De noodhulpindustrie

‘Waar is iedereen?’

Naastenliefde anno 2015. Tijdens de ebolacrisis werden Amerikaanse militairen naar Afrika gestuurd. Niet om de slachtoffers te helpen maar om dreiging voor de westerse wereld af te wenden. Steeds vaker wordt hulp alleen dan en daar verleend waar de belangen van de helpende landen het meest zijn gediend.

Medium hh 47739995

Bijna Kerst, prompt wordt het ‘migrantendebat’ her en der aan onze christelijke normen en waarden geplakt. Kerken in Nederland roepen de volgelingen op tot hulp aan vluchtelingen. Eerder deed paus Franciscus dat al, vanaf het Sint-Pietersplein. Weest concreet de naaste van arme en kwetsbare medemensen, zei hij. Elke parochie, elke religieuze gemeenschap, elk klooster en elk pelgrimsoord moet één familie opnemen.

Bas van Bommel, docent literatuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, sloot zich in een geruchtmakend opiniestuk in de Volkskrant begin december liever aan bij Geert Wilders, die sluiting van de grenzen en bescherming van het eigen volk als uiting van een christelijke waarde kwalificeert.

Wilders confronteert ons met een belangrijke vraag, schrijft Van Bommel: ‘Wat zijn onze morele en christelijke plichten ten aanzien van migranten, en hoe verhouden die zich tot andere waarden en belangen? Liggen naastenliefde en openstelling van de grenzen wel echt in elkaars verlengde? Wat te doen als onze hulpbehoevende “naasten” geen verdwaalde individuen, maar honderdduizenden en zelfs miljoenen migranten zijn?’ Jezus prees de barmhartige Samaritaan omdat hij zich over een mishandelde reiziger ontfermde, niet omdat hij een voltallige volksstam Judea binnenloodste, vervolgt de wetenschapper. ‘De christelijke moraal verplicht ons niet om naastenliefde toe te passen zonder enige consideratie met de politieke en demografische realiteit, of de consequenties daarvan op lange termijn.’

De christelijke moraal dan misschien niet, maar de humanitaire principes die we verankerden in de Conventies van Genève wél. Die zijn door alle landen ter wereld aanvaard en ondertekend. De basis van het humanitarisme is de plicht om menselijk lijden onvoorwaardelijk te verlichten. Het maakt niet uit wie de slachtoffers zijn en waarom ze er zijn. De ngo’s (Non-Governmental Organizations) die wij financieren om die verlichting te brengen beloven neutraliteit (geen samenwerking met partijen), onpartijdigheid (hulp verlenen uitsluitend op basis van nood) en onafhankelijkheid (van geopolitieke, militaire of andere belangen). Humanitairen verplichten zich te helpen waar, wie en wanneer dan ook, en hoeveel dan ook.

Die beginselen in de hulp gaan steeds vaker het raam uit, dat constateert de humanitaire sector in zijn evaluaties over 2014 en 2015 zelf ook. De tragiek van de mooie Conventies van Genève is dat ze niet afdwingbaar zijn en dat de politieke en demografische realiteit altijd te veel consideratie krijgt.

***
Medium hh 10367458

Het is 1996. Het Amerikaanse tv-programma 60 Minutes interviewt Madeleine Albright, op dat moment ambassadeur van Amerika bij de Verenigde Naties. Het gaat over de gevolgen van de door de VN gesteunde economische sancties tegen het Irak van Saddam Hoessein. Irak is door de coalitie van westerse landen op slot gedraaid. Niet alleen het regime, ook het Iraakse volk wordt uitgehongerd. Kinderen overlijden het eerst, door ondervoeding, door drinkwater dat niet meer gezuiverd kan worden en door gebrek aan medicijnen. De sancties duren al zes jaar en de VN schatten dat al een half miljoen Iraakse kinderen dood zijn.

‘Dat zijn meer kinderen dan stierven door de bom op Hiroshima. Is het die prijs waard?’ vraagt de interviewster van 60 Minutes.

