Waar is thuis?

Viet Thanh Nguyen laat zien dat het oude vaderland niet iets is wat je kunt afschudden als je in een nieuw land woont. Wie denkt zijn lot altijd in eigen handen te kunnen houden, bedriegt zichzelf.

24 maart 1975, Hué, Zuid-Vietnam. Verscheping van bootvluchtelingen © Bettman / Getty Images

‘De sympathisant’ van de Amerikaans-Vietnamese schrijver Viet Thanh Nguyen was vorig jaar een grote verrassing. Nguyen vertelde een welhaast labyrintisch verhaal over een dubbelspion met een vloeibare identiteit: wie was hij, waar lagen zijn wortels? Amerikanen vormen de achtergrond van de roman. Dat consequente perspectief is de kracht van De sympathisant. Wraakzuchtig anticommunisme én een wervelend schimmenspel rond identiteit zorgen ervoor dat de vertelling een niets en niemand ontziende zoektocht wordt naar… ja, naar wat? Een echt gezicht, een zuivere identiteit die niet meer afhankelijk is van communistische heropvoeding of Amerikaans materialisme. Daartussenin bestaat een derde, individualistisch-humanistische weg.

Zijn eerste verhalenbundel De vluchtelingen is deels een voorstudie van De sympathisant. Nguyen weet een wisselend en genuanceerd beeld te schetsen van vooral Vietnamese Amerikanen die Vietnam hebben verlaten maar hun vaderland nog immer met zich meedragen. Ze hebben dan wel een nieuw ‘thuis’ maar kunnen niet werkelijk wortelen en hun nieuwe land. Voor eeuwig ontheemd zijn ze.

Wat blijft er over van iemands identiteit als de herinneringen vervormd raken, vervagen of verdwijnen?

Drie van Nguyens verhalen gaan over Vietnamese bootvluchtelingen in 1975, het jaar dat het communistische Noord-Vietnam Saigon veroverde en de laatste Amerikanen de stad halsoverkop per helikopter ontvluchtten, een chaotische scène die Nguyen prachtig beschrijft in De sympathisant. In de openingsvertelling van zijn verhalenbundel duikt na jaren een verdronken jongen op in het leven van een ghostwriter. Die geest is haar broer, die haar aan boord van het bootje in de Zuid-Chinese Zee vergeefs beschermde tegen piraten. De druipnatte broer is helemaal naar Amerika komen zwemmen, het land van het materialisme. Maar wat hebben de Vietnamezen nog over in de VS? Alleen hun verhalen over hun Vietnamese vroeger toen ze speelden in tunnels en bunkers. Die herinneringen lijken nog houvast te bieden, daaraan denken ze nog hun identiteit te kunnen ontlenen, die in Amerika van alle kanten wordt belaagd.

Het tweede bootvluchtelingenverhaal, De minnaar, betreft een homoseksuele, minderjarige Vietnamees die bij twee Britse mannen in San Francisco mag wonen. Hij is in de Zuid-Chinese Zee gered door een torpedobootjager van de Zevende Vloot, naar Guam getransporteerd en ten slotte via Camp Pendleton bij San Diego bij de Britten terechtgekomen. Hij doet moeite om een goed iemand te worden maar worstelt met de omgangsvormen en met de morele mores. De egoïstische Amerikaanse manier van denken – ‘Je helpt [je ouders] het beste door jezelf te helpen’ – botst op zijn zorg om anderen, zijn achtergebleven familie. Herinneringen aan het afscheid van zijn ouders, die hem een brief schrijven over hun zogenaamde heropvoeding, kwellen hem.

Maar wat blijft er over van iemands identiteit als de herinneringen vervormd raken, vervagen of verdwijnen door dramatische vergeetachtigheid? In het derde bootvluchtelingenverhaal is een oudere professor in de oceanografie een alzheimerpatiënt die zijn vrouw voor een vroegere geliefde aanziet. De vrouw, die bijna bezwijkt als mantelzorgster, beseft dat zij altijd tweede keus is geweest, maar haar liefde voor hem is zo groot dat zij doet alsof ze die oude geliefde is. Voor hen zit er op hun oude dag geen cruisevakantie meer in omdat zij verdrinkingsangst heeft opgelopen tijdens de vlucht uit het vaderland, ‘tijdens de afgrijselijkste dagen van haar leven, toen ze verdwaald waren op de grote azuren watervlakte’.

Wat communistische heropvoeding in de praktijk betekent blijkt uit twee verhalen. In De minnaar krijgt de jonge Liem, die in het Vietnam van 1974 op een onbevredigende manier afscheid heeft genomen van zijn ouders, een brief van zijn vader, een half jaar nadat de communisten Zuid-Vietnam hebben veroverd. De vaderwoorden hebben iets weg van een theatraal ritueel, een toneelstukje vol pseudo-correct jargon voor de buitenwacht: ‘Afgelopen zomer werden je ooms en neven heropgevoed samen met de andere dienstplichtige marionettensoldaten. De partij heeft hun misdaden vergeven. Je ooms waren zo dankbaar dat ze hun huizen aan de revolutie hebben geschonken.’ Ongetwijfeld gedwongen vrijwillig… In het slotverhaal van De vluchtelingen, Vaderland, komt een scène voor waarin de heropvoeding een toeristische attractie vormt. In drommen duiken toeristen speciaal gegraven tunnels in. In dit ‘pretpark’ wordt zelfs met scherp geschoten om alles nog ‘echter’ te laten lijken. De taal blijkt een façade: ‘Zo winnen we de oorlog. Wij herenigen ons land met moed en offers!’ Tja, hoe zie je als buitenlander, die niet veel meer weet dan dat er een oorlog in Vietnam woedde, het verschil tussen een communist en iemand die door de communisten naar de zogenaamde Nieuwe Economische Zone is verbannen?

Het slotverhaal laat weer scherp zien hoe naar Amerika gevluchte of uitgeweken Vietnamezen worstelen met hun identiteit. Achtergebleven familieleden hebben een vals beeld van de Amerikaanse welvaart en democratie. En Vietnamezen in de VS voelen zich gedwongen een succesverhaal op te hangen dat het ‘thuisfront’ bevredigt en bevestigt in alle vooroordelen over rijkdom en persoonlijk succes. Dat de Amerikaanse werkelijkheid harder is, laat Nguyen subtiel zien aan de hand van een bezoek van een Amerikaanse aan haar Vietnamese familie. Die familie dacht dat ze kinderarts was geworden, met alle geweldige maatschappelijke voordelen van dien. Aan het slot van het verhaal, en de bundel, onthult ze dat ze geen arts is maar een ontslagen receptioniste.

Viet Thanh Nguyen laat in De vluchtelingen niet alleen zien dat het oude vaderland niet iets is wat je van je af kunt schudden als je meent dat je een nieuw vaderland hebt gevonden. Door valse ideeën, verkeerde verwachtingen en een vertekenende ideologie – kapitalistisch of communistisch – ontsporen zelfs degenen die disciplinair blijven. Wie meent zijn lot altijd in eigen handen te kunnen houden, bedriegt zichzelf. Menselijk, al te menselijk.