De wonderbaarlijke zoektocht naar een hartsvriendin uit het azc

Waar is Maja?

Ex-vluchtelinge Uljana Orlova besluit na twintig jaar haar hartsvriendin Maja uit het asielzoekerscentrum te zoeken. Ze loopt op tegen het gesloten systeem van de asielwereld tot ze een opvallende ontdekking doet.

Medium 2e 20beeld 20  20analyse foto om zo meer achter de identiteit van maja te komen

Vanaf het moment dat Maja binnenkwam in het asielzoekerscentrum wist Uljana zeker dat ze haar vriendin zou worden. Uljana was toen negen jaar, Maja twaalf. Maja was slim, zachtaardig en kalm. Een uitzondering onder de hypernerveuze kinderen in het asielzoekerscentrum in Egmond aan Zee. Maja voelde hetzelfde, ze liep op Uljana af en zei: ‘Ik wil bevriend worden met je.’ Twee maanden lang waren ze hartsvriendinnen. Toen vertrokken Uljana en haar moeder naar een woning in Vollenhove.

Uljana Orlova (30) werd geboren in Vilnius, in wat toen nog de Sovjet-Unie was. Haar moeder werkte op een grote trolleybus. Na een korte affaire met een Poolse man, eveneens buschauffeur in Litouwen, bleek ze zwanger te zijn. Ze besloot het kind te houden, ook al wilde hij er niets mee te maken hebben. Uljana weet alleen zijn voornaam. Ze groeide op in een oude sovjetflat in de Russische wijk van de stad. Haar moeder, die Russisch is, stuurde haar naar een Russische kleuterschool. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 en de onafhankelijkheid van Litouwen moest ze naar een Litouwse school en waren zij en haar moeder opeens deel van de Russische minderheid.

Op een ochtend in december 1993 ging haar moeder achter haar staan. Uljana zat voor de spiegel. Ze was acht jaar oud. Het is haar laatste herinnering voor vertrek. Haar moeder deed elastiekjes in haar haar en zei: ‘Vannacht Uljana vertrekken we naar een land genaamd Nederland.’ Het was hun geheim. Ze mocht het die dag op school alleen tegen haar beste vriendinnetje zeggen. Ze had geen idee wat er precies gebeurde. Ze dacht: ‘We krijgen daar een huisje, mijn moeder en ik en we leven nog lang en gelukkig.’

Maar zo ging het niet. Ze waren gevlucht, logeerden eerst bij een vriendin in Nederland. Bij het aanmeldcentrum in Zeewolde werden haar moeders vingerafdrukken genomen. Vanaf dat moment heeft ze alleen nog maar losse herinneringen, vluchtig, ze woonden op verschillende plekken, werden vaak overgeplaatst. Totdat ze in 1994 terechtkwamen in asielzoekerscentrum (azc) Torenduin in Egmond aan Zee. Daar bleven ze een jaar. Uljana had het moeilijk met de hele situatie. ‘Van een vrolijk meisje in Litouwen was ik in een nerveus, onzeker en bang meisje veranderd’, schrijft ze in haar betoog De emancipatie van een ex-vluchteling dat onderdeel is van haar afstudeerproject How to write M _ayj__ a_ aan de St Joost kunstacademie in Breda. Ze plaste in bed, sliep slecht. Ze herinnert zich nog hoe ze een keer in de gang stond te krijsen. ‘Uit verwardheid over wat er allemaal om me heen gebeurde.’ Ze voelde zich machteloos, ze sprak de taal niet, kon niets zeggen.

Ze voelde zich verraden, ze had gedacht dat ze een normaal leven zouden gaan leiden. Maar alles was ongewis. Niemand vroeg haar hoe het ging, niemand praatte met haar, niemand legde iets uit. Ze zeiden alleen: ‘Ga lekker spelen.’

