de expertise van de spreker. Zo beweerde voormalig minister van Justitie Hirsch Ballin in Nova dat er nieuwe wetten nodig zijn om de verspreiding van kinderporno op het Internet en ‘billboards’ tegen te gaan. Hij zal bulletin board systems hebben bedoeld, maar weet duidelijk het verschil niet.

Voor de goede orde: op Internet wordt niet op noemenswaardige schaal gehandeld in kinderpornografie, evenmin als in de supermarkt of op billboards op straat. Het World Wide Web is namelijk even toegankelijk als de openbare weg, en een verspreider van kinderporno zou wel gek zijn om de aandacht van het grote publiek en de autoriteiten op zich te vestigen door zijn waar uit te stallen op het stadsplein. De echte handel speelt zich af in de digitale krochten en uithoeken: op bulletin board systems (BBS'en, los van het Internet opererende computers) en babbelboxen (chatrooms op het Internet) die moeilijk toegankelijk zijn. Wie over het Web surft aan de hand van trefwoorden als ‘pre-teen’ stuit op websites vol onnozele kiekjes van jonge, deels naakte kinderen. De aanbieders beloven weliswaar hardcore plaatjes, maar daarvoor moet eerst worden betaald en vaak ook apart ingebeld.
Hooguit wordt er via het net op enige schaal kinderporno geruild, maar dan geschiedt de eigenlijke uitwisseling meestal via e-mail. Het net vervult de functie van een anonieme ontmoetingsplaats zoals je die in het echt in alle grote steden vindt. Bij het nalopen van de nieuwsgroepen van Usenet met de zoekterm 'young boys’ beland je bijvoorbeeld in de groep alt.bonehead.closet-pedophile.david-pearston. Reeds in het eerste bericht vraagt ene 'John’ om foto’s van jongens in de leeftijd van 11 tot 13 jaar, in ruil voor 'foto’s van mijn avonturen met twee jongens van zes’. Hij vermeldt een (ongetwijfeld vals) e-mail-adres, en het is de vraag of zijn plaatjes werkelijk pornografisch zijn. Niettemin kan zo'n contact uitmonden in serieuze deals, maar de grote handelaren zijn gewiekst genoeg om daarvoor uit te wijken naar andere plekken. De Ierse psychologe Rachel O'Connell inventariseerde enige kinderpornogroepen en kwam tot de conclusie dat zij 'nomadische bewegingen’ vormen, die in georganiseerd verband van groep naar groep trekken en nergens langer dan een paar weken blijven hangen.
NIETTEMIN IS HET mogelijk om deze lieden op te sporen en te vervolgen in de driedimensionale wereld. Ook de Duitser Gerry Ulrich, die met zijn partner Robbie van der P. het met veel misbaar opgerolde Apollo-netwerk in Zandvoort dreef, handelde via een BBS maar was in principe te pakken lang voordat de Belgische werkgroep Morkhoven zijn netwerk infiltreerde. 'Ulrichs BBS staat nog steeds genoteerd, het abonnementsgeld bedroeg tien dollar per maand’, zegt Christine Karman, woordvoerster van het Internet Meldpunt Kinderpornografie. 'Zijn naam komt ook voor op talloze andere BBS-lijsten. En er zijn er waarschijnlijk veel meer zoals hij. Een eenvoudig onderzoekje van een paar dagen, dat niet meer dan enige honderden guldens hoeft te kosten, zou een hele rits zaken van vergelijkbare omvang kunnen opleveren. Helaas hebben politie en Justitie het te druk met andere dingen.’
Het steekt haar dat Justitie het Meldpunt, in 1996 opgericht door de Internet-providers, nu als alibi gebruikt. In wezen doen de medewerkers politiewerk, terwijl de opsporing van de boosdoeners achterwege blijft. Op de website van het Meldpunt maken oppassende surfers melding van verdachte beelden. De medewerkers trekken in hun vrije tijd en op eigen kosten alle meldingen na. Als het gaat om onmiskenbare kinderporno wordt de verspreider gesommeerd het materiaal binnen 24 uur te verwijderen, anders volgt aangifte.
