Marjolijn van Heemstra , De laatste Aedema

Waar is het lijk?

‘Wij zijn begonnen in 1023. 987 jaar lang hebben wij ons ingezet, overleefd, gevochten, gewerkt, gedacht en doorgegeven.’ Het geslacht leverde ridders op, ministers, en dan houdt het op: studente Loina van Aedema is de 32ste Loina van Aedema (33 als je de boerderij meerekent waarnaar ze ooit vernoemd zijn) en de laatste van haar lijn. Geen broers die de titel kunnen doorgeven, ouders overleden, oom onvruchtbaar.

Medium 9789023467403

Haar oom Samson leeft nog, maar verder niemand. Zij zal straks de laatste zijn die in de familietombe in Friesland zal worden bijgezet. Het is haar oom die haar permanent schoolt over wat het betekent om van adel te zijn. Het is een vanzelfsprekendheid, zei hij, ‘van kijken, bewegen, leven. Dat is aangeboren, dat kun je niet veinzen.’ Hij probeert bij een hogere instantie te regelen dat Loina als vrouw toch de titel mag doorgeven. Het mag niet. Regels zijn regels. Het is brandhout voor de oplaaiende woede van Samson. ‘Wij zijn als die oude eik op het dorpsplein, mompelt hij, waar geen waarde aan wordt gehecht totdat hij wordt omgehakt. Dan is plotseling het plein zijn karakter kwijt. Dan beginnen de mensen plotseling iets te missen. Te laat.’

Waar veel debutanten zich nog wel eens overgeven aan een geforceerde lichtheid is bij Marjolijn van Heemstra (1981) in De laatste Aedema eerder het tegenovergestelde aan de hand: een gemaakte zwaarte. De baronessen en jonkheren die haar kundige roman bevolken drommen samen in jaarclubjes en genootschappen en maken zich gezamenlijk zorgen over de stand van de adel (‘We zijn gestrand. De tijd heeft ons geparkeerd langs de kant van de weg’). Omdat de beegees, adel-speak voor burgers, hen niet meer zien staan (‘Mensen hebben geen idee wat ze uit hun handen laten glippen. Het levende ijkpunt van de vaderlandse geschiedenis’) en omdat de adel zich zelf te weinig bewust is van haar adellijke voorrechten. Behalve dan dat Van Heemstra’s personages (en dus Van Heemstra zelf) het over niets anders hebben. Ze klagen wat af. De last van de adel, noblesse oblige, wat zijn we zielig. Als ze wandelingen met eenzame bejaarden maken, kleiduiven schieten, bijeenkomen om vervallen landhuizen op te knappen. Geen servet komt zonder wapenschild.

Het heeft wel een gunstige bijwerking, namelijk dat de benauwdheid van Loina’s bestaan sterk invoelbaar wordt. Aan het begin van de roman vraagt Loina zich af hoe ze van haar burn-out, of zenuwinzinking, af kan komen. Het is het gevolg van een cumulatief verdriet: van haar ouders die ze al jong heeft verloren en haar opa die daarna voor haar zorgde. Ze vindt dat ze vastzit. Ze wil van het missen af, zoals ze zegt. ‘Van het gevoel met te weinig te zijn. Ik heb het gevoel dat ik uitsterf.’ De voor de hand liggende optie is met een Lonely Planet naar Azië te trekken, maar Loina blijft in Nederland, keert terug naar Friesland, waar Fluit, de ­officieuze archivaris van haar familie, iets vreemds heeft ontdekt: in de familietombe blijkt een doodskist gevuld met stenen. Waar is het lijk?

Het gaat om Loina nummertje 29, als ik goed tel, de moeder van haar geliefde opa, die als een hippie avant la lettre landhuis haard achter zich liet en een nieuwe leefgemeenschap wilde opbouwen in Azië. Loina spreekt met de weinige nog levende mensen die haar gekend hebben, leest haar brieven van toen: ‘Is het niet idioot dat ik pas in India voor het eerst voel dat ik de adellijke opdracht werkelijk vormgeef?’

Het zwaktebod van De laatste Aedema is een gezocht, onnodig soaperig einde, met een Egyptische jongen die niet is wie hij lijkt. Maar het sterktebod is de rest. Van Heemstra publiceerde eerder een dichtbundel waarmee ze de Jo Peters PoëziePrijs won en genomineerd was voor de C. Buddingh’-prijs en dat is te merken – niet dat De laatste Aedema poëtisch is, maar haar taal is zelfverzekerd en origineel (‘Ik voel mijn geraamte in mijn lichaam hangen’), ontdaan van clichés. Haar symboliek met de zoektocht naar de ontbrekende botten is sterk. Loina heeft een sluimerende gekte, iets diffuus verlangends en ruziezoekends tegelijk, dat nooit helemaal zichtbaar aan de oppervlakte komt, maar telkens weer voelbaar is. Als ze de ex van haar onvruchtbare oom tegenkomt in een chique winkelstraat, achter een grote kinderwagen, steekt een vlaag van jaloezie op. Niet zozeer naar de ex, maar naar de baby, die van haar oom had kunnen zijn, de baby die onbeperkt tegen haar zachte lijf mocht ‘leunen’. ‘Je mag hem wel aaien, zei ze. Ik durfde niet. Ik was te bang dat ik hem per ongeluk zou slaan.’

Nu is de vraag wier ongemak groter is, dat van de moeder die aanbiedt haar kind ‘te laten aaien’ of dat van de studente die het misschien wel gaat slaan. In geval van twijfel altijd aanvallen, luidt het gezegde. Adel verplicht.


Marjolijn van Heemstra, De laatste Aedema. De Bezige Bij, 256 blz., € 18,90