De afgelopen tijd werkte ze als vrijwilliger in een azc in haar woonplaats Utrecht. Ook nu ziet ze dat er nog steeds zo met kinderen wordt omgegaan. ‘Ze hebben niets geleerd uit de jaren negentig’, denkt ze vaak. Kinderen worden veel te veel gesust. Je moet met hen praten, uitleggen wat er gebeurt. Want, zo weet ze uit ervaring, de ouders zijn daartoe vaak niet meer in staat. Die zitten in procedure, zijn gestrest. ‘De volwassenen liepen als zombies door het asielzoekerscentrum’, schrijft ze in haar betoog. ‘De spanning en de stress waren letterlijk van hun af te ruiken. Langzaam veranderden de heldachtige volwassenen in wezens die afkomstig waren van een andere planeet.’ Eén keer per week mochten de kinderen uit het azc in het winkeltje iets van het speelgoed uitkiezen dat was gedoneerd door de bewoners van Egmond. Ze hing elk speelgoed aan de muur van het kamertje waar ze met haar moeder sliep. Als wandversiering. Veel kinderen deden dat. Ze vormde een kliekje met een paar kinderen uit het azc: Dasha, Diego, Jekaterina, Tamara, Anja, Kristina en zij.

Maar toen kwam Maja. Hoe ze naar haar toe kwam: ‘Uljana, jij en ik worden bevriend.’ Ze voelde zich zo fijn bij haar. Zo anders. Ze was ouder. En ze sprak ook Russisch. Alle kinderen waren zo hyper, zijzelf ook. Ze haalden kattenkwaad uit. Maja niet. Uljana keek tegen haar op. Die kalmte die ze meebracht, die slimheid. ‘Kom, ik wil met je spelen’, zei Maja. Uljana en Maja sloten zich niet aan bij het kliekje, ze waren samen, met z’n tweeën. Ze gingen naar het strand, maakten zandkastelen. Ze heeft die foto waar ze samen op staan altijd bewaard. Dan zitten ze samen onder een parasol. Laatst is ze teruggegaan naar die plek, precies waar de foto is gemaakt. Met het hotel op de achtergrond. Dat is er nog steeds.

In mei 1995 verlieten Uljana en haar moeder Egmond aan Zee. Ze mochten naar een huis in Vollenhove met een tijdelijke verblijfsvergunning. Die zomer schreef Maja, die toen nog in Egmond zat, haar een brief in het Russisch. Ze schreef dat ze haar miste en dat ze wachtte op een brief van haar. Maar Uljana werd opgeslokt door haar nieuwe leven, haar Nederlandse school, haar nieuwe stad. Ze was negen jaar, het ging allemaal zo snel.

Zeventien jaar later komt ze de brief weer tegen in een doos. Ze leest hem terug, drie foto’s vallen eruit. Waarom had ze nooit teruggeschreven? denkt ze. Wie is ze? Waar is ze? Ze besluit Maja te gaan zoeken. En ze wil de zoektocht gebruiken als eindexamenproject voor de master fotografie die ze volgt in Breda.

Uljana en Maja sloten zich niet aan bij het kliekje andere kinderen, ze waren samen, met z’n tweeën

Het wordt eigenlijk een zoektocht naar zichzelf. Het voelt als een bevestiging van dat ze daar was, door dat briefje wist ze dat iemand aan haar dacht. Die periode als asielzoeker heeft haar gevormd, tegelijkertijd heeft ze weinig herinneringen, is het iets wat weg is, een grijze zone waar ze even in heeft gezeten. Een tussenwereld; het was geen Litouwen en geen Nederland, het was een wereld apart. Ze vindt het ook mooi. Dat ze ex-vluchteling is, beschouwt ze als onderscheidend voor haar identiteit, hoe ze tegen dingen aan kijkt, over mensen denkt. Ze kan er niet naar terug, alles van toen is weg. Zelfs het azc in Egmond is afgebroken. Maja is voor haar een puzzelstukje naar dat verleden.

