Opheffer

Waar is het versgil?

Mei ’68. Parijs. Studenten opstand. Met geweld zelfs. Men sprak over een revolutie. Ik wil mezelf niet op de borst kloppen, maar ik voelde, vijftien jaar oud, deze revolutie in Parijs al aankomen, en wel in de maand januari van dat jaar.

Met mijn ouders bezocht ik toen Parijs. Een vriend van mijn vader werd begraven en waarschijnlijk mocht ik mee en hoefde ik niet naar school. We kwamen – het was 26 januari – een bord tegen van de Société Française de Philosophie waarop stond dat in het amfitheater van de Sorbonne de volgende dag een filosoof zou spreken met de naam Derrida. De naam van de lezing stond erbij. «Wat is hier fout aan?» vroeg mijn vader mij. Ik las de woorden La différance. Geen idee. «Différance is met een a – het moet met een e gespeld worden. Mooie filosoof zal dat zijn.»

Mijn vader hield vervolgens een beschouwing over slordigheid in de taal. Toch ging hij nog even een boekhandel in om te kijken of het woord echt niet bestond. De volgende dag bezocht hij het college. ‘s Avonds in het hotel vertelde hij ons erover. Wat hij gehoord had was waanzin, hij had het ook niet goed kunnen volgen, zei hij eerlijk. Omdat je la différance zou kunnen vertalen met «het versgil» zal ik voor de duidelijkheid van «versgil» gebruikmaken. Derrida had bewust «versgil» geschreven en zich afgevraagd wat het woord betekent. Nou niets, natuurlijk. Maar dat was niet waar. In spreektaal zou het woord wel iets betekenen, want tussen g en ch zit in klank geen verschil. En was het dus niet merkwaardig dat een verkeerd geschreven woord, waarvan we allemaal weten wat het betekent, opeens niets meer betekent als het is opgeschreven? Derrida wilde beweren dat schrift dus eigenlijk totaal iets anders is dan spraak. En al bestaat het niet – je kunt «versgil» niet in een woordenboek vinden – toch heeft versgil meer betekenissen dan je aanvankelijk denkt. Ik geloof dat mijn vader daar de draad kwijtraakte. Hoe dan ook: hij snapte er niets van. Maar ik voelde aan – door de kwaadheid van mijn vader – dat er iets bijzonders was gebeurd. Dat versgil was muziek van de Stones en de Beatles. Dat versgil was pop, jeugd, wij, happenings op het Spui, marihuana, generatiekloof, al begreep ik ook niet wat die Derrida wilde, dát begreep ik wel.

Toen in mei ’68 de studentenopstand in Parijs begon, verbaasde mij dat niet. Mijn vader ook niet. Van een universiteit, waar hij zo van hield, waar ze zulke stomme zaken leerden, kon niets anders dan revolutie vandaan komen.

Ik heb vier jaar later toen ik zelf ging studeren echt geprobeerd Derrida te begrijpen, maar dat is mij niet gelukt. Ik ben zelfs nog naar een college van hem geweest in Londen, maar toen we in de zaal zaten bleek Derrida ziek en kregen we college over wat Derrida bedoelde van iemand anders. Die haalde, redelijk spectaculair overigens, een oud biljet van een pond uit zijn zak en vroeg wat dit was.

«Een pond, sir.»

«Nee, dit is papier. Maar wat is het eigenlijk?»

«Een betaalmiddel, sir.»

«Nee, dat is niet wat het werkelijk is.»

«Een tekening op een plaatje.»

«Nee, onzin.»

«Een bevestiging van onze nationale eenheid, sir.»

«Nee, eerder een symbool van onze verdeeldheid.»

En zo ging hij door, en aan de hand daarvan kregen we te horen dat die pond eigenlijk niets was. Wel leuk, niet indrukwekkend.

Waar het mij om gaat, is dat je voelde dat er iets aan het desintegreren was. Of het nu de pond was of het woord verschil – de betekenissen werden verlegd, begeleid door popmuziek. Het verleggen van nieuwe betekenissen gaf letterlijk ruimte, want er kwamen nieuwe wetten.

Nieuwe taalwetten, nieuwe muzikale wetten, nieuwe manieren van denken, filosoferen, nieuwe opvattingen. Dat waren de jaren zestig en zeventig. Niet alles was nieuw; het was nieuw in die tijd. Ik geloof zelfs dat de hele hippiebeweging tamelijk conservatief was. Maar al was het oud, het stof werd van die oude begrippen geblazen.

Het vreemde is dat ik het gevoel heb dat die tijd, die veranderingen die we toen wilden, die nieuwe manieren van denken, thans aan het desintegreren zijn, en dat er nog niets voor in de plaats is gekomen.

Wat zijn de tekenen? Democratie, zo merk je, is niet altijd de juiste staatsvorm, discriminatie is niet in alle gevallen slecht, anti-Israël zijn is niet altijd antisemitisch zijn, en de strijd van de Palestijnen is niet altijd rechtvaardig, Bush niet altijd een zak. Maar waar is het versgil?

Een echte held van mij was de taalkundige Noam Chomsky. Ik herinner me dat ik twintig jaar geleden in een hotelkamer in Londen wat aan het zappen was, en opeens Chomsky zag. Het was het einde van een documentaire die ik nooit meer heb weten te achterhalen. Maar een van de laatste zinnen die Chomsky zei was: «Elke generalisatie verdwijnt op den duur.» «De mens dus ook?» «De mens ook», zei Chomsky.

Ik vond dat tamelijk indrukwekkend, en moest denken aan Derrida met zijn versgil. Chomsky was voor mij ook een denker uit die jaren, en zijn engagement, dat hij tot op heden uitdraagt, heb ik ook altijd verklaard uit het feit dat hij door zijn eigen transformationeel generatieve grammatica begreep hoe de politici de boel in de maling namen.

We zitten in een ziekenhuis in een wacht kamer en wachten op de uitslag: welke nieuwe kinderen worden er geboren en wie sterven er?

Momenteel gebeurt er niks. Maar dat is natuurlijk niet waar. De generalisaties zijn aan het verdwijnen. Ergens wordt er een stekker uit getrokken, en ergens heeft iemand weeën. Het duurt alleen zo lang.