SCHRIJVENDE VROUWEN: EEN KLEINE LITERATUURGESCHIEDENIS VAN DE LAGE LANDEN (1880-2010)

Waar is Heleen van Royen?

Zo vanzelfsprekend als vrouwen tegenwoordig deel van de literaire wereld uitmaken, als auteur maar ook als criticus en uitgever, zo marginaal was hun positie in vroeger tijden.

Thomas Vaessens, Jacqueline Bel (red.), Schrijvende vrouwen. Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen (1880-2010), € 29,50
Thomas Vaessens, Jacqueline Bel Lia van Gemert (red.), Women’s Writing from the Low Countries 1200-1875, € 29,50
Thomas Vaessens, Jacqueline Bel(red.), Women’s Writing from the Low Countries 1880-2010, € 29,50
Thomas Vaessens, Jacqueline Bel, Lia van Gemert (red.), Women’s Writing from the Low Countries 1200-1875 én 1880-2010 (twee delen), € 45,-

Medium schrijvende vrouwen

Berta Jacobs, Cornelia Teellink, Maria Petyt, Barbara Ogier. Wie heeft er ooit van gehoord? Of van Titia Brongersma , Lucretia Wilhelmina van Merken, Jeanette Delcroix? Het zijn schrijvers uit de Middeleeuwen, uit de Gouden Eeuw of nog later. Vrouwelijke schrijvers. En daarom zijn het voor velen vergeten schrijvers.
Deze vrouwen staan centraal in Women’s Writing from the Low Countries, een Engelstalige ‘anthology’ in twee delen. Het eerste deel, ruim zeshonderd bladzijden, richt zich op de periode tot 1875, het tweede is beperkter van omvang en vangt (vreemd genoeg) in 1880 aan en loopt tot 2010. Beide boeken zijn bedoeld voor een Engelstalig publiek dat kennis wil maken met de Nederlandse schrijfsters. Van het laatste boek is een Nederlandse versie verschenen, getiteld Schrijvende vrouwen: Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen.
Het eerste deel biedt een fascinerend beeld van de opkomst van vrouwelijke auteurs in de Nederlanden. In een vijftigtal hoofdstukken worden verschillende auteurs biografisch en literair-historisch gekarakteriseerd, waarna een of meer tekstfragmenten volgen. De hoofdstukken zijn geschreven door specialisten, maar bedoeld voor een breed publiek. In een uitgebreide inleiding schetsen de redacteuren mooi de grote lijnen van bijna zeshonderd jaar 'vrouwenliteratuur’.
Zo vanzelfsprekend als vrouwen tegenwoordig deel uitmaken van de literaire wereld, als auteur maar ook als criticus en uitgever, zo marginaal was hun positie in de Middeleeuwen. Wel waren ze vaak betrokken bij het ontstaan van literatuur, bijvoorbeeld als opdrachtgeefster van hoofse romans. Zo schreef Chrétien de Troyes eind twaalfde eeuw zijn beroemde roman over Lancelot onder het mecenaat van Marie de France, gravin van Champagne. Zulke vrouwen komen in dit boek niet aan bod. Het richt zich uitsluitend op auteurs. Een geheel representatief beeld van de rol van vrouwen in de literaire wereld biedt het dus niet.
Als auteur vertolkte de vrouw in de Middeleeuwen vaak de 'stem van stilte’. De wereld van het schrift was het exclusieve domein van de man, alleen bereikbaar door een kerkelijke opleiding of een universitaire studie. Vrouwen waren niet welkom aan beide instituten. Daarom, zo schrijven de redacteuren in de inleiding, was schrijven in deze periode per definitie een gendered activity. Zij die wel schreven, zoals Hadewijch of Beatrijs van Nazareth, hadden vaak een privé-opleiding genoten, omdat ze uit een goede familie kwamen. Hun religieuze literatuur had een heel eigen karakter. Ze schreven over het verzaken van de wereld, over hun liefde voor God, en ze deden dat op een zeer gestileerde manier, waarbij ze nieuwe woorden en literaire vormen aan het Nederlands toevoegden. Hun publiek bestond grotendeels uit gelijkgestemde vrouwen die in de teksten inspiratie vonden voor hun eigen mystieke levenswijze. Het is literatuur voor en door vrouwen.