In haar kamer prikt ze op het prikbord boven haar bureau wat ze heeft: de drie foto’s, de brief, haar naam. Ze voelt zich een detective en zo zal ze te werk gaan. Daarom hangt ze er ook een namaakpistool aan een spijker bij. Uljana begint met weinig informatie. De envelop van de brief is weg, ze heeft geen idee van Maja’s achternaam, ze weet ook niet waar ze vandaan kwam, uit welk land, hoe oud ze toen was. Ze weet dat ze Russisch sprak, wanneer ze naar Nederland was gekomen en haar voornaam. Maar niet wat de correcte spelling van Maja is, want vertaald uit het Russisch kon het met een i, een j of een y zijn. Ze weet niet of ze nog in Nederland is, of ze een verblijfsvergunning kreeg, of ze nog leeft.

Medium opening 20  20maya 20en 20ik 2c 20egmond 20aan 20zee 2c 20mei 201995. 20een 20van 20de 20drie 20foto e2 80 99s 20die 20ze 20meestuurde 20bij 20haar 20brief

Uljana begint met een analyse van de foto van Maja’s kamer in het azc. Ze ziet een Jezusbeeldje aan de muur hangen, ze waren dus christelijk. Ze laat een constructietekening maken om te zien hoe Maja er nu, dus twintig jaar later, uit zou zien. Ze bezoekt de oude school in Egmond waar ze Nederlandse les kregen. Ze vraagt de directrice, de leraren, maar niemand herinnert zich Maja. De school vernietigt alle dossiers na vijf jaar, dus ze hebben niets meer. Ze klopt aan bij de gemeente Bergen, het Rode Kruis, ze zoekt de directrice van het oude azc maar vindt een overlijdensadvertentie van haar. De directrice die haar is opgevolgd, schrijft ze een brief, maar ook dat spoor loopt dood. Ze gaat naar de bibliotheek in Egmond en vindt in het archief een affiche van een open dag, zoekt Torenduin op de site. ‘Heeft u namenlijsten?’ vraagt ze iedereen.

Maja is een speld in een hooiberg. Uljana’s moeder denkt dat Maja misschien uit Iran kwam, dat ze later in Rusland had gewoond. Irak en Afghanistan zijn ook opties. Ze zoekt op Facebook van de hele wereld, op Maya, Mayada, Maiia, alle opties probeert ze. Niets. Ze belt en e-mailt de Immigratie en Naturalisatie Dienst (ind) en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (coa), maar het levert geen resultaat op. Beide organisaties melden er nadrukkelijk direct bij dat ze haar sowieso niets mogen vertellen vanwege de Wet bescherming persoonsgegevens. Het coa denkt dat Maja waarschijnlijk een roepnaam is.

Dan krijgt ze van een onoplettende coa-medewerker een overzicht van mensen die in 1994 en 1995 in het azc in Egmond waren gehuisvest. Zonder naam weliswaar, maar met het land van herkomst en de maand van aankomst. Ze is opgewonden, eindelijk heeft ze iets. Ze gaat tellen. Ze ziet bij Litouwen ‘2’ staan: dat is zijzelf met haar moeder. Ze weet dat Maja met beide ouders en een zusje hier was, dus er moeten minstens vier mensen uit één land zijn die in 1995 zijn gekomen. Zo valt er een aantal landen af. Ze was christelijk en sprak Russisch. Wat overblijft aan mogelijke landen van herkomst, in combinatie met de coa-lijst, zijn volgens haar: Georgië, Armenië en Afghanistan.

Ze vindt nog een aanwijzing: via-via komt ze in contact met een oude leraar. Hij heeft nog een schoolkrant uit juni 1995 met een verhaaltje waaronder staat: ‘Maja, 12 jaar’. Het is dus Maja met een j. Een schamele oogst. Maar ze prikt het op haar crime board.

Wanneer ze drie jaar bezig is, begint ze zich af te vragen of Maja wel heeft bestaan. Ze geeft bijna op. Maar in november 2015 krijgt ze de mogelijkheid om de hoofddirecteur van de ind, Rob van Lint, persoonlijk haar brief te overhandigen met het verzoek Maja in het systeem van de ind op te sporen. Ook deze foto prijkt op het prikbord. Ze geeft alle details, alles wat ze tot nu toe te weten is gekomen: het jaar dat Maja in Egmond is gearriveerd, haar vermoedelijke leeftijd, dat ze Russisch sprak, dat ze uit drie landen kan komen. Ze heeft al zoveel ingangen, het zal de ind zeker lukken. Er waren maar 137 bewoners in het Egmondse azc, zo moeilijk kan dat toch niet zijn om een meisje dat Maja heet te vinden?

