Waar is hier de nooduitgang?

Het is makkelijk het tromgeroffel van vakbonden in heel Europa als ritueel af te doen. In Spanje en Groot-Brittannië worden grootschalige acties voorbereid. Zelfs in het gezapige Nederland werd dit jaar gestaakt door schoonmakers en vuilnisophalers en belooft een nieuw, strijdbaarder bestuur van ambtenarenbond Abvakabo de boel op te schudden.

Het gaat de komende maanden dan ook over de vraag wie de crisis moet betalen. Afgelopen weekeinde kondigden de Duitse, Italiaanse en Engelse regeringen miljardenbezuinigingen aan. Griekenland, Portugal en Spanje gingen hen voor met ingrijpende spaarpakketten, Nederland zal na de verkiezingen van 9 juni ongetwijfeld volgen.

De bezuinigingen worden gepresenteerd als bittere noodzaak. Door de crisis zijn staten nog dieper in de schulden geraakt. En als de wereld één les heeft getrokken, is het wel dat van geld lenen ellende komt. Dat klopt, maar het is ook te simpel. Alle politici en economen die nu met het vingertje zwaaien naar spilzieke Amerikaanse huizenkopers of op te grote voet levende Zuid-Europeanen moeten ook de vraag durven beantwoorden waar de toekomstige economische groei dan wél vandaan zal komen.

De aanwijzingen dat de wereldeconomie afglijdt naar een nieuwe recessie hopen zich op. De V dreigt een W te worden. De beurskoersen dalen, banken zijn net als in 2008 bang elkaar geld te lenen en de groeiprognoses voor Europa en de Verenigde Staten worden naar beneden bijgesteld. Niet voor niets waarschuwt zelfs IMF-baas Dominique Strauss-Kahn tegen al te drastische besparingen door de grote Europese landen. Hij vreest dat het prille economische herstel in de kiem gesmoord wordt. De voornaamste motor daarachter waren immers de overheidsuitgaven in de vorm van ambitieuze conjunctuurpakketten. Die maken nu plaats voor bezuinigingsrondes.

Hoe dan te groeien? Het neoliberalisme had de afgelopen dertig jaar een eenvoudig antwoord op die vraag: door te lenen. Het was de enige manier om te voorkomen dat de groeiende kloof tussen arm en rijk zou leiden tot een lagere consumptie. Alleen als de Amerikanen zich in de schulden staken om Chinese televisies te kopen, kon de wereldwijde overproductie worden afgeroomd en de economie blijven groeien.

Toen die zeepbel in 2007 uiteenspatte, hebben nationale overheden het balletje overgenomen en zijn ze nog verder in het rood gaan staan. Nu met het dreigende Griekse staatsbankroet ook deze ‘oplossing’ op haar grenzen stuit, dringt de vraag zich op waar de nooduitgang is. Een scenario als in de jaren dertig dreigt, toen de Grote Depressie zich eindeloos bleef voortslepen en er een wereldoorlog aan te pas moest komen om de stagnatie te doorbreken.

Dat is geen aantrekkelijk vooruitzicht. De mobilisaties van de vakbonden tegen de wereldwijde megabezuinigingen zijn zo bezien meer dan een traditionele reflex. Natuurlijk moeten zij opkomen voor hun leden, die niet wensen op te draaien voor de door de banken veroorzaakte crisis. Maar de dreigende verdere verslechtering van de koopkracht aan de onderkant van de maatschappij is behalve een sociaal ook een economisch probleem. Ieder land volgt hetzelfde recept om uit de crisis te komen: minder uitgeven, meer exporteren. Zelfs een kind begrijpt dat dat niet werkt. Als overal de lonen en uitkeringen naar beneden gaan, kan deze crisis wel eens heel lang gaan duren. Het is zuur voor de kapitalistische directeur, maar voor zijn toekomstige welvaren is hij gebaat bij een flinke portie arbeidsonrust op de korte termijn.