Het is een verre van ideale oplossing. De verspreider wordt alleen gewaarschuwd, en omdat ingrijpen van Justitie uitblijft, gaat hij zich op den duur veiliger voelen. Het Meldpunt denkt er dan ook over om zichzelf maar op te heffen. 'Vroeger kregen we vijf meldingen per week, nu vijf per dag’, zegt Karman. 'Die stijging komt deels door de toegenomen publiciteit, maar ik heb ook de indruk dat er het afgelopen jaar meer kinderporno wordt aangeboden. De publiciteit vestigt namelijk weer de aandacht op de mogelijkheden van het net.’
DE LAKSHEID VAN Justitie staat in schril contrast met de gruwelijke beelden die Karman onder ogen krijgt. Ze krijgt sinds kort ook meldingen over Nederlandse kinderlokkers. Deze hawks, zoals zij in jargon heten, bewegen zich juist wél op het openbare gedeelte van het net, vooral in nieuwsgroepen voor kinderen. Via e-mail of een bericht in zo'n nieuwsgroep benaderen zij kinderen voor een afspraakje. In Amerika is hawking een erkend probleem. FBI-agente Linda Hooper infiltreerde vorig jaar in een nieuwsgroep van 23 kinderen en ontdekte dat de 22 andere 'jongelui’ allemaal volwassenen waren die seksueel contact met haar wensten. In Nederland wordt van officiële zijde niet eens gewaarschuwd tegen deze praktijk.
'De politie heeft geen budget en geen expertise voor de bestrijding van computercriminaliteit, behalve als het gaat om high-tech finance of drugszaken, want daarin gaat veel geld om’, aldus Fred Eisner, voorzitter van de Nederlandse vereniging van Internetproviders NLIP. 'De wil is zeker aanwezig, vooral bij de Amsterdamse zedenpolitie en sommige medewerkers van de Centrale Recherche Informatie (CRI). Maar ze krijgen de tijd en de middelen niet. En het Openbaar Ministerie loopt nog verder achter. Hogerop in de hiërarchie heeft kinderporno geen prioriteit.’
Namens hun organisaties stuurden Karman en Eisner daarom een brandbrief aan de paarse informateurs waarin zij om 'structurele aandacht’ voor het probleem vragen. Het concept-regeerakkoord besteedt er echter geen woord aan.
Karman pleit voor een cybersquad naar Amerikaans voorbeeld. 'Met een klein, goed opgeleid team met voldoende Internet-expertise én opsporingsbevoegdheid kun je negentig procent van alle verspreiders in Nederland opsporen. Vorige week bijvoorbeeld kreeg ik twee meldingen binnen, waarschijnlijk over één en dezelfde persoon. Na een uurtje zoeken had ik al zijn persoonsgegevens.’
Hoe makkelijk het is, demonstreert Karman in enkele minuten. Ze klikt het postvakje van het Meldpunt open en bekijkt enige meldingen. De eerste twee verwijzen naar websites met plaatjes die bij wijze van spreken uit de Wehkampgids geknipt kunnen zijn. 'Dat is dus geen kinderporno’, zegt Karman gedecideerd: 'We reageren alleen op afbeeldingen van kinderen onder de zestien tijdens seksuele handelingen of in seksueel provocerende poses.’
De derde melding is raak. Op het scherm verschijnen foto’s van jongens van hooguit vijftien jaar die elkaar betasten. De poses zijn krampachtig, sommigen hebben halfgesloten ogen en openhangende monden. 'Kijk’, wijst Karman: 'Die twee zijn mogelijk gedrogeerd. Dat gebeurt nogal eens. Het komt zelfs voor dat kinderen in dergelijke houdingen worden gefotografeerd terwijl ze al dood zijn. Deze melding gaat dus naar de politie.’ Met enkele handgrepen brengt ze de relevante gegevens tevoorschijn uit de openbare domeinregistratie: naam, adres, telefoonnummer en bankrekening van de exploitant van de website en van twee van zijn naaste medewerkers. En dat alles zonder bijzondere software of hulp van derden. Waarom doet de politie dit werk niet gewoon?