Deze traditie van religieuze vrouwenliteratuur zette zich voort in de Moderne Devotie, een armoedebeweging die grote aantrekkingskracht had op vrouwen en waarin het geschreven woord een belangrijke rol speelde. Ook Berta Jacobs (1427-1514), wel bekend als Suster Bertken, sluit bij deze 'stroming’ aan. Zij liet zich op dertigjarige leeftijd inmetselen in een kluis aan de Buurkerk in Utrecht. Daar verbleef ze tot haar dood, op bijna negentigjarige leeftijd. Haar oeuvre bestaat uit spirituele teksten, bijvoorbeeld over de passie van Jezus Christus, en enkele prachtige geestelijke liederen.
Na de Middeleeuwen veranderde de positie van de vrouwelijke schrijver, zij het erg langzaam. Onder de rederijkers treft men wel dichteressen aan, zoals de getalenteerde Anna Bijna, maar ze bleven uitzonderingen. Literatuur was een mannenzaak, ook in de eeuwen die volgden. Wel stonden mannen liberaler tegenover vrouwelijke auteurs. In de zeventiende eeuw werden zij gezien als een teken dat de Nederlandse cultuur volwassen was, een cultuur die in de jonge Republiek moest worden bevochten en gekoesterd. Nationalisme bood zo openingen voor de emancipatie van de vrouw als auteur.
Vrouwen bereiken in deze periode een groter publiek. Niet meer is hun literatuur bedoeld voor een select groepje van religieuze vrouwen. Ook door mannen worden ze gelezen. De zussen Anna en Maria Tesselschade Roemer Visscher illustreren de veranderingen. Als dochters van een rijke koopman kregen ze een goede opleiding, met aandacht voor muziek, vreemde talen en zelfs zwemles. Hun literaire ambities waren groot, te zien aan hun verfijnde werken: sonnetten, emblemen, vertalingen van Italiaanse werken. Ze hadden hechte contacten met zeventiende-eeuwse geleerden en auteurs, mannen dus. Die zouden Anna prijzen als de Nederlandse Sappho. Maar ondanks al die lof en roem zijn beide zusters in hun tijd nooit officieel gepubliceerd. Hun geschriften zijn pas in de negentiende eeuw gedrukt. Achteraf vormen ze een hoogtepunt in de literatuurgeschiedenis, maar ze moesten wel 'ontdekt’ worden.
In de achttiende eeuw nemen en krijgen vrouwen steeds meer vrijheid om te schrijven over uiteenlopende onderwerpen. Politieke thema’s schuwen ze niet, en ook wetenschappelijke en filosofische teksten verschijnen. Een mooi voorbeeld is Petronella Johanna de Timmerman (1724-1786), een schrandere Zeeuwse die zich had verdiept in de grote Verlichtingsdenkers. Ze verzamelde wetenschappelijke instrumenten en schreef een gedicht waarin ze betoogde dat astronomische verschijnselen door mathematische wetten werden bepaald. Overigens waren sommige vrouwen minder gediend van deze verlichte levenshouding. Een auteur als Katharina Schweikhardt (1776-1830), levensgezellin van Willem Bilderdijk, had een conservatievere kijk op de 'Vrouwenbestemming’. Ook Geertruida Bosboom-Toussaint (1812-1886), auteur van avontuurlijke historische romans, was terughoudend over de rol van de vrouw in de maatschappij. 'Wij willen voor haar invloed in het gezellig, maatschappelijk maar bovenal in ’t huiselijk leven’, zo wordt zij in de inleiding geciteerd.
