De sociale wijkteams in Leiden, vier maanden na de decentralisatie

‘Waar moet gaan? Probeer maar voor mij bellen’

Het idee was dat sociale wijkteams de zorg ‘dichter bij de burger’ zouden brengen. Maar de teams zijn opgezadeld met veel te veel taken. Verwarring in het werkveld.

Tijdens een vergadering van teamcoaches van alle sociale wijkteams in Leiden verzucht een van de deelnemers: ‘Ik weet, eerlijk gezegd, soms bij God niet waar ik precies mee bezig ben en welk petje ik nú weer op heb…’

Het is geen diplomatieke samenvatting, wel een heel treffende. Het sociale domein ligt sinds 1 januari volkomen overhoop. Het oude systeem is gesloopt, het nieuwe systeem is nog in opbouw en fungeert gebrekkig, zo moet geconstateerd worden na een week meelopen met een sociaal wijkteam – het paradepaardje van de decentralisatie.

Voor de sociale werkers, de bouwvakkers van die nieuwbouw, is het zoeken, tasten, leren, proberen en experimenteren. Het feitelijke werk gaat ondertussen wél gewoon door: de burgers melden zich elke dag opnieuw met hun problemen in alle kleuren van de regenboog. Zoals in de wijk De Mors in Leiden, waar het gelijknamige sociaal wijkteam (swt) er het beste van probeert te maken. Van start gegaan in april 2014 en sinds begin dit jaar óók opgezadeld met de Wmo 2015 (Wet maatschappelijke ondersteuning) die regelt dat hulpbehoevende mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Hierbij gaat het om trapliften, rolstoelen, huishoudelijke hulp en niet-medische begeleiding, zoals coaching of dagbesteding.

De acht Leidse wijkteams hebben een zeer breed takenpakket. In een brief aan bewoners staan ze opgesomd: ‘Het wijkteam is er voor al uw vragen over welzijn en zorg. Bijvoorbeeld vragen over aanpassingen aan uw woning, vervoersvoorzieningen, financiën, zorg en gezondheid. U kunt ook bij ons terecht met vragen over uw relatie, rouwverwerking, ruzie en geweld.’ Ook ‘ideeën voor de wijk’ zijn welkom. De doelgroep: ‘Voor iedereen in de wijk die er alleen niet meer uit komt en ondersteuning nodig heeft. Wij zijn er voor u, maar ook voor uw familieleden, buren of vrienden.’

In een kaal kamertje in het wijkgebouw klappen de sociaal werkers Milou Fonk (53) en Marijke van der Kruijt (24) hun laptops open en installeren zich voor het spreekuur. Eén voor één druppelen ze binnen, de wijkbewoners met een probleem. Of een hele serie problemen.

Vaak zijn het mensen die de Nederlandse taal maar matig, soms zelfs amper machtig zijn. Mensen die verdwalen in de Nederlandse formulierenjungle.

Telkens proberen de sociaal werkers het ‘Eigen kracht’-credo toe te passen. Niet langer de problemen van de sociaal zwakkeren overnemen, maar hen helpen die problemen voortaan zélf – of met hulp van hun eigen omgeving – op te lossen.

Een 64-jarige Turkse man wandelt binnen. ‘Probleem ziekenfonds’, luidt zijn probleemanalyse. ‘Altijd 218 euro betaald, nu brief.’ De sociaal werkers bestuderen het schrijven en concluderen dat de collectieve verzekering via de moskee is gestopt. ‘Geen idee waarom’, vraagt Fonk. ‘Is uw inkomen gestegen? Ik ken deze regeling niet.’

De man: ‘Nee, niet uitkering, ik ben wao. Vrouw werken.’ Hij krijgt het advies eerst eens bij de moskee te gaan vragen wat er aan de hand is.

De volgende: een Marokkaanse man van 74. ‘Ik kom voor belasting.’ Dat doet het swt niet, vertellen de sociaal werkers. ‘Nee? Waar moet gaan? Probeer maar voor mij bellen.’ De man krijgt de opdracht het eerst zelf eens te proberen. ‘Deze meneer heeft twee kinderen die goed Nederlands spreken’, zegt Van der Kruijt na zijn vertrek. ‘Eigen kracht hè.’

