Waar is mijn romantiek?

Op mijn leeftijd is een jong meisje een gedicht dat je vroeger had willen schrijven. Nu dicht je over de dood, net als toen trouwens.

Had ik destijds niet moeten doen.
De vriendinnen van mijn dochter fladderen nu als zinnen door mijn bestaan en de jonge meisjes die ik ontmoet, zoenen me bij wijze van groet. Ze verzoenen je met de dood, want ze maken het ouder worden zo ondraaglijk dat de dood een hoer wordt waar je verlekkerd naar kijkt maar waar je niet bij naar binnen durft.
Als angst verdwijnt, maar tegelijkertijd toeneemt, bedacht ik, moeten er twee angsten zijn. Net als liefde die voorbijgaat, maar heftiger aan je knaagt dan ooit - er moeten meer woorden zijn dan alleen ‘liefde’.
Waar is in godsnaam mijn romantiek van vroeger?
Terugkijkend heb ik somberheid verward met romantiek, terwijl wat ik nu romantisch zou noemen altijd omlijst is met perfide droefheid.
Tegen wat slik ik eigenlijk pillen?
Tegen het feit dat ik niet meer weet wat te zeggen? Tegen de moeheid waardoor ik niet slapen kan? Tegen de dood die onvermijdelijk dichterbij komt? Tegen de liefde, terwijl ik liefde wil? Tegen de ouderdom - buk dan als een jonge man en niet als iemand die altijd pijn in zijn rug heeft, verhoog je tempo, praat sneller, wees leuker!
Er is geen pil die daartegen helpt.
Ik slik een pil tegen het verlies van betekenissen - niets is meer wat het was, niets zal ooit zijn zoals ik nu wens.
'Waar is hij nu?’ hoor ik een jong meisje vragen in een film.
'Hij poetst zijn oude geweer, want hij wil op oorlogspad.’
'Maar er is helemaal geen oorlog.’
'Leg hem dat maar eens uit.’
Het meisje loopt weg, want ze begrijpt de oude man niet, op wie ze vroeger verliefd was.
Ik wel.
(Het is een Franse film.)
Die oude man wil weer oorlog, want er is geen oorlog en hij weet ook dat als er oorlog komt, hij niet eens meer hoeft te vechten. Wat heeft je bestaan dan nog voor zin? Dan kun je beter voortdurend je geweer poetsen met het oogmerk om zelf nog eens oorlog te maken.
Oude helden bestaan alleen voor andere oude helden.
Achter de deur van haar kamer hoor ik mijn dochter en de jonge vriendinnen praten. Ik kan de deur opendoen en winden latend binnenkomen. Of als aap, of als hond, of prins. Heb ik vroeger allemaal gedaan, zou nu belachelijk zijn.
Gekte hangt soms samen met leeftijd. Ergens overschrijd je een grens waarop je niet meer gek mag zijn, hoe gek je ook bent.
Een woordenboek zou altijd door drie generaties getoetst moeten worden: jongeren, middelbaren en ouderen.
Wat is oorlog? Wat is liefde? Wat is geluk?
Buiten regent het en alom hoor ik het gevloek op de druppels die steeds harder tegen het raam tikken, terwijl ik eindelijk, eindelijk een zacht geluk ervaar omdat we hier, in deze kamer, gevangen zitten en aangewezen zijn op onszelf. Het is nu tijd om over vroeger te vertellen - en dat doe ik ook.
'Je bent wel vaak ziek in je hoofd, pap. Geniet nou eens een keer van de dingen.’
Ik kan niet zeggen dat ik dat net heb gedaan.
De meisjes pakken hun lippenstift en gaan met z'n drieën voor de spiegel staan omdat ze uit moeten.
Hun vrienden, natgeregend komen ze ze halen. Ze ruiken naar jeugd, onweer en geiligheid. Eén kijkt hoe de lippenstift keer op keer over de steeds vollere lippen draait en ik kan met mijn voet niet eens meer het ritme van zijn hart mee tikken, want het gaat te snel.
Ze gaan dansen.
Zoals regels in een gedicht je soms een andere kant uit kunnen sturen.
'Dag pap’, zegt mijn dochter. Ze zoent mij als haar moeder en de mijne.
'Dag mijnheer.’
'Dag.’
'Oeps, ik heb uw wang rood gemaakt.’
Eindelijk heb ik het juiste ritme te pakken.
Een gedicht moet het worden - het mag niet rijmen - maar er moeten trage woorden in voorkomen die het ritme van je hart opstuwen: liefde, romantiek, geluk.