Maar een auteur als Bosboom-Toussaint, een van de eerste Nederlandse schrijfsters die van haar pen kan leven, toont tegelijkertijd dat de tijden zijn veranderd. Zoals vrouwelijke schrijvers als Hadewijch een nieuwe stijl en thematiek aan de middeleeuwse literatuur schonken, zo vernieuwen in deze periode vrouwen de literatuur nogmaals. Het zijn twee vrouwen, Wolff en Deken, die met Sara Burgerhart (1782) aan de wieg staan van de moderne romantraditie in de Nederlanden. Sommige auteurs schrijven bestsellers, zoals Margareta Geertruid van der Werken met De kleine Grandisson (1782), een avontuurlijk jeugdboek dat in Europa ontzettend populair werd. Helaas voor de auteur niet onder haar eigen naam. Haar roem zou dan ook gering zijn.
De kracht van Women’s Writing from the Low Countries 1200-1875 ligt in de combinatie van bloemlezing en studie. De leesbare maar degelijke inleiding plaatst de schrijfsters in een brede literaire context en gaat in op de maatschappelijke en historische dimensie van de positie van de vrouw. Je beseft hoe uniek en lastig de positie van deze schrijvers is geweest. De bloemlezing maakt nieuwsgierig naar leven en werk van deze bijzondere dames.
Heel anders is de opzet van Women’s Writing from the Low Countries 1880-2010. Hoewel dit boek expliciet als anthology wordt aangekondigd en verschijnt in de reeks 'Amsterdam Anthologies’ is het geen bloemlezing, maar een verzameling van vijftig essays. De Engelstalige lezer wordt echter voorgehouden dat hij wel een anthology koopt, ook getuige de achterflap, die stelt dat vijftig teksten worden gepresenteerd 'accompanied by brief introductions, chronologies, and brief guides to the authors and works’. Niets is minder waar, en in de Nederlandse bewerking van het boek wordt dan ook niet gerept van dit bloemlezingkarakter.
Maar wat is Schrijvende vrouwen: Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen dan wel voor een boek? In ruim vijftig beschouwingen, door verschillende letterkundigen, passeren uiteenlopende Nederlandse en Vlaamse schrijfsters de revue. De nu bijna vergeten Vlaamse Virginie Loveling (1836-1923) mag de bundel openen, Naima el Bezaz (1974) sluit haar af. Daartussen komen bekende namen aan bod, als Henriette Roland Holst, Ida Gerhardt, Hella S. Haasse, maar vooral minder bekende, zoals Augusta de Wit, Rose Gronon, Maria Rosseels. De stukken tonen dat de emancipatie van de vrouwelijke auteur alleen maar groter is geworden. Niet alleen geestelijke liefde, ook erotiek wordt een onderwerp waarover openlijk geschreven kan worden. En vrouwen nemen stelling in publieke debatten, zoals Anna de Savornin Lohman (1868-1930), die in haar oeuvre christelijke politici verguist die hun macht niet wilden afstaan en geneigd waren tot 'schaamteloze concessies’, zoals Ernstine van der Wall het formuleert. Hoewel vrouwen zelfstandiger werden als schrijver bleven ze vaak afhankelijk van mannen die de literaire wereld domineerden. Dat illustreert Annie Salomons (1885-1980), journalist, romancier en dichter. Het was een man die haar talent ontdekte en haar introduceerde in het literaire circuit. Hetzelfde geldt voor Carry van Bruggen (1881-1932), die door haar broer in contact werd gebracht met kunstenaars en schrijvers. De drempels bleven bestaan, kruiwagens bleven nodig.