Uljana ziet haar zoektocht als emancipatie van de ex-vluchteling. ‘Ik ben me bewust van mijn positie en het systeem waarin ik ooit zat’, schrijft ze in haar betoog bij haar tentoonstelling. ‘Ik draai de rollen om en eis opheldering die ik als kind niet kreeg of niet begreep. Door terug te keren naar het systeem, en dus naar het verleden, bevraag ik de keuzes die er voor mij gemaakt werden, buiten mijn macht.’

Langzaam ontrafelt Uljana zo de vaagheden uit haar verleden. Zo heeft ze eerder al haar eigen dossier bij de ind opgevraagd. Ze vond in het dossier haar geboorteakte. Wat haar opviel was dat er ‘joods’ stond bij haar naam. ‘Joods?’ dacht ze. ‘Dat zijn we toch niet?’ Ze confronteerde haar moeder ermee en filmde het gesprek.

Uljana: ‘Op mijn geboorteakte staat dat we joods zijn.’

Moeder: ‘Dat was twintig jaar geleden!’

Uljana: ‘Maar we zijn toch niet joods mam?’

Als de brief van de IND komt, valt Uljana na het lezen ervan stil. Er wordt haar aangeraden het internet te raadplegen

Moeder: ‘Niet alles hoeft hardop gezegd. Dit is een duister document dat alleen maar ellende met zich mee zal brengen. Laat het liggen tot dat de letters vervagen door het licht.’

Ze vervolgt, boos: ‘Het enige wat voor jou overblijft, is blij te zijn dat je hier bent. Ik vertel je de rest later, over een jaar of tien. Er is een klein geheimpje.’ Later geeft haar moeder toe dat ze aan ‘iemand’ geld heeft betaald om het zo te vertalen. De werkelijke reden voor hun vlucht was dat haar moeder haar niet wilde zien opgroeien in een land dat jaren te lijden had gehad onder de Sovjet-Unie en waar de Russische minderheid niet welkom was.

Als ex-vluchtelinge Uljana wil Uljana Orlova uit de anonimiteit stappen. ‘Wij zijn “crisis” en “problematiek”. Wij zijn zielig of helden. Wij zijn uitgeprocedeerd of ingeburgerd. Wij zijn een groep maar nooit een individu. Over ons wordt gedebatteerd in de politiek. Ze schrijven over ons in boeken, kranten, tijdschriften en internet. Je hoort over ons regelmatig op het nieuws en reportages. Vaak zijn we het onderwerp in documentaires en je kan ons tegenkomen in tentoonstellingen waarin er foto’s van ons hangen. Er wordt voor, tegen en door ons gedemonstreerd. Ze zoeken naar antwoorden, begrip en oplossingen maar laten we eerlijk zijn; ze hebben eigenlijk geen idee.’

Volgens haar is die tijd nu voorbij. ‘Zij die in het systeem verwikkeld zijn geweest, moeten hun stem laten horen, hun verhaal vertellen en hun gezicht laten zien. Dat hij naar buiten treedt is nodig voor de vernieuwing binnen het onderwerp. Hij kan nieuwe vragen oproepen, hij kan nieuwe inzichten geven, hij kan openbaren en verbazen.’

Uljana was opgewonden over de hulp van de ind, ze dacht: nu heb ik het hoogste bereikt, dit is de hoogste macht, de ind gaat Maja vinden. Maar als de aangetekende brief van de ind komt, valt ze na het lezen ervan stil. Er wordt haar door de heer Van Lint aangeraden het internet te raadplegen.

