Waar leugens regeren

Günther Anders
De catacombe van Molussië
Uit het Duits (Die molussische Katakombe, 1992) vertaald door Piet Meeuse
Lemniscaat, 312 blz., € 19,95

Misschien is er van Günther Anders (1902-1992) zo weinig vertaald – in de jaren zestig een briefwisseling met de Hiroshima-piloot Claude Eatherly en een Hiroshima-dagboek – omdat hij als filosoof noch als schrijver gemakkelijk te rubriceren is. Hij was een van de eersten die systematisch over techniek filosofeerden, én over de discrepantie tussen moderne techniek en gevoelens. De enige roman die hij schreef, over het totalitaire Molussië, is een raamvertelling, waarin twee politieke gevangenen elkaar politieke fabels vertellen. Generatie na generatie neemt de jongste, die altijd Yegussa heet, de rol van de oudste, de leermeester, altijd Olo geheten, over. In de duistere cel kunnen zij elkaar alleen maar horen; hun vertellingen worden opgetekend door de bewakers buiten.

Günther Anders begon zijn zwarte anti-utopie toen hij, misschien wel definitief, versomberde na het lezen van Hitlers Mein Kampf, in 1930. Nog voordat het boek gepubliceerd werd, was het de reden waarom hij in 1933 Duitsland moest ontvluchten. Het manuscript werd gered doordat de uitgever het in een landkaart van de Stille Zuidzee had gekaft, met daarin het fictieve eilandje ‘Molussië’. De Gestapo dacht dat het een bundel sprookjes was. Pas zestig jaar later, in het sterfjaar van de schrijver, is het boek uitgegeven, maar Molussië, het land waar de leugen regeert, kwam ook in veel ander werk van Anders voor, evenals de thematiek van de roman. De strekking van de fabels is ook niet aan de grenzen van het Derde Rijk gebonden.

De rode draad in de vertellingen, die soms in dichtvorm zijn, is de strijd tegen de leugen en voor de zaak van de rede. Maar eenvoudig is de verhouding leugen en waarheid allerminst; de vertellers zijn dialectici, vooral de oudste is een strenge scherpslijper, al blijkt hij later veel wendbaarder dan hij aanvankelijk lijkt, zeker als aan het slot de rollen wisselen en de jongste na alle lessen onthechting, verzet, leugenkunde zelf leert liegen. Elke leugen schreeuwt: ‘Ook ik ben waar’. Dan moet de waarheid harder schreeuwen of zichzelf presenteren als leugen. Er is een revolutie ophanden, maar revolutie, leert de oudste, is moeilijker dan je denkt: ze begint namelijk de dag na de overwinning. ‘Fabels’, dat zegt de verteller er ook zelf bij, ‘zijn geen afbeeldingen, maar apparaten.’ De fabel als microscoop, zo werkt het, met als resultaat een swifteaanse overdrijving.

Piet Meeuse, de vertaler, plaatst boek en auteur in een context, zodat deze filosofische groteske niet zelf een onvindbaar eiland wordt in de boekenzee, het lot van eerdere uitgaven van deze dwarsdenker.