'Ik krijg regelmatig meldingen, maar ik doe er meestal niets mee’, zegt Jaap Hoek, coördinator kinderpornografie bij de Amsterdamse zedenpolitie. 'Ik heb geen middelen en er is geen landelijke coördinatie bij de opsporing. Ik heb niet eens een computerprogramma dat er geschikt voor is. Wij werken hier nog met WP5, dan weet u het wel. Ik heb vorig jaar welgeteld één zaak afgehandeld die tot een veroordeling leidde. Het grootste probleem is dat de Nederlandse aanbieders van kinderporno gebruik maken van Internet-providers buiten hun politieregio. De gebrekkige samenwerking tussen de regio’s, waarvan sommige geen enkele belangstelling voor kinderporno hebben, maakt opsporing ondoenlijk. En het zou zo simpel zijn. Als het nieuwe artikel 240b, dat het bezit van kinderporno onder alle omstandigheden strafbaar stelt, een beetje wordt aangescherpt, kunnen we zo aan het werk.’
Dat vindt ook Eisner: 'Er is helemaal geen nieuwe wetgeving nodig, de bestaande wetten zijn afdoende. Ze moeten alleen gehandhaafd worden. Er moet op het Internet surveillance plaatsvinden en overtreders moeten worden opgespoord en vervolgd, net als in de echte wereld. Dat is alles wat wij vragen.’
'HET IS NIET ZO dat er niets gebeurt’, zegt de woordvoerder van Justitie aarzelend. Hij somt de laatste initiatieven op: voorstellen voor nieuwe wetgeving, een onderzoeksprogramma 'Moord en zeden’ bij de CRI en een werkgroep kinderpornografie onder leiding van de Haagse officier van justitie Josien Mooijen. Maar diezelfde Josien Mooijen noemde vorige maand in NRC Handelsblad het voorstel van de providers voor een landelijk team 'naïef’. Het is de vraag waar zij haar kennis vandaan haalt. Het Meldpunt heeft zelfs nog nooit contact met haar gehad. Mooijen is niet bereikbaar voor commentaar. 'Ik heb zojuist uitvoerig overleg met haar gehad’, zegt de woordvoerder van het OM, 'en we hebben besloten dat zij niet meer praat met de pers. Zij is namelijk nog niet ingevoerd en er is bij Justitie nauwelijks expertise voorhanden op dit terrein.’
En waarom geeft de CRI de meldingen van Karman en consorten niet door aan de korpsen? Alle CRI-medewerkers moeten helaas in opdracht van hogerhand zwijgen omdat er momenteel kamervragen over de kwestie liggen. De voorlichtster van de CRI heeft er hoorbaar moeite mee. Ze benadrukt dat de CRI bezig is met een database voor het programma 'Moord en zeden’ en dat kinderporno daar ook onder valt. Maar de leider van het programma, Henk Hagen, liet nog niet zo lang geleden in de pers weten dat hij kinderporno op Internet van geen belang vond. De CRI-voorlichtster kan zich dat niet voorstellen. 'Jawel’, zegt Karman: 'Hagen heeft vorige maand op een Interpol-conferentie in Lyon nog letterlijk tegen mij gezegd dat kinderporno in Nederland geen prioriteit heeft en kinderporno op Internet al helemaal niet.’
'De houding van Hagen zegt een heleboel over de aandacht voor kinderporno’, meent Hoek: 'Tot 1992 heb ik moeten vechten om politie en Justitie duidelijk te maken dat kinderporno een probleem was. Dat werd niet eens onderkend. Er zijn natuurlijk veel zaken die allemaal aandacht vragen. Schiphol, files, allemaal heel belangrijk en dringend. Maar als je niet eens wilt weten hoe er in je directe omgeving met kinderen wordt omgesprongen, dan heb je je hart niet op de goede plaats.’
DOOR ALLE commotie gaan er steeds meer stemmen op voor wetgeving die de vrijheid van meningsuiting op het Internet beknot. Het Amerikaanse voorbeeld doet helaas goed volgen. FBI-directeur Louis Freeh en conservatieve Amerikaanse politici laten geen gelegenheid voorbijgaan om kinderporno op Internet te gebruiken als aanleiding voor nieuwe wetten en controlemechanismen.
'Politici willen problemen altijd oplossen met wetgeving. Mijn angst is dat er weer een wetgevingstraject ontstaat terwijl de bestrijding stilligt’, zegt Karman. Eisner voorziet dat de geharnaste reacties in Frankrijk en Duitsland op de ontmanteling van het Zandvoortse netwerk ertoe leiden dat de zaak weer op de Europese agenda komt te staan: 'Juist door het uitblijven van effectieve vervolging wordt de roep om repressie aangewakkerd.’