Ze is uit het veld geslagen, gekwetst ook. Na een diepe inzinking pakt ze nog een keer een kleine strohalm op. In Iran had ze een andere vriendin uit het azc opgezocht, Kristina uit haar oude kliekje. Haar vader was met het gezin vrijwillig terug gegaan. In een oud adresboekje van Kristina’s moeder had ze een naam gevonden die ze al eerder was tegengekomen. Het was een vrijwilliger van Vluchtelingenwerk die in Torenduin had gewerkt. Ze belt hem. Hij zegt: ‘Ik kan je helpen. Stuur me maar alles wat je weet van Maja.’ Per kerende post krijgt ze alles van Maja gemaild: achternaam, de naam van haar vader, van haar moeder, geboortedatum en -plaats, naam van broers en zussen, het ind-nummer. Alles. Ze blijken uit Georgië te komen.

Ze is perplex. Hoe kan dat? Zij kreeg geen enkele persoonlijke gegevens van het coa, van de ind. En nu liggen hun gegevens gewoon bij iemand op zolder en hij stuurt ze zomaar in een mail aan haar op. Uljana besluit met de vrijwilliger te gaan praten. Waarom heeft hij dat gedaan?

‘Ik kreeg ze mee’, zegt Arie Zwart in zijn woonkamer in Egmond aan Zee. ‘Van een coa-medewerker, niemand deed er iets mee.’ Hij werkte als vrijwilliger van Vluchtelingenwerk bij Torenduin, hij was destijds al gepensioneerd. Zwart was heel erg betrokken bij de asielzoekers. Hielp ze waar het maar kon. De vrijwilliger herinnert zich Uljana niet precies, maar wel medebewoners uit die tijd. Toen Torenduin in 1996 gesloten werd, wilde een medewerker van het coa de grijze ordners met mutatieformulieren en kopieën van identiteitspapieren in een vuilcontainer gooien. Zwart wilde ze graag mee naar huis nemen. Voor hem was het alsof hij de asielzoekers dan nog een beetje bij zich had. Hij las er soms in als hij op zolder kwam, herinnerde zich de mensen, de verhalen. Het was alsof hij foto’s bekeek. Hij wist wel dat het niet mocht, maar hij had geheimhoudingsplicht, hij deed er niets mee. Een paar jaar geleden vernietigde hij 98 procent van de dossiers, door de papierversnipperaar. Van een stuk of tien kon hij geen afscheid nemen. Ze liggen nog steeds in zijn bureaula in een ordner. Het ongelooflijke toeval wil dat daar het gezin van Maja bij zat.

Medium forensische 20tekening 20hoe 20maya 20er 20nu 20ongeveer 20uit 20zou 20kunnen 20zien 20 25 30 20jaar . 20r. 20raven 2c 20april 202014

‘Dit druist in tegen alle regels en gedragscodes’, zegt Annemiek Bots, woordvoerder van Vluchtelingenwerk direct. Vluchtelingenwerk was destijds minder geprofessionaliseerd, benadrukt ze. ‘Maar zoiets heb ik nooit eerder gehoord.’ De cliëntdossiers, nu digitaal, zijn alleen in te zien door vrijwilligers die werken met asielzoekers per azc-locatie waar ze werken. ‘We hebben veel geïnvesteerd in scholing rondom bescherming van persoonsgegevens’, vervolgt Bots. ‘Er zijn gedragscodes, wie, wanneer en waar toegang heeft tot die dossiers. Maar we kunnen geen honderd procent garantie bieden.’ Vluchtelingenwerk beschouwt dit als een ‘ernstig signaal’. ‘We gaan kijken of we daar nog iets mee kunnen. We willen wel weten hoe dit precies is gegaan. Het is ook aanleiding om er nog eens extra alert op te zijn.’

Het coa reageert laconiek. ‘Het hoort niet, maar coa-dossiers zeggen niet zo veel’, zegt de woordvoerder. ‘Het zijn bewonersregistraties, de persoonlijke vluchtverhalen staan in de dossiers van de ind.’

Waarom laat het systeem niet toe dat voormalige asielzoekers elkaar kunnen terugvinden?

Uljana pakt de gegevens die ze van de vrijwilliger heeft gekregen en gaat googlen, maar ze vindt niets. Ze twijfelt, is het de goede Maja? In het telefoonboek vindt ze de mogelijke vader van Maja. Ze vertelt in het Russisch dat ze in Torenduin heeft gezeten, dat ze al drie jaar op zoek is naar zijn dochter, of hij haar alsjeblieft wil helpen. Hij zegt: ‘Dat is een bijzonder verhaal. Hoe is je naam?’

‘Uljisha!’ roept hij uit als hij zich haar herinnert, en belooft haar telefoonnummer aan Maja te geven.

Een uur later gaat de telefoon. ‘Ik ben Maja. Jij bent op zoek naar mij?’ Maja herinnert zich Uljana niet. ‘Wanneer kom je langs?’ vraagt Maja wel. ‘Kom logeren.’

In de trein op weg naar Kerkrade is ze heel zenuwachtig. Nadat ze de foto’s had gestuurd, wist Maja ook wie ze was. Op het station omhelzen ze elkaar. Maja is klein, net zo klein en tenger als Uljana. Ze spreekt met een zachte ‘g’, is getrouwd, heeft twee kinderen. Ze wisselen Russisch en Nederlands af. Ze zijn allebei heel nerveus. Nog steeds heeft ze die warmte en kalmte van toen. De volgende dag is Maja’s zoontje jarig en komt de hele familie, ze halen albums met foto’s uit het azc erbij. Ook de foto van hen samen op het strand. Ze dansen die dag met z’n allen in de woonkamer.

Voor Uljana houdt het hierbij niet op. Er zit haar iets heel erg dwars. Ze is eigenlijk zo boos, zo gekwetst dat ze Maja nu op deze manier heeft moeten vinden. Haar woede richt zich vooral op de ind. Op het systeem, zoals zij het noemt. Ze besluit de hoofddirecteur van de Immigratie en Naturalisatie Dienst te confronteren met haar vinding. Ze wil hem vragen hoe het systeem van de ind in elkaar zit. Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat ze nu langs deze weg Maja heeft gevonden. En: waarom laat het systeem niet toe dat voormalige asielzoekers elkaar kunnen terugvinden? Ze wil wel een voorstel schrijven voor hoe de ind in de toekomst andere mensen met dit soort verzoeken kan helpen.

Hoofddirecteur Rob van Lint staat haar te woord op het ind-hoofdkantoor in Rijswijk, maar het zal een teleurstellend gesprek worden voor haar. Hij legt nogmaals uit dat hij te weinig gegevens had, dat de ind graag zijn ‘klanten’, zoals hij asielzoekers noemt, helpt, maar dat er ruim vier miljoen mensen in het systeem zitten – iedereen die ooit in contact is geweest met de dienst blijft erin vermeld.

‘Dus Maja en ik zitten nog in het systeem?’ vraagt Uljana.

‘Ja’, antwoordt Van Lint.

‘Wow’, zegt Uljana. ‘Maar het systeem laat niet toe om iemand zonder achternaam te traceren?’

‘Nee’, antwoordt de ind-hoofddirecteur.

‘Ik vind het pijnlijk dat ik het nu zo heb moeten vinden’, besluit Uljana. Ze weet niet wat ze hem nog meer zal vragen. De emancipatie van de vluchteling stopt voor Uljana Orlova bij de ind.


How to write Mayja van Uljana Orlova is te zien op de eindexamententoonstelling in De Melkweg in Amsterdam, 30 juni t/m 3 juli, en op de tentoonstelling De asielzoekmachine op dezelfde locatie, 15 juli t/m 21 augustus

Beeld: (1) analyse van een foto in het azc, om zo achter de identiteit van Maja te komen; (2) Maja (l) en Uljana, Egmond aan Zee, mei 1995. Een van de drie foto’s die Maja meestuurde bij haar brief; (3) Forensische tekening van hoe Maja er nu ongeveer uit zou kunnen zien (25-30). R. Raven, april 2014