K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter © Vincent Mentzel / De Beeldunie

In een roman van K. Schippers kan alles. Boodschappenlijstjes, plattegronden, foto’s, citaten, herinneringen, poëzie, dialogen. Springerig en verbrokkeld tuimelt het over je heen, en je voelt je wat verloren, misschien wel net zo verdwaald als de verteller aan het begin van zijn nieuwe roman Nu je het zegt.

Hij is in Londen op zoek naar een specifiek adres, Westmoreland Road, vindt dit ook, maar het blijkt een straat te zijn met dezelfde naam, in een ander stadsdeel. Intussen heeft hij op Charing Cross Road een fotoboek gekocht van Fiona Struengmann, die op de markt gekochte sepiafoto’s bewerkt met witte verf, zodat alleen de randen overblijven. Zo gaat het, zegt Schippers. ‘Herinneren is tasten naar wat je deels hebt gezien.’

Dat tasten is wat er in deze roman gebeurt, op allerlei manieren. Zo is er een vrouw die met een ‘Sensecam’ rondloopt op haar buik, een camera die elke drie minuten een foto neemt. Zo’n beetje het omgekeerde van die witte verf dus, maar even ontoereikend om de werkelijkheid vast te grijpen.

Het mooie is dat Schippers die ontoereikendheid nergens als frustrerend of weemoedig voorstelt. Integendeel. Hij lijkt er vooral vrolijk van te worden. Het tekort raakt gevuld met een speels plezier dat radicaal eigenzinnig is en je dwingt tot langzaam lezen: ‘Gebruik de werkelijkheid alsof je er niets mee te maken hebt. Dat doet het veldje ook. Het lijkt of het twijfelt aan z’n eigen bestaan, het liefst niet mee wil doen aan wat je van verre kunt bekijken.’

Nu je het zegt heeft ook nog een overkoepelend verhaal, dat zou je bijna vergeten. In zijn zoektocht naar dat Londense huis ontmoet de verteller een vrouw die ondertitels maakt voor films en een Vietnamese schilder, Le Phô, en gaandeweg komen er nog wat personages bij. Er is een excursie naar het huis van Lewis Carroll, een treinreis, een verblijf aan de kust, die ineens verandert in die van het Noord-Hollandse Bergen.

Schippers lijkt van ontoereikendheid vrolijk te worden

Le Phô blijkt een bestaande schilder (1907-2001) en ik kreeg de indruk dat de auteur hem inderdaad gekend heeft en met hem opgetrokken is. Helemaal zeker is dat niet, maar je neemt het aan, omdat veel in dit boek autobiografisch en documentair is. Schitterend is bijvoorbeeld een door zijn grootmoeder op haar twaalfde geborduurd alfabet, waarin zij per ongeluk de letter G vergat, en die daarna alsnog na de Z neerzet. ‘Daar dan maar, op de mooiste plaats, die van de improvisatie.’

Improviseren is uiteraard wat deze rare, rijke roman doet, maar dat wil niet zeggen dat alles willekeurig is. Zoals die overschilderde foto in het begin wordt afgedrukt, zo zijn ook die geborduurde letters hier met zorg gearrangeerd. Gaandeweg verandert de roman van een flanerende zoektocht naar eentje met de taal zelf als hoofdpersoon. Een autobiografie van de taal, of zoals een personage als titel voorstelt: Het leven van de taal.

Dan gaat het over zijn eigen eerste krabbels op school, en over de gesprekken die hij had met zijn broer Maarten. ‘Zonder mijn broer valt elk woord uit elkaar, bestaat het nog maar voor de helft.’ Ze hadden namelijk specifieke associaties bij woorden die alleen zij konden hebben.

Maar het gaat net een stapje verder dan bespiegelingen die alleen óver de taal gaan. ‘Hoe is het als woord in een zin te staan en in welke. Kan me beter stilhouden, wat moeilijk is als ik er steeds moet zijn. Je vergeet me wel, als de lucht die je inademt, vloer onder je voeten, hemd tegen je rug. Je voelt het niet meer, terwijl het er wel is, denkt er niet aan of er moet iets beschadigd zijn.’

Schippers maakt de taal, die we gebruiken zonder erbij stil te staan, weer helemaal nieuw. Hij zorgt dat we er bij stilstaan, juist door doelbewust zulke ‘beschadigingen’ aan te brengen. De witte verf op de sepia foto’s. Hij geeft gesprekken weer zoals je ze werkelijk hoort op straat, als flarden van woorden, kreten die geen volle zin worden. En soms is de beschadiging alleen maar schijnbaar een beschadiging, die juist een compacte, echt schipperiaanse voltreffer van een zin oplevert: ‘Waar je op let verdwijnt.’ Zo simpel kan het zijn.

Hou ik van dit soort romans? Boeken waar je, als je eerlijk bent, maar een deel van begrijpt? Soms ja. Maar niet te lang achter elkaar en ook niet in de volle zon, dan duizelt het, en ben je meegesleurd naar een of andere rand, waar de auteur je even boven houdt, en bijna pesterig dwingt omlaag te kijken: ‘Dingen waar geen mens aan is geweest, niet aan kan komen, ongevoelig is al het zelfstandige voor een benadering. De leeftijd van schaduwen. Voegen, scheiden van steeds veranderende woorden.’

Sommige passages herinneren in hun indringendheid aan een stuk dat K. Schippers vorig jaar in de NRC schreef, nadat hij met corona in het ziekenhuis belandde en dacht dat hij het niet ging redden. Ook daarin lees je, met terugwerkende kracht, dat de taal zelf de hoofdpersoon aan het worden is, en de auteur verandert in taal, van het soort dat alleen hij kan schrijven: ‘Als ik er nu toch aan ga, heb dit niet bedacht. Het leven zelf, cadeau gekregen. Niet bang, of ik boven mijn eigen sterfelijkheid sta, dit na je verdwijning. Haal de kinderen, ze komen al. De taal sterft niet.’