Albright antwoordt: ‘Het is een moeilijke keuze, maar de prijs… wij denken dat die het waard is.’

In een oorlog van welke partij dan ook verwachten dat ze de humanitaire beginselen in ere houdt, is als hopen dat een bende crack rokende straatrovers zich aan de nobele regels van een karatetoernooi houdt.

Veel onenigheid over waar hulp naartoe moet en waar niet is er niet. Humanitaire hulp is in handen van een ‘kartel’ waar feitelijk drie grote donoren de knip beheren: de VS, Groot-Brittannië en de EU. Met z’n drieën bepalen ze bestemming en doel van meer dan de helft van alle officiële, geregistreerde humanitaire-hulpfondsen. De bulk van die fondsen gaat regelrecht naar de bankrekeningen van de verschillende VN-organisaties, zoals het World Food Programme, Unicef en de vluchtelingenorganisatie unhcr, en van een handvol grote ingo’s (internationale ngo’s). Save the Children, Oxfam, World Vision en irc behoren tot de topontvangers in die groep.

De anti- terreuragenda’s van donoren staan voorop bij alle keuzes die ze maken en hulp- organisaties voegen zich daarin

De VN en de grote ingo’s schuiven het geld dan weer door naar hun ‘partnerorganisaties’, een bonte kliek van bijna vijfduizend kleinere ingo’s, die ze betalen om het veldwerk te doen. Lokale ngo’s, afkomstig uit de getroffen landen zelf, worden door het kartel zo veel mogelijk buiten de deur gehouden: wereldwijd gunnen de donoren en de ingo’s een luizige 0,2 procent van het totale hulpbudget aan lokale hulpgroepen. Wij, het volk, doen ook nauwelijks mee. Onze donaties zijn voor de bühne van het kartel en maken alleen een (klein) verschil in zogenaamde _‘high-profile’-_rampen die veel mediabelangstelling krijgen. In de hulpoperatie na de aardbeving in Haïti bijvoorbeeld maakten privé-donaties twintig procent uit van de totale bestedingen. Gewoonlijk is ons aandeel (veel) minder dan tien procent.

Ook in de keuze van bestemmingen van het geld is het kartel eenkennig. In 2014 ontvingen 58 landen humanitaire hulp. Daarvan krijgen er 49 (84 procent) al vijf jaar achter elkaar noodhulp. Veertig van de 58 landen (69 procent) krijgen al tenminste tien jaar noodhulp. Afghanistan en Irak behoren al meer dan een decennium tot de allergrootste ontvangers van westers hulpgeld. Jemen, Turkije, Somalië, Soedan, Mali en andere frontlijnstaten in de war against terror zijn de andere grootontvangers. In 2015 zijn de lijstjes niet veel anders.

Met de basisbeginselen van neutraliteit en onafhankelijkheid in het verlenen van humanitaire hulp heeft het allemaal weinig meer te maken, met de geopolitieke realiteit des te meer.

***

In 2001, na de aanslag op de Twin Towers in New York, maakte het kartel duidelijk wat voortaan de bestemming van haar hulpgeld moest worden. ‘We are a country awakened to danger and called to defend freedom’, vlamde president George W. Bush in een wereldwijd uitgezonden toespraak. ‘Alle middelen die ons ten dienste staan (…) zetten wij in voor de ontwrichting en vernietiging van het wereldwijde terroristennetwerk. Justice will be done.’

Met ‘alle middelen’ bedoelde hij ook: humanitaire hulp. Colin Powell, destijds Bush’s minister van Buitenlandse Zaken, schetste wat de Amerikaanse regering in de vernietigingscampagne tegen het terrorisme voortaan verwachtte van humanitaire-hulporganisaties – als ze hun financiering door de Amerikaanse regering voortgezet wensten te zien. ‘Net als onze militairen en diplomaten dienen ngo’s aan de frontlinies (…). Zij versterken onze troepen en zijn een belangrijk onderdeel van onze strijdkrachten.’