Het is jammer dat zoiets in Schrijvende vrouwen nergens wordt uitgewerkt, in tegenstelling tot het boek over de periode voor 1875. De afzonderlijke essays zijn interessant en goed geschreven, hoewel soms erg kort en met summiere informatie over levensloop en oeuvre, maar als geheel roept dit boek wel vragen op. Op welke wijze is er samenhang tussen de besproken schrijfsters? Kun je het werk van Nederlandse vrouwelijke schrijvers van na 1880 als een traditie beschouwen? Hoe hebben maatschappelijke veranderingen hun schrijverschap beïnvloed, en bestaan daarin verschillen? Zulke vragen worden wel beantwoord in het deel over de periode voor 1875. Wie daarvan de circa veertig bladzijden tellende inleiding leest, begrijpt waarom vrouwelijke schrijvers een eigen literatuurgeschiedenis verdienen. Omdat zij nu eenmaal een unieke, bijna onmogelijke positie hadden, in de samenleving en in de literatuur. En omdat zoiets leidde tot een eigen publiek, tot eigen thema’s en een karakteristiek taalgebruik. Maar hoe zit dat voor de negentiende en twintigste eeuw?
In de vijf bladzijden die Schrijvende vrouwen introduceren, wordt op deze vragen niet serieus ingegaan. Daar wordt gesteld: 'We hebben ervoor gekozen het belangrijkste selectiecriterium (de auteurs moeten vrouw zijn) niet op de voorgrond te plaatsen.’ Een merkwaardige uitspraak. De bundel wordt immers geheel gemotiveerd door het feit dat de besproken schrijvers vrouw zijn. Maar daarover wordt in de inleiding niet gereflecteerd. Dat is jammer. Ook voor de recentere tijd is de ontwikkeling van de literatuur en maatschappelijke positie van vrouwelijke schrijvers interessant. Bovendien speelt daarbij de vraag in hoeverre vrouwelijke schrijvers een eigen geschiedenis en traditie delen, zeker in de tweede helft van de twintigste eeuw. Is hun vrouwelijkheid nog wel een relevante onderscheiding? Neem willekeurige schrijfsters als Hella S. Haasse, Ida Gerhardt, Mensje van Keulen en Naima el Bezaz. Hebben ze elkaar beïnvloed, delen ze motieven? Is hun literatuur te scharen onder één noemer, zoals migrantenliteratuur of koloniale literatuur, stromingen met een eigen karakter en traditie? Zulke vragen blijven helaas geheel buiten beschouwing in deze 'kleine literatuurgeschiedenis.’
Ook bij de gekozen schrijvers kan men vraagtekens zetten. Anne Frank wordt bijvoorbeeld besproken, omdat haar werk past 'in de brede begripsbepaling van “literatuur” die ons voor ogen stond’, zo stellen de redacteuren. Er is niets mis met het besluit om Anne Frank als literator te behandelen. Maar volgens die brede begripsbepaling van literatuur zijn er meer interessante auteurs te bedenken, en die krijgen geen aandacht. Waar is de chicklit? Waar is Heleen van Royen, een van de populairste Nederlandse schrijfsters ooit, die bovendien haar vrouwelijkheid thematiseert en inzet in de media? Waar zijn de schrijfsters van dat nieuwe genre van de 'literaire thriller’, zoals Simone van der Vlugt en Saskia Noort, die vaak schrijven over vrouwen en populair zijn onder vrouwen?
Juist deze schrijvers vormen fantastisch materiaal voor een geschiedenis van de vrouwelijke schrijver vanuit historisch perspectief. Maar in Schrijvende vrouwen is hun stem nog stiller dan die van middeleeuwse schrijfsters ooit is geweest. Door de geringe reflectie over de literair-historische aspecten van het vrouwelijke schrijverschap en de merkwaardige selectie doet dit boek het verschijnsel van de schrijvende vrouw dan ook te kort, zeker vergeleken met het degelijke Women’s Writing from the Low Countries 1200-1875. En dat leidt tot een paradoxale situatie. Weliswaar kent de hedendaagse schrijfster een ongekende artistieke vrijheid, het zijn haar beknotte zusjes uit voorbije eeuwen die nu de meeste belangstelling oproepen.

JACQUELINE BEL, THOMAS VAESSENS
SCHRIJVENDE VROUWEN: EEN KLEINE LITERATUURGESCHIEDENIS VAN DE LAGE LANDEN (1880-2010)
Amsterdam University Press, 320 blz., € 29,50