China zonder echte vader

Waar is de Oude Roerganger?

Han Deqiang zal binnenkort door de Chinese autoriteiten ‘op de thee’ worden gevraagd, narrig als ze zijn wegens zijn kritiek op de staat. Bij ontstentenis van een held als Mao is de staat volgens de professor in bureaucratische lethargie vervallen.

Voor het moment staat professor Han Deqiang even bekend als Mao Zedongs meest getrouwe zoon, maar hoe hij zich in die positie werkte is iets waar niet iedereen in China waardering voor heeft. De officiële pers struikelde in de afgelopen maanden over zichzelf om hem de wind van voren te geven en bij het brede publiek lijkt hij ook al geen goed te kunnen doen. ‘Een huichelaar en een betweter’, noemde een boze commentator hem onlangs op televisie. ‘Een onbeschofte vlerk die denkt dat hij nog in de Culturele Revolutie leeft.’

Misschien had hij inderdaad gewoon beter veertig jaar eerder geboren kunnen zijn, want tijdens de Culturele Revolutie zou Han ­Deqiangs gedrag waarschijnlijk nauwelijks zijn opgevallen en was hij hoogstens aangemerkt als een matig prijzenswaardige revolutionair. Op het hoogtepunt van de protesten in september tegen de Japanse plannen om de omstreden Diaoyu/Senkaku-eilanden te nationaliseren, sloeg de radicaal linkse hoogleraar een tachtigjarige man in z’n gezicht omdat hij zich laatdunkend uitliet over Mao Zedong. Ooit inderdaad een dertien-in-een-dozijn incident. Nu, in het moderne China, leidde het wel degelijk tot een golf van verontwaardiging. De snel geagiteerde professor kreeg slechts steun vanuit de radicale krochten en gaten van het internet. Van een groepering die in China bekendstaat als Nieuw Links.

Dat lijkt een hele buiteling voor de ooit onaantastbare Mao Zedong. Want dat een spottende bejaarde het in de publieke opinie van hem kan winnen was eerder uiteraard ongehoord. Maar betekent het ook dat de oude roerganger langzamerhand in de moderne maatschappij van zijn voetstuk glijdt? Is de Mao-cultus dan toch aan zijn laatste dagen toe en wordt binnenkort misschien zelfs zijn gebalsemde lijk uit het mausoleum op het Plein van de Hemelse Vrede verwijderd?

Het zijn vragen waar sociaal commentator Wu Qiang weinig geduld mee blijkt te hebben. ‘Natuurlijk niet. Dergelijke dommigheid kan alleen een naïeve westerling zich in zijn hoofd halen’, zegt hij. ‘Hoogstens kun je zeggen dat de maatschappij burgerlijker wordt en dat acties zoals die van Han Deqiang niet langer meer worden getolereerd. En hoewel we tegenwoordig anders naar hem kijken is het respect voor Mao onverminderd. Is hij een vaderfiguur? Ja natuurlijk. Een van de belangrijkste zelfs die China ooit heeft gehad.’

In het begin van de jaren zestig omschreef de Amerikaanse schrijver Edgar Snow Mao’s allure aldus: ‘Wat Mao zo formidabel maakt is dat hij niet gewoon een partijbaas is, maar door vele miljoenen Chinezen werkelijk wordt beschouwd als leraar, staatsman, strategicus, filosoof, gelauwerd dichter, nationale held en pater familias. Voor hen is hij Confucius plus Lao Tse plus Rousseau plus Marx plus ­Boeddha.’ Na zijn dood kwam in dat soort ademloze superlatieven langzaam de klad en kwam hij in rustiger vaarwater met termen als ‘filosoof-koning’ en vooral ‘vader des vaderlands’. Voor dat laatste bestaat de Chinese term Fumu Guan. De juiste, maar onhandelbare vertaling daarvoor is: ‘vader-moeder heerser’.

Professor Han Deqiang blijkt niet moeilijk te vinden. Ironisch genoeg geeft hij les in business management aan de Luchtvaart Hogeschool in Peking. Hij is maar al te graag bereid te praten. En dat nog wel in een heus Mao-pak, als een acteur in een Chinees revolutionair televisiedrama. De mandarijnenkraag omhoog en een bijbehorend Mao-speldje op de revers. Met de vraag of hij dat in het dagelijks leven ook draagt voelt hij zich duidelijk wat verlegen, maar over zijn politieke ideeën is hij daarentegen opvallend mededeelzaam. Ietwat te mededeelzaam misschien zelfs als hij het welzijn van hemzelf en zijn gezin in de gaten wil houden. Want met wat hij zegt lijkt het zeker niet uitgesloten dat Han Deqiang binnenkort door de autoriteiten ‘op de thee’ wordt gevraagd, zoals de uitdrukking hier gaat.

‘Voorzitter Mao is de vader van het land en zijn ideeën zijn het fundament waarop de samenleving werd gebouwd’, zegt hij. ‘China functioneert niet zonder een sterke man zoals de voorzitter en dat blijkt nu maar al te duidelijk. Onder aanmoediging van de partij worden de rijken steeds rijker over de ruggen van de armen. De huidige communistische partij is totaal verrot en corrupt en sleurt dit land naar de afgrond. Als we niet binnen vijf jaar terug­keren naar Mao’s beginselen, dan is het afgelopen. Het proletariaat schreeuwt om gerechtigheid en dat kan niet langer meer worden veronachtzaamd. De toekomst van dit land, van onze kinderen is in het geding.’

Nu is Peking uiteraard zeker niet gewend voor de laatste maal te worden gewaarschuwd door een of andere professor, en als antwoord op de vraag waarom hij dit soort dingen zo openhartig durft te zeggen komt hij al weer met Mao aan. ‘Ten eerste hebben we volgens de wet vrijheid van meningsuiting en ofschoon de partij totaal corrupt is, durft zij Mao’s leer niet compleet los te laten. Dat doet ze tenminste niet openlijk en daarin ligt mijn bescherming. Ik beroep me op Mao’s woord, de grondslag van de partij.’

Van de mythische en waarschijnlijk apocriefe Gele Keizer (2697-2597 voor Chr.), Qin Shihuang (259-210 voor Chr.) en Han Wudi (156-87 voor Chr.) tot aan Sun Yat-sen en Mao Zedong: China is dan ook wel echt het land van de sterke mannen en vaderfiguren. Daar heeft zes decennia communisme helemaal niets aan veranderd.

In de confuciaanse wereld zijn alle relaties ongelijkwaardig en ethiek eist dat dat sociaal wordt gerespecteerd. Zeker in ieder geval in het openbaar. Dus krijgt de oudere automatisch respect van de jongere, de oudgediende van de nieuwkomer, de baas van de werknemer, de sterkere van de zwakkere. De vaderfiguur moet op zijn beurt het sociaal welzijn van zijn kring behartigen en hoge politieke leiders ­worden tijdens nationale rampen dan ook steevast ­neergezet als goede vaders die hun kinderschare door donkere tijden loodsen. Een rol waar iedere opkomende leider zich in bekwaamt. President en partijleider Hu Jintao speelde die dan ook met overgave in 2008 na de ­dodelijke aard­beving in de provincie Sichuan. Maar ­buiten het rituele aspect – het doen alsof – is er in de brij van het moderne collectief leiderschap absoluut geen plaats voor een echte praktische doortastende Fumu Guan. Daar ligt de crux van de kritiek van Han Deqiang en Nieuw Links.

Zonder revolutionaire vader die volk en politiek geestdriftig op de tenen houdt, verzandt de partij in bureaucratische lethargie, zoals dat gebeurde bij iedere voorgaande dynastie, en stort de zaak uiteindelijk vanzelf ineen.

‘Je kunt zeggen wat je wilt’, zegt de intellectuele topman van Nieuw Links, Wang Hui, ‘maar Mao hield de maatschappij in constante beweging en hij gaf bureaucraten geen enkele kans. De politiek en de partij opereerden buiten het domein van de staat en dat maakte dat de maatschappij in een constante stroom­versnelling verkeerde. Nu is de partij simpelweg de staat. De een is de ander en daarmee is het politieke proces compleet gebureaucratiseerd en verstard.’

Dus wacht Nieuw Links nu ongeduldig op een nieuwe Fumu Guan die in staat zal zijn de koppen tegen elkaar te slaan. Eigenschappen die zeker in het conformistische China niet voor het oprapen liggen, maar het toeval wil dat naar de mening van velen juist in de afgelopen tijd een meer dan veelbelovende kandidaat aan de horizon verscheen. Een man die op lokaal gebied een machtig links populistisch netwerk wist op te bouwen en die zich dit jaar opmaakte om Peking te bestormen. Een man ‘zo groot als Mao wilde zijn’, aldus Han Deqiang. Zijn spectaculaire val dit jaar was maandenlang wereldwijd topnieuws. Bo Xilai, de voormalige partijchef van de metropool Chongqing, verloor zijn partijlidmaatschap en wordt juridisch vervolgd op beschuldiging van corruptie en machts­misbruik. Zijn vrouw werd veroordeeld tot een voorwaardelijke doodstraf vanwege de moord op een Engelse zakenman.

‘De waarheid is dat de partij bang was voor Bo Xilai. Bang voor zijn daadkracht en zijn populariteit. Om die reden hebben ze hem laten struikelen’, zegt Han. ‘Hij had een werkelijke Fumu Guan kunnen zijn. De eerste echte na Mao Zedong.’