De directeur van usaid, de overheidsorganisatie die de Amerikaanse hulpmiljarden beheert, waarschuwde dat hij van hulporganisaties die onvoldoende blijk zouden geven van hun toewijding aan het Amerikaanse doel hoogstpersoonlijk de contracten zou verscheuren. 9/11 had van hulporganisaties nu eenmaal een ‘verlengstuk van de regering’ gemaakt, zei deze Andrew Natsios.

Dat van de VN dezelfde toewijding verwacht werd, sprak voor zich. John Bolton, die in de regeringen-Bush onder meer de posten van minister van Buitenlandse Zaken, hoofd van usaid en het Amerikaanse ambassadeurschap bij de VN bekleedde, wond er geen doekjes om: ‘De VN bestaan niet. Er is een internationale gemeenschap die nu en dan aangevoerd wordt door ons, ’s werelds enige echte superpower, als het onze belangen dient. (…) Maak niet de vergissing om op de VN te rekenen als een instituut dat onafhankelijk kan functioneren.’

Toenmalig secretaris-generaal van de VN Kofi Annan kon niet anders dan het beamen. ‘De VN kunnen niet slagen als we steeds botsen met het land dat ons schiep (…) en dat onze grootste donor is’, zei hij in The New York Times in 2005.

Neutraliteit, onafhankelijkheid, een eigen koers en eigen principes moet je je kunnen veroorloven. De enige manier voor de United Nations Humanitarian Coordinator in Bagdad om de sancties tegen Irak destijds te kunnen bekritiseren, was ontslag nemen na een carrière bij de VN die 34 jaar duurde. Het was genocide, wilde Denis Halliday kunnen zeggen.

***

De ‘troepenversterkers’ van de donorregeringen werden voor het eerst in Afghanistan ingezet bij de strijd tegen de Taliban. ‘Winning the hearts and minds’ van het Afghaanse volk met humanitaire-hulpprogramma’s, was de opdracht. Militaire Provinciale Reconstructie Teams (prt’s) sloegen al net zo veel waterputten als humanitaire organisaties. ‘3D-benadering’ was ook het motto van de Nederlandse Navo-troepen die kwamen helpen: ‘defense, diplomacy and development’ waren in de humanitaire hulp voor de Afghanen tot genoegen van de donoren geïntegreerd.

Militarisering van humanitaire hulp ging na Afghanistan door. Steeds onverbloemder. Militairen vermommen zich vaak niet meer als hulpverleners in cimic-constructies (Civil-Military Cooperation), maar slachtoffers worden ons gepresenteerd als een bedreiging van onze veiligheid. Hulp is geen humanitaire verantwoordelijkheid of internationaal mensenrechtelijke verplichting meer, maar is een verdedigingsstrategie in ons nationale veiligheidsbeleid.

Turkije wordt de kans voor internationale ngo’s om op hun humanitaire schreden terug te

De hulpbudgetten van de andere twee grootste donoren, de EU en Groot-Brittannië, staan ten dienste van respectievelijk Europa’s en Groot-Brittannië’s veiligheid, waaronder te verstaan bestrijding van de dreiging van terrorisme én van de grote migratiestromen. In het beleidsplan voor hulp van Groot-Brittannië voor 2016 staat 32 keer het woord ‘veiligheid’ en nul keer het woord ‘ongelijkheid’.

Nederlands hulpgeld gaat inmiddels ook voor de helft naar het ‘migratievraagstuk’.

De vraag dringt zich onontkoombaar op of de ingo’s die donorgeld aanvaarden met de afspraak dat te besteden aan bedreigingen van terroristen en migrantenstromen het morele recht nog hebben om neutraliteit en onafhankelijkheid te claimen. Zijn het nog wel humanitairen? En als ze voor het leeuwendeel van hun inkomsten afhankelijk zijn van regeringen, is hun claim op de titel ‘ngo’, non-gouvernementeel, dan nog geldig?

De sector krabt zichzelf ook achter de oren. alnap, het Active Learning Network for Accountability and Performance in Humanitarian Action, het door de humanitaire wereld zelf in het leven geroepen platform dat de sector continu evalueert en adviseert, zette ontwikkelingen in 2014-2015 op een rij in het rapport The State of the Humanitarian System. Dat systeem heeft meer geld te besteden dan ooit: in 2014 trokken de donoren ongeveer 25 miljard dollar uit voor humanitaire hulp, een verdubbeling ten opzichte van tien jaar geleden. De sector is ook groter dan ooit: naar schatting 450.000 mensen in pakweg vijfduizend ingo’s verdienen er hun brood in. Maar meer dan ooit volgen ze de politieke en militaire agenda’s van de donoren en minder dan ooit gaan ze ergens heen omdat het humanitaire leed daar nu eenmaal het grootste is.

Hongersnoden, droogte, overstromingen en oorlogen en conflicten die voor het Westen van geen belang zijn: hulporganisaties gaan er niet heen, of ze komen te laat en met te weinig geld en mensen, of ze gaan te vroeg weg. En minder dan ooit trekken ze aan de bel over de keuzes die donoren maken. Wiens brood men eet… Het is niet gek dat de luidste alarmbellen klinken dankzij organisaties die nog wél van donorregeringen onafhankelijk zijn. Médecins Sans Frontières (msf) is het belangrijkste voorbeeld. Met wereldwijde inkomsten van 1,2 miljard dollar (2014) hoort msf bij de ‘Big Five’ in de ingo-sector, maar waarin de organisatie verschilt van de collega’s is dat 89 procent van de omzet uit de portemonnees van particuliere donoren komt, burgers en bedrijven. msf wil zich aan politieke en militaire agenda’s van regeringen niets gelegen hoeven laten liggen, ook om de donoren en hun partners, de ingo’s, publiekelijk ter verantwoording te kunnen roepen over de keuzes die ze maken.

msf publiceerde eind 2013 bijvoorbeeld het rapport Where Is Everyone? over de door het hulpkartel verwaarloosde mega-crises in Zuid-Soedan, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Jordanië. Miljoenen mensen verkommeren er, omdat ze de pech hebben niet op de kartel-radar te staan. Iedere dag twitteren de artsen ook luidkeels vanaf grensovergangen in Europa en schepen in de Middellandse Zee hun afschuw en woede over de laksheid van donoren en collega’s die vluchtelingen uit het Midden-Oosten hulpeloos laten rondsjokken en -dobberen. In 2013 en 2014 waren de artsen zo’n beetje in hun eentje verantwoordelijk voor het management van de ebolacrisis in West-Afrika. In het jaarverslag 2014 van Artsen zonder Grenzen Nederland schrijft directeur Arjan Hehenkamp dat het op zich niet nieuw was dat de wereld liever de andere kant op keek, ‘maar de gebrekkige reactie op de ebolacrisis was wel érg schandalig!’

Ebola eiste meer dan elfduizend doden in Liberia, Guinée en Sierra Leone; 28.500 mensen werden besmet. In de evaluatie Pushed to the Limit and Beyond (maart 2015) beschuldigt MSF International de internationale gemeenschap van ‘verlamming en traagheid’ waar uiteindelijk ‘duizenden mensen met hun leven voor betaalden’. Eind 2013 werden in de regenwouden van Guinée de eerste ebolapatiënten ontdekt. msf sloeg alarm bij de World Health Organization, die verantwoordelijk is voor maatregelen bij gevaarlijke epidemieën, maar die gaf geen sjoege: relevante afdelingen van de who in Genève waren door donorregeringen met bezuinigingen lamgeslagen.

Acht, negen maanden later, in september 2014, werd een Liberiaan op familiebezoek in de VS opgenomen in een ziekenhuis in Dallas, Texas: ebola. Op 8 oktober overleed hij. Op 11 en 14 oktober bleken twee van zijn verpleegsters besmet en op 23 oktober een arts in New York City die voor msf in Guinée had gewerkt. Toen pas werd de wereld wakker. Hysterisch: Amerika en Engeland stuurden hun legers op West-Afrika af, en in Nederland eiste Geert Wilders dat het luchtruim boven Nederland gesloten zou worden.

Wereldwijd ging ‘iets fundamenteels mis op het gebied van noodhulp’, schrijft Hehenkamp in het jaarverslag 2014. De militairen waren niet gezonden om de ebolaslachtoffers te helpen (het was hun zelfs verboden om bloedmonsters in hun helikopters naar laboratoria te brengen) maar om dreiging voor de westerse wereld af te wenden. De ebolalanden zouden kunnen ontploffen door sociale onrust en stromen besmette vluchtelingen zouden onze kant op kunnen komen. De militairen werden intussen wel uit de hulpkas betaald.

Het Amerikaanse leger bouwde uiteindelijk vijftien state of the art Ebola Treatment Units (etu’s) in Liberia, generatoren zoemend, splinternieuwe chloorcontainers klotsend, zonnepanelen en satellietschotels sprankelend, die zo goed als geen een ebolapatiënt te zien hebben gekregen. Toen de laatste etu eind 2014 klaar was, was het aantal nieuwe besmettingen in Liberia al gedaald naar minder dan één per dag. Flapperend in de hete Liberiaanse wind staan her en der nog altijd de legergroene Amerikaanse hospitaaltenten in gelid boven op uit de VS geïmporteerd gravel.

De Amerikaanse militaire operatie in Liberia kostte uiteindelijk bijna een miljard dollar. Dat werd van het Amerikaanse hulpbudget betaald. Wat de militairen in Sierra Leone en Guinée hebben afgesnoept van de budgetten voor humanitaire hulp weten we (nog) niet.

keren
***

De anti-terreurdreigingsagenda’s van donoren staan voorop bij alle keuzes die ze maken en hulporganisaties voegen zich daarin, constateert alnap in de evaluatie van 2015. Humanitaire beginselen gaan vaker het raam uit en hulp wordt steeds politieker. Dat ontgaat de ontvangers van de hulp ook niet, waarschuwt de Britse Humanitarian Policy Group (hpg), een onderzoeksplatform van en voor donorregeringen en grote ingo’s.

In augustus 2014 presenteerde de hpg de resultaten van een onderzoek naar de perceptie die al-Shabaab in Somalië en de Taliban in Afghanistan (twee van de grootste humanitaire-hulpontvangers) hebben van westerse humanitaire-hulporganisaties. Het resultaat: al-Shabaab en de Taliban zijn ervan overtuigd dat ingo’s werken voor ‘universele machten die moslimbloed drinken’ en dat ze spioneren voor Amerika. In juli 2014 verboden de Taliban om die reden alle poliovaccinaties in de Afghaanse provincie Helmand en eerder smeet al-Shabaab het World Food Programme al eens uit al-Shabaab-gebied. Het respect voor de ‘agenten van de vijand’ wordt allengs minder: elk jaar zijn er honderden aanvallen op organisaties en op individuen die voor die organisaties werken.

Niet alleen door ‘terroristische groeperingen’ trouwens. In oktober 2015 werd in het Afghaanse Kunduz een ziekenhuis van msf tot gruis gebombardeerd. Door de Amerikaanse luchtmacht. Ze hadden door gekregen dat Taliban zich schuilhielden in het complex en vuurden er 211 raketten op af. Er lagen 105 patiënten in de bedden. Ten minste dertig doden vielen er en talloze gewonden.

msf eist onafhankelijk onderzoek. Amerika weigert en komt daar tot nu toe mee weg. De hulpsector staat er niet bepaald van op z’n kop.