Een 64-jarige Surinaamse vrouw kan niet achterhalen hoeveel pensioen ze heeft. Het inmiddels ook aangeschoven sociaal raadslid Sytze Sietsma (57) zal Delta Lloyd eens bellen.

Een Marokkaanse man van rond de veertig komt met het formulier individuele inkomenstoeslag. Hij wordt verwezen naar het formulierenspreekuur, gerund door vrijwilligers. Sociaal werker Van der Kruijt later: ‘We krijgen hier bijna alleen maar mensen die slecht Nederlands spreken, ze duwen een formulier onder je neus en zeggen: hier!’

Jurist Sietsma: ‘We krijgen zóveel problemen… je kunt niet alles doen. Dan moet je jurist en maatschappelijk werker en tandarts tegelijk zijn.’ De meldingen die via de aanmeldformulieren voor het sociaal wijkteam binnenkomen lezen als een soort routebeschrijving door hulpbehoevend en armlastig Nederland.

‘Hulp bij schulden’;

‘Aanslag belasting is verrekend met uitkering’;

‘Terugvordering huurtoeslag en bijstand’;

‘Toeslag uwv stopt’;

‘Man wil niet dat vrouw inburgering volgt. Wil bezwaarschrift indienen’;

‘Inschrijven Voedselbank’;

‘Ik nooit gewerkt’, zegt de vrouw. ‘Altijd man zorgen, hij WAO. Hij zegt: salaris alleen voor hem’

‘Terugvorderen WW wegens zwart werk’.

Het idee achter de sociale wijkteams is helder: één loket, in de wijk, dicht bij de mensen. Niet langer een stoet van hulpverleners in een gezin. Maar dan de praktijk. In Leiden (122.000 inwoners) is gekozen voor het ‘T-shape model’: één brede frontlinie van ‘generalisten’ die alle eerste gesprekken voeren. Is meer gespecialiseerde kennis nodig, dan gaat de hulpvraag alsnog de ‘steel van de T’ in.

De sociaal werkers zijn afkomstig van de deelnemende organisaties in het wijkteam. In Leiden zijn dat mensen van de gemeente, van maatschappelijk werk, ouderenzorg, welzijnswerk en Stichting MEE (licht verstandelijk gehandicapten). Aan wijkteam De Mors is ook nog los-vast een opbouwwerker verbonden. In totaal negen medewerkers onder leiding van teamcoach Lydia van Leeuwen (50).

Wat de zaken vooral ingewikkeld maakt, is de Wmo, vertellen de Leidse medewerkers. ‘Wij moeten de herindicaties doen. Of herbeoordelingen, zoals we tegenwoordig moeten zeggen. Maar onze kennis op dat gebied is nog minimaal’, zegt teamcoach Van Leeuwen eerlijk.

Het moet ook allemaal snel: vóór 1 mei moet een groot deel van de Wmo-indicaties zijn beoordeeld. Het wijkteam doet de ‘herbeoordelingen begeleiding’, het ingehuurde bedrijf MO-Zaak doet die van de huishoudelijke hulp.

Centraal staat de ‘Eigen kracht’-gedachte, waarbij de burger voortaan zo veel mogelijk zelf moet oplossen. De medewerkers dienen bovendien ‘resultaatgericht’ te werken: voortaan wordt gekeken naar het doel, bijvoorbeeld ‘standaard een schoon huis’, en niet langer naar een x-aantal standaard toegekende uren hulp. De hele operatie moet een bezuiniging van elf procent opleveren.

Het veld van zorg en welzijn is traditioneel al waanzinnig complex, met hulp voor elk denkbaar probleem. Met een ggz, met een Jeugd- en Gezinsteam, met een Centrum voor Jeugd en Gezin, met ouderenzorg, jeugdzorg, welzijnswerk, opbouwwerk, maatschappelijk werk, gehandicaptenzorg, zwakzinnigenzorg, schuldhulpverlening, beschermd wonen, verslaafdenzorg. Met uitvoerende instanties als gemeente, Belastingdienst, Sociale Verzekeringsbank, Centraal Administratie Kantoor (cak), Centrum indicatiestelling zorg (ciz). Met financiering via de gemeente, de Wmo, de Zvw (Zorgverzekeringswet, voor wijkverpleging en persoonlijke verzorging) en de Wlz. En soms komt de Participatiewet hier nog doorheen.

De grenzen tussen de verschillende wetten en financieringen zijn vaak schimmig, de bureaucratie is soms gekmakend. ‘Soms’, zegt Van Leeuwen, ‘denk je: waar zijn we in Nederland mee bezig? Dan moet iemand maanden wachten op een nieuw verblijfspasje, waardoor de toeslagen worden gestopt en acuut financiële nood ontstaat. Dan moeten wij van maatschappelijk werk het weer oplossen.’

Sociaal werker Marijke van der Kruijt zegt aan het begin van de week: ‘Knappe jongen hoor, als je dit binnen een week een beetje gaat snappen. Wij snappen het zelf soms nog steeds niet.’

Sociaal werkers Seyma Kuzu (31), van oorsprong ouderenadviseur, en Sybille Meijer (60), afkomstig van de dertigkoppige afdeling Wmo van de gemeente, gaan op huisbezoek bij een 67-jarige Salvadoraanse. Ze heeft een aanvraag ingediend voor taxivervoer. Op een bureautje in de volle woonkamer staan diverse microscopen en kweekbakjes. De vrouw is bioloog, ze onderzoekt mossen. Tijdens veldwerk in Midden-Amerika heeft ze chikungunya opgelopen, een dengue-achtige infectieziekte die spier- en gewrichtspijn veroorzaakt. Ze is gastmedewerker aan de universiteit maar kan niet meer met de fiets of de bus. Haar aow’tje is te karig voor een dagelijkse taxi. Sociaal werker Meijer legt uit dat ze een pasje kan krijgen voor de Regiotaxi: 32 zones per maand. Haar ‘werk’ is belangrijk voor haar sociale contacten, zo is de gedachte.

Terug op kantoor realiseert de sociaal werker zich dat ze niet heeft doorgevraagd over de financiële situatie. Wie bekostigde bijvoorbeeld de reis naar Zuid-Amerika? ‘Maar anderzijds: we mogen helemaal niet kijken naar iemands inkomen.’ De Salvadoraanse krijgt het taxivervoer een poosje later toegekend.

De aanvraag van de biologe raakt aan een omstreden kwestie. Terwijl de ‘Eigen kracht’-filosofie uitgaat van eigen vermogen mag het financiële vermogen niet worden betrokken bij de hulpvraag. Zwart-wit gesteld: ook de miljonair heeft recht op huishoudelijke hulp of een ‘traplift in zijn villa’. Een vermogens- of inkomenstoets bij een Wmo-aanvraag is verboden, besliste de Centrale Raad van Beroep in november 2013.

Tot frustratie van de sociaal werkers, zo blijkt meermaals deze week. ‘Je mag bevragen op de draagkracht, maar niet toetsen door inkomensgegevens op te vragen. Laatst had ik een man die gewoon toegaf dat hij anderhalve ton op de bank had maar toch huishoudelijke hulp van de gemeente eiste’, zegt de een. ‘Het is krom en het voelt soms onrechtvaardig’, zegt de ander.

Al zal een draagkrachtige bewoner een hogere eigen bijdrage betalen, ‘het blijft toch een logische vraag: waarom doet u eigenlijk een beroep op de gemeente?’, stelt Jordi Bakker (35), Wmo-consulent op de backoffice van de gemeente. Op die afdeling komen de door de sociaal werkers opgestelde ‘maatwerk-adviezen’ en Plannen van Aanpak binnen en worden ze getoetst en afgehandeld. Bakker heeft zo zijn gedachten over de ‘generalisten-aanpak’ waar Leiden voor heeft gekozen. ‘Mensen moeten nu wet- en regelgeving uitvoeren die ze nog nooit hebben ingezien. Ik vraag me toch af: moet je niet kiezen voor schoenmaker blijf bij je leest? De Wmo-consulent doet de Wmo, de schuldhulpverlener doet de schuldhulp. Je moet medewerkers niet afsturen op dingen waarvoor ze niet zijn opgeleid. Iemand met verstand van schuldproblematiek moet je niet laten beoordelen of ergens een douchesteun nodig is.’

Bakker ziet ook de voordelen van één wijkteam wel: ‘Geen vijf hulpverleners over de vloer en zo min mogelijk van het kastje naar de muur. Maar als je met generalisten gaat werken, moet je wél investeren in de kennis. Die tijd hebben we niet echt gehad.’

Het ingewikkeldste punt is de begeleiding van buurtbewoners die niet alles meer zelf kunnen. Voorheen werd dit betaald uit de Awbz (ziektekosten) op indicatie van het ciz. Nu moeten gemeenten hierop veertig procent bezuinigen en ze moeten gaan uitmaken wie die begeleiding wel en niet meer krijgt. ‘Het gaat soms om zware problematiek’, legt Bakker uit. ‘Verslaving, ernstige psychische problemen, beschermd wonen, soms randje tbs. Dat moeten wij nu allemaal omvormen tot nieuwe beoordelingen op basis van Wmo-regelgeving. Het is allemaal eerder onduidelijker dan duidelijker geworden.’

De maatwerkvoorzieningen kennen twee ‘intensiteiten’: ‘basis’ (tot twaalf uur per vier weken) en ‘intensief’. Bakker: ‘Het is allemaal hartstikke wankel. Hoe ga ik als Wmo-consulent beoordelen of ergens professionele psychische hulp nodig is?’

Deze middag gaat Bakker op huisbezoek bij de 84-jarige Truus Vervoorn voor het regelen van taxivervoer. Mevrouw Vervoorn zit aan een formica tafeltje op de stoep voor haar arbeidershuisje, een grote witplastic zonnebril op het hoofd. Het gesprek vindt buiten plaats, dochter Trudy (52) is erbij. Vervoorn is ongerust over alle veranderingen, ‘ik word er zenuwachtig van. Gisteren wilde een hulp de kruik niet vullen, dat was haar taak niet, zei ze. Maar ik durf niet meer met kokend water aan de gang te gaan.’ Bakker legt uit dat er twee soorten zorg zijn: de persoonlijke verzorging, steunkousen aantrekken en zo, die wordt betaald uit de awbz. En huishoudelijke hulp, betaald uit de Wmo. ‘Wij zorgen ervoor dat u de goede zorg krijgt en wij moeten alle potjes op elkaar laten aansluiten.’

De notuliste legt haar pen neer. ‘Sorry hoor, maar ík snap het niet meer. Ik weet gewoon niet wat ik moet opschrijven’

De ‘verstrekkingsvorm’ van de huishoudelijke hulp verandert wel, gaat Bakker verder: pgb (persoonsgebonden budget) of in natura. ‘Het financiële verhaal wordt ondergebracht bij de svb maar daar hoeft u weinig van te merken.’ Huishoudelijke hulp is ook onderverdeeld in ‘zware taken’ (dweilen, bed verschonen) en ‘lichte taken’ (stoffen, afwasmachine inruimen). ‘En de was zit daartussenin, niet licht, niet zwaar.’ Na het gesprek zal hij nog toelichten dat er ‘maatwerkvoorzieningen’ en ‘algemene voorzieningen’ zijn: een ingehuurde persoonlijke hulp versus een ‘gewoon’ schoonmaakbedrijf. ‘Dus als er zware taken zijn maar géén was en textiel kan dat worden opgelost via een algemene voorziening.’

Ook de vervoerregeling verandert, vertelt Bakker. Heeft ze wel eens gehoord van de Regiotaxi? ‘Ja, dat het moeilijk is en dat je uren zit te wachten.’

Nou, zegt Bakker, ‘het is meer taxivervoer met spelregels’. Een uur van tevoren bellen, ‘dus als u terugkomt uit het ziekenhuis zit u wel te wachten, ja’. En altijd bonnetjes vragen. Dan is er ook nog bovenregionaal vervoer, voor ritten verder weg. Maar mevrouw mag ook een gewone taxi nemen en die declareren uit het ‘vrij besteedbare budget’.

Vervoorn zucht. ‘Als de brief komt hoop ik dat ik het een beetje ga begrijpen.’ Eén ding heeft ze inmiddels wel geleerd: ‘Ik krijg allemaal van die hoge brieven waarin één klein ding over vijf pagina’s staat uitgesmeerd. Dus als ik het eerste stukje heb gelezen gooi ik de rest maar weg.’

Gaby Hueber (44) is de communicatie-adviseur van het ‘3D-project’, de drie grote decentralisaties (Wmo, Participatiewet en jeugdzorg). ‘Het is vrij complex, een grote uitdaging’, zegt ze met gevoel voor understatement. ‘Zoveel veranderingen, hoe leg je het allemaal uit? Hoe formuleer je “Eigen kracht” een beetje begrijpelijk? Je wil niet dat mensen zich zorgen maken. Maar je kunt ook geen brief verzenden met de boodschap dat er niets aan de hand is. Want soms krijgen mensen gewoon minder hulp.’

Ze buigt zich over een drie pagina’s tellende beschikking (‘Toekenning begeleiding pgb’) die een cliënt deze week kreeg. Een citaat: ‘Uitbetaling: vanaf 1 januari 2015 is er sprake van trekkingsrecht. Dit wil zeggen dat de gemeente (de voorschotbedragen van) het pgb niet meer op uw bankrekening overmaakt, maar na ontvangst van de zorgovereenkomst(en) door de Sociale Verzekeringsbank (svb) en controle door de gemeente, op de rekening van het servicecentrum pgb van de svb. U laat via declaraties of facturen aan de svb weten of de ondersteuning is geleverd en de svb zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan uw zorgverlener. Zorgt u er wel voor dat de svb over de zorgovereenkomst(en) beschikt.’

In gewoon Nederlands: voorheen kreeg de cliënt het pgb zelf en betaalde de zorgaanbieders, nu betaalt de svb de zorgverleners uit. ‘Met die brieven hebben we nog wel een flinke slag te maken’, erkent Hueber.

Dat weten ook de twee dames van de ‘Formulierentandem’ van vrijwilligersorganisatie Humanitas die in het wijkgebouw spreekuur houden. ‘Het sociaal wijkteam ziet niet welke problemen je creëert als je ambtelijk opgestelde brieven naar mensen stuurt die amper Nederlands spreken. Hoe denk je die zelfredzaam te maken?’ mopperen ze. ‘En dan worden wij er weer als extra schakel tussen gezet om het op te lossen! Dat zou de gemeente zélf moeten doen.’ Dat de vijf Raad- en Daadwinkels in Leiden begin 2014 zijn gesloten vanwege bezuinigingen heeft de zaken ook geen goed gedaan, constateren de dames. Vandaag zitten ze hier voor het laatst, de samenwerking met het wijkteam wordt voorlopig stopgezet vanwege de uiteenlopende verwachtingen.

Verwarring over de ingewikkelde materie heerst ook op het Informatiepunt SWT waar de hulpvragen binnenkomen. De telefoon rinkelt onophoudelijk en drie medewerkers proberen rijp en groen te sorteren. Een man belt: hoe het zit met de huishoudelijke hulp nu zijn vrouw is overleden? Margreet Bakker (61) gaat telefonisch even te rade bij een collega. ‘Misschien gebruikte ik het verkeerde woord? Ik zei “herbeoordeling” maar misschien moet dat “nieuwe aanvraag” zijn.’

Gerda Schulz (49) raakt verstrikt in een Babylonische spraakverwarring met een 84-jarige dame die belt over twee bijna gelijktijdig ontvangen brieven die melden dat de huishoudelijke hulp ‘oude stijl’ via het pgb wordt beëindigd en omgezet in hulp in natura.

De dame voelt zich ‘overrompeld’ door de brieven, ze wil haar pgb en haar vaste hulpverlener behouden en wil daarover een tweede gesprek. Dat komt er ‘waarschijnlijk niet’, antwoordt Schulz. ‘Of waarschijnlijk… misschien wel zeker niet. U kunt ook geen bezwaar maken want het is geen beschikking maar een afspraak. Ja, u kunt wel bezwaar maken, maar niet officieel. U kunt ons een briefje sturen met hoe u het ziet’, doet Schulz haar best. ‘Die eerste brief is een berichtgeving, geen beschikking. U kunt er niks mee, alleen uiten dat u het niet eens bent met de beslissing.’

Tachtig procent van de binnenkomende meldingen betreft ‘verduidelijking en uitleg geven’, schatten de dames op het informatiepunt.

Het zijn niet alleen de klanten die het spoor bijster raken. In een speciaal ingelaste vergadering overleggen enkele teamcoaches van de wijkteams met de unitleider van de backoffice en twee senior Wmo-consulenten. Doel: een betere aansluiting. ‘Wij krijgen vanuit de wijkteams soms plannen voor begeleiding voorgelegd waarvan ik denk: ja…? Moet ik nu gokken? Wil je iets? Wil je niks?’ zegt een Wmo-consulent. ‘Er zijn zes of zeven formulieren in omloop. Welke is de juiste?’ vraagt een teamcoach. ‘Wie is waar aanspreekbaar en wie stuurt wie aan?’ vraagt een volgende coach. ‘We zijn met z’n allen aan het leren en ontdekken’, brengt unitleider Ziggy Blok in.

Nog zo een: ‘Voor sommige gezinnen vormt het pgb een belangrijk deel van hun jaarinkomen. Dat kun je niet zomaar om zeep helpen. Of toch wel? Wat is precies eigen kracht?’ vraagt een coach.

‘Het is géén inkomensvoorziening!’ zegt coach twee.

‘Bedoel je dat we de eigen kracht moeten omschrijven los van de zorgvraag?’ vraagt coach drie.

‘Het is zorgvraag-gerelateerd’, weet nummer vier.

‘Hoho! Bovengebruikelijke zorg is anders dan eigen kracht!’ meldt nummer vijf.

‘Ik probeer eerst vertrouwen te winnen. Niet meteen tjak-tjak, knopen doorhakken. Maar dat wordt wél van ons verwacht’

Ook de discussie ‘generalist versus specialist’ komt ter tafel. ‘Hoe ver willen we daarin gaan?’ vraagt teamcoach Lydia van Leeuwen. ‘Wat moeten sociaal werkers minimaal kunnen?’

‘Sommige sociaal werkers kunnen best een gesprek voeren maar krijgen hun bevindingen niet goed op papier’, meldt een coach. ‘Dan is dus de vraag: moeten die mensen dit werk wel gaan doen?’ vraagt de unitleider.

Later die week zegt Nadine van der Sluis (41), projectleider sociale wijkteams: ‘Een jaar geleden wilden we allemaal generalisten. Inmiddels zijn we toch wat opgeschoven en zeggen we: we worden allemaal generalistisch werkende specialisten. We schudden de hele structuur op, kritisch nadenken over onze rol is goed. Maar tegelijk lig ik er soms wakker van… Héél veel zekerheden zijn onderuit gehaald en het is keihard werken om het goede te blijven doen voor de bewoners. Bezuinigingen, een systeemverandering én een cultuurverandering… We moeten te veel tegelijk en ook nog eens in drie maanden…’ Uiteindelijk is het ‘natuurlijk een bezuinigingsoperatie’, zegt ze. ‘Alle prachtige verhalen over “dichter bij de burger” en zo, allemaal waar. Maar als het geen geld had opgeleverd, had het rijk deze taken nooit naar de gemeente overgeheveld.’

Ook in een vergadering van het managementteam van alle wijkteams komt de verwarring in het werkveld nadrukkelijk aan het licht. Een specialist van de gemeente komt uitleg geven over de grenzen tussen beschermd wonen, de Wlz en de Wmo. Mensen met een ggz-C-indicatie (psychiatrische aandoening) vallen voortaan onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, ‘maar alléén de mensen die wonen zónder behandeling’. Autistische jongeren die alleen gaan wonen bijvoorbeeld, of schizofrenen die na opname in een kliniek naar een sociaal pension gaan. Behandeling valt onder de Wlz, maar de wachtlijst voor beschermd wonen mét behandeling is twee jaar. In afwachting daarvan, oppert iemand, kan iemand een Wmo-indicatie voor begeleiding aanvragen. ‘Dan zijn er dus twéé indicaties?’ vraagt Nadine van der Sluis. En soms kan iemand klinisch worden opgenomen maar blijft de beschermd-wonen-indicatie ‘slapend’ doorlopen.

De notuliste legt haar pen neer. ‘Sorry hoor, maar ík snap het niet meer. Ik weet gewoon niet meer wat ik moet opschrijven.’

Aan het einde van de vergadering komt coach Lydia van Leeuwen met een verzuchting. ‘Ik ben leiding, coördinator, manager, coach, teamondersteuner, eigenlijk alles. Soms hebben we als teamcoach het gevoel dat we in een zwembad liggen. Gelukkig hebben we bandjes en we ondersteunen elkaar, dus we redden ons wel. Maar het begint wel iets te veel los zand te worden soms.’

Haar leidinggevenden hadden eerder die week al iets dergelijks gezegd. ‘Waar zijn we eigenlijk niet mee bezig?’ vroeg Wmo-teamleider Annuska Snijders (45) zich hardop af. ‘Wij managers zien de stip op de horizon wel, maar op dit moment is het alleen maar keihard bikkelen. Ik hoop dat het in een jaar of drie allemaal wat neerdwarrelt, dat het niet alleen maar zand, maar ook een beetje asfalt is. Maar met kleine stapjes gaan we de goede kant op.’ Haar tafelgenoot, clusterdirecteur Gertru Diender (47), zegt het wat omfloerster: ‘Tussen visie en uitvoering zitten nogal wat praktische bezwaren, waardoor we nog niet helemaal toekomen aan waar we naartoe willen. Maar, in de oude situatie waren zaken soms nóg onduidelijker.’

Tijdens een van de spreekuren in het wijkgebouw De Mors komt het ‘Eigen kracht’-verhaal weer op tafel. Een Marokkaanse vrouw van midden veertig, negentien jaar in Nederland, wil scheiden van haar man en ze wil een eigen huis. Sociaal werkers Karin Witteman (48) en Frits Biesjot (47) leggen haar uit dat ze de zaken zelf zal moeten regelen. Inschrijven bij de woningcorporatie, om te beginnen. ‘Waar ga je de huur van betalen?’ vragen ze.

‘Ik weet niet, misschien uitkering van sociaal?’

‘Dan zul je éérst moeten scheiden, anders krijg je geen uitkering’, krijgt ze te horen. ‘Of je kunt gaan werken.’

‘Ik nooit gewerkt’, zegt de vrouw. ‘Altijd man zorgen, hij wao. Hij zegt: salaris alleen voor hem.’

Een lastige positie, erkent Witteman. ‘Maar leuker kunnen we het niet voor je maken.’ Ze vraagt de vrouw even op te schrijven wat er nu is besproken. Op een briefje krabbelt ze: ‘Ik wille inshreijve doen vaan huis.’

Als ze is vertrokken, praten de sociaal werkers nog even na. ‘Deze vrouw wil verzorgd worden, alles moet voor haar geregeld worden. En wíj zijn de regelneven.’

Eigenlijk is het in elke vergadering wel raak: Wmo- en pgb-gevallen waarbij de medewerkers van het wijkteam zich hardop afvragen wat ze er toch mee aan moeten, hoe het zit, wat de regels nu eigenlijk zijn. Voortdurend onderling overleg tussen teamleden die allemaal een stukje van de puzzel leggen. Zoals in het teamoverleg op de donderdagochtend.

Als er budget overblijft uit het ‘trekkingsrecht’, mag dat dan mee naar volgend jaar? Nee, denkt de een. Gaat het naar de svb dan? Ook niet, denkt een ander. Mag de eigen bijdrage net als voorheen nog worden betaald uit het pgb? Nee, is het antwoord. ‘Best ingewikkeld’, zegt een sociaal werker. ‘Ik moet wel weten wat ik de mensen kan vertellen’, zegt een ander. ‘Het cak heeft ons gezegd dat we cliënten maar geen informatie moeten geven over die eigen bijdrage’, zegt een derde.

Gesoebat over het ‘meten op resultaat’. Hoe bepaal je het doel van de indicatie ‘begeleiding groep’? ‘We maken er dus zelf maar wat van’, zegt een sociaal werker. ‘Hoe moet je in hemelsnaam bewijzen dat je resultaat hebt gehaald bij een demente bejaarde?! Ja hoor, meneer heeft weer sociale contacten en zijn dagritme is helemaal terug?’ klinkt het vertwijfeld.

De vele documenten, beleidsregels en protocollen bieden weinig soelaas. Ze maken het eigenlijk alleen maar onoverzichtelijker. De folder ‘Maatwerkvoorziening begeleiding’ leest als de menukaart van een snackbar. Begeleiding groep basis, begeleiding groep speciaal, begeleiding groep speciaal plus, alles met intensiteit 1 (tot zes dagdelen per week) of 2 (alