Zijn wij de enigen in het heelal?

Waar is iedereen?

Is er een rol weggelegd voor de mens in de moderne fysica? Daarover woedt op dit moment binnen de universitaire gemeenschap een intensieve discussie die een paar weken geleden overkookte tot de wetenschapsbijlage van The New York Times. Aanleiding is een hernieuwde belangstelling voor het antropische principe — een van de meest controver siële wetenschappelijke ideeën, dat werkt voor iedere geharde reductionist als een rode lap op een stier.

Het antropische principe zegt dat de natuurwetten zo zijn «uitgekozen» opdat ze tot intelligent leven leiden. Er zou sprake zijn van een soort kosmische samenzwering. Als we iets aan de natuur veranderen, bijvoorbeeld de massa van het elektron vergroten of een extra quark toevoegen, zou het hele bouwwerk dat van de big bang tot de mens heeft geleid wel eens kunnen instorten. Er zou dan niemand meer zijn die kon vragen hoe de natuur in elkaar zit. Het bestaan van natuurkundigen wordt daarmee de ultieme verklaring van de natuurkundige wetten — de perfecte cirkel redenering. Het is zelfs mogelijk uw eigen doe-het-zelf antropische principe te formuleren. Vergeet de rest van de mensheid. De enige bestaansreden van het heelal bent u zelf!

Hier begeven we ons op uiterst glad ijs, metafysisch gesproken. Deze discussie vormt een van de weinige gelegenheden waarbij de filosoof de fysicus eens hartelijk kan uitlachen in plaats van omgekeerd. Want een echte logische verklaring is het natuurlijk niet. Toch zijn er zeer vooraanstaande aanhangers van deze ideeën, niet in het minst Sir Martin Rees, de Britse Astronomer Royal en de meest vooraanstaande astrofysicus van onze tijd.

Nu gaat iedere poging een geprivilegieerde positie voor de mens voor te stellen tegen alle historische trends in. Wij zijn immers door de voortschrijdende wetenschap alleen maar meer en meer gekleineerd. Vanuit het centrum van het universum is de mens door Copernicus, Galilei, Newton, Darwin en Einstein verstoten tot een toevallig omhooggevallen primaat, levend op een middelmatige planeet, die zijn rondjes draait rond een middenklasser ster, ergens aan de rand van een Vinex melkwegstelsel. Het is toch niet mogelijk dat na al deze vernederingen uiteindelijk het spotlight alsnog op de verdwaasde homo sapiens valt?

Maar het begint er meer en meer op te lijken dat zelfs als we de ultieme natuurwetten weten te achterhalen, zeg maar het algoritme van God, er één allerlaatste vraag overblijft: wat was de begintoestand bij de oerknal? Zelfs als het universum tikt als een goedgeolied uurwerk, hoe zijn de wijzers op het uur nul in de juiste stand gezet?

Er kunnen wel eens heel veel mogelijke begintoestanden zijn, die ook allemaal worden uitgeprobeerd. Want moderne kosmologen schrikken niet van alternatieve «multiversa». Zo laat de inflatietheorie ons heelal ontstaan als een explosieve uitvergroting van een heel klein stukje van een soort kokende oersoep — een proces dat zich continu herhaalt en links en rechts nieuwe universa produceert.

Volgens recent werk van onderzoekers in Stanford, dat deze discussie heeft aangewakkerd, zou ook de snaartheorie, op dit moment een serieuze kandidaat voor een theorie van alles, een zeer groot aantal van deze begintoestanden toestaan. Zelfs meer dan een googol (dat is een één met honderd nullen). Het antropische principe is dan nodig om de «juiste» toestand te kunnen uitkiezen.

Deze discussie raakt op een bizarre wijze aan een andere grote vraag: zijn we alleen in de kosmos of zijn er ook buitenaardse culturen? En in dat laatste geval, waar is iedereen dan?

Beide opties zijn even duizelingwekkend. Als er nog meer leven in het heelal te vinden is, wat zitten we dan onze tijd op aarde te verdoen? We zijn dan als een bioloog op Schiermonnikoog, die eindeloos garnaaltjes en schelpjes bestudeert, maar geen idee heeft van de olifanten, ijsberen en tijgers die de rest van de wereld onveilig maken.

Het alternatief, dat die immense ruimte, al die sterren, planeten, kometen, gaswolken en zwarte gaten, alleen door ons mensen worden waargenomen, dat dit alles slechts een kosmisch behang is voor onze aardse perikelen, lijkt ook volstrekt lachwekkend.

Maar als we niet alleen zijn, waarom hebben we daar nog niets van gemerkt? Andere culturen in ons melkwegstelsel kunnen gemakkelijk een miljard jaar eerder ontstaan zijn. Ze hebben dan tijd genoeg gehad om rustig de omgeving te verkennen. En dat hoeven ze niet eens persoonlijk te doen. In de beste Terminator-traditie kan dat heel goed via robotten. In een conservatieve schatting verspreidt een hoogtechnologische cultuur zich dan in een paar honderd miljoen jaar als een olievlek over ons melkwegstelsel. Waar zijn al die marsmanne tjes en hun vliegende schotels?

Hier kan het antropische principe om de hoek komen kijken. Stel dat de natuur inderdaad in parallelle universa ontelbaar vele mogelijke scenario’s verkent. En stel dat het erg moeilijk is om intelligente wezens te maken. Hier op aarde duurde het immers ook 4,5 miljard jaar, waarbij onze voorouders voor het allergrootste deel als eencelligen baantjes trokken in de oersoep. Dan kun je je voorstellen dat onder alle mogelijke universa intelligent leven spaarzaam zal voorkomen, als het al überhaupt voorkomt. Een heelal dat krioelt van het leven zal zeldzaam zijn.

Het antropische principe voorspelt dus dat er een grote kans is dat we helemaal alleen in het heelal zijn, in perfecte overeenkomst met het gebrek aan bezoek van kleine groene mannetjes. En dat vind ik nu pas een echt angstige gedachte.