***

Turkije wordt de kans voor ingo’s om op hun humanitaire schreden terug te keren en de eretitel van ‘ngo’, non-governmental, terug te verdienen. Tijdens een top in Brussel op 29 november ondertekende de EU een hulpovereenkomst met de Turkse regering. Europa zette zijn bezorgdheid over het groeiende despotisme van de Turkse regering opzij en beloofde drie miljard euro voor hulp aan vluchtelingen uit Syrië, Irak en Afghanistan op Turks grondgebied, plus een zak vol lekkere politieke hapjes voor de Turkse regering zelf: de onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de EU worden opnieuw geopend en vanaf oktober 2016 mogen Turkse burgers zonder visum naar Europa reizen.

Voor de ‘opvang in de regio’-strategie is omgerekend vijf euro per vluchteling beschikbaar. Het zou de ingo’s sieren als ze de donoren niet gaan gerieven door net te doen alsof ze voor dat luttele bedrag een toekomst voor mensen kunnen scheppen.

Het ‘opvang in de regio’-beleid staat al op grote achterstand. Terwijl voedselbonnen van het World Food Programme voor de vluchtelingen in Turkije in juli dit jaar werden gehalveerd en mensen moeten zien te overleven van 43 cent per dag worden miljarden besteed aan militaire maatregelen om vluchtelingen te dwingen in Turkije te blijven. Het Amerikaanse ministerie van Defensie belooft de Sixth Fleet (van de United States Naval Forces Europe) te sturen om Eunavfor Med (European Union Naval Force Mediterranean) te versterken. Tussen de fregatten, patrouilleschepen, atoomaangedreven aanvalsonderzeeërs en met ballistische wapensystemen uitgeruste slagschepen die Europa tegen de vluchtelingen moeten beschermen, pruttelen nochtans slechts drie scheepjes van msf en (sinds kort) Greenpeace, om mensen in humanitaire reddingsacties uit de golven te trekken.

In maart 2016 vindt in het Turkse Istanbul de World Humanitarian Summit (whs) plaats, de grootste humanitaire top in de geschiedenis. Duizenden VN-organisaties, ngo’s, ingo’s, het Rode Kruis en de Rode Halve Maan, academici, bedrijven, regeringsvertegenwoordigers en ook slachtoffers van rampen en oorlogen zijn uitgenodigd om de toekomst van de humanitaire sector te bediscussiëren. Radicale veranderingen verwacht niemand. De notulen van de laatste grote humanitaire conferentie in Boedapest in februari staan vol voorzichtig jargon over ‘aanmoedigen’ van donoren, ‘in overweging nemen’ van de geopolitieke realiteit, ‘pleiten voor’ veranderingen en ‘streven naar’ verbeteringen van de humanitaire performance.

Op alles wat we zeggen zit een politiek filter, zei een hulpverlener die er in Boedapest bij was. ‘Als we onze mond niet opentrekken, zijn de debacles onze schuld. Als we het wél doen en de grote donoren luisteren niet, dan is het tenminste hún schuld.’

En ónze schuld is het uiteindelijk ook. De Europese Commissie presenteerde begin 2015 het European Year of Development, de uitkomsten van een grote enquête onder Europeanen: 46 procent van de ondervraagde burgers had geen idee waar het Europese geld naartoe gaat; 49 procent had ‘een beetje’ een idee. Juist omdát het ‘voltallige volksstammen’ zijn die verkommeren op de slagvelden van onze war against terror zouden we ons moreel verplicht moeten voelen om wél te weten waar onze donaties voor worden gebruikt.


Linda Polman is onderzoeksjournalist en schrijfster van onder meer De crisiskaravaan: Achter de schermen van de noodhulpindustrie


Een Somalische vluchteling leest de koran voor zijn hut in een opvangkamp in Kenia
Sanjit Das / panospictures / HH

Salavat, Afghanistan. Kinderen gaan met hun Unicef-spulletjes naar school
Colin Perkel / Zumapress / HH