Waar je blij van wordt

Schoonheid heeft, waar het de kunsten betreft, de afgelopen eeuw geen beste pers gehad. Zij heeft, om met Lucebert te spreken, haar gezicht verbrand en haar geloofwaardigheid verloren.

De wereld is economisch en ecologisch een puinhoop geworden, de mens bleek een moorddadig monster te zijn, het leven is nog steeds vervuld van pijn en in de openbare ruimte is schreeuwerige lelijkheid de norm geworden. Wie onder zulke omstandigheden komt aanzetten met een mooi gedicht of een lieflijk landschapje is bij voorbaat verdacht. Zou kunst zich niet moeten uitspreken over de foute en ondraaglijke aspecten van dit tranendal?

Hubert van Herreweghen (1920), bij mijn weten de oudste nog actieve dichter van ons taalgebied, lijkt zich van het verbod op schoonheid niets aan te trekken. Niet alleen schrijft hij fonkelende juweeltjes, bovendien neemt hij de lezer mee naar een landelijk Brabant waar de tijd heeft stilgestaan, waar de pastoor ‘in zwarte toog’ door het dorp fietst, waar nog met paarden wordt geploegd en waar het ritme wordt bepaald door seizoenen en kerkelijke feesten. Zowel in taal als in levensvisie staat Van Herreweghen dichter bij Guido Gezelle dan bij Hugo Claus, dichter bij de jonge Herman Gorter dan bij Kopland of Leonard Nolens.

Men zou deze poëzie kunnen beschouwen als een statement. De dichter, die in zijn werkende leven journalist en televisiemaker was, is zonder twijfel niet blind voor wat zich in de wereld afspeelt, maar hij zet er een alternatief naast. Hij vraagt aandacht, stille en milde aandacht, voor de mispel, de malve en de papaver, voor de torenklok en de wolken, en voor de man die in alle rust een graf delft op het met notenbomen omzoomde dorpskerkhof. Klinkt dat braaf en onwaarschijnlijk idyllisch, Van Herreweghen is een dermate virtuoos klankschilder dat je er blij van wordt. De gedichten zingen en dansen en hebben zelfs waar het om de dood gaat een vrolijke lichtheid. Door een vernuftig spel met inspringingen wordt de bladspiegel opengegooid en doen de gedichten zich soms voor als de geometrische patronen van een late Mondriaan, maar de afzonderlijke zinnen vertonen een verbluffende dichtheid, ieder woord telt.

Vernieuwing is aan deze dichter niet besteed, want ‘een vers is altijd ouderwets/ van als ’t geschreven is’. De inkt is nog niet droog of het gedicht is al geschiedenis. Herrie en oproer zijn kortstondige fenomenen, goede poëzie neemt de tijd en vraagt om stilte:

Laat het daarom een eeuw of wat

slapen en geeuwen op zijn blad.

Wat er van blijft, kap het in steen,

(dat kan men lezen op de tast),

porfier bijvoorbeeld, uit Quenast.

Begraaf die diep. Ga rustig heen.

De dichter is een kalm observator en een aandachtig luisteraar, die desondanks meer lawaai maakt dan hij zou willen, doordat hij nu eenmaal ruimte inneemt en wind vangt. Als een vogelschrik of boeman wil hij de kwetsbare kersen en aalbessen beschermen, alles van waarde is immers weerloos, maar daarvoor moet hij wel de vogels wegjagen, hoe dierbaar die hem ook zijn. Elke daad van liefde draagt ook zijn tegendeel in zich:

Een bulleman in de kersenboom,

de stroman op het veld,

tussen de hinnebezen,

om het tedere te beschermen,

te wieken met zijn stokkige armen

en te ratelen met blik,

die bulleman ben ik.

Ik wou niet ratelen, zegt hij, maar het is de wind ‘die hier wat hinder ondervindt’. Wat een bescheiden zorgzaamheid spreekt er niet uit de woorden waarmee hij zijn dichterschap typeert:

De tedere vogelschrik,

die vogels liefheeft, dat ben ik.

Met warmte en enthousiasme begroet hij de komst van de zomer, vol liefde denkt hij terug aan de schoonheid van zijn vrouw, met vitale weemoed kijkt hij uit over de zee. ‘De tijd van laven, lieven, langen,/ de tijd van lust en/ loven,/ de tijd van leven is voorbij.’ De merels houden op met zingen, wie ooit kind was is oud geworden, er komt een nevel opzetten en het wordt koud:

De zee ligt vlak zonder orkaan,

nu moet ik naar de vaderen gaan,

ze wachten mij.

Tegelijkertijd is de zee een vrouw die door de zon wordt gestreeld en nieuw leven kan baren. Het ‘verliefde licht’ speelt met haar schouders, met haar haren, ‘haar borsten en haar buik/ zoals wij waren’. Omgekeerd beschrijft Van Herreweghen het licht als een jonge vrouw die de zee, haar bejaarde echtgenoot, ’s morgens helpt met aankleden: ‘Het licht heeft duizend handen’.

Wie 95 is, weet dat de dood nabij is, maar hoewel Van Herreweghen nog volop van kleuren en klanken geniet, boezemt het naderend einde hem geen vrees in. De plataan op het kerkhof spreidt ’s zomers zijn takken uit als een ‘groene moeder’, in de winter bereidt de boom zich voor op nieuw leven ‘om uit zijn wortelen het sap/ te stuwen in een ril/ van de nadenkende blaren’. De dichter zal sterven, maar daarmee is het niet afgelopen:

De dichter wordt in zee gegooid,

de baren wiegen hem in de oren.

Kort duurt het groot gezang. Ooit

wordt hij elders herboren.

Hubert van Herreweghen

De bulleman en de vogels


Met lakens licht

Met lakens licht, in tinten allerhande,

’t is roze, ’t is sahara, bijna groen,

van wolkenwit tot vermiljoen,

bevloeit een dag ’t ontwaken van de zee,

speelt met haar schouders, hals en lee,

bewimpeld, om de beurt beschenen

tot de uitloop van de zwarte stenen,

tot in het spel en arbeid van de dagen,

de bezigheid van donkeren en klaren

aan noen en nacht wordt opgedragen.

Gewaden zweven aan en glijden mee.

De catwalk blijft bewandeld tot

de gouden maan rijst uit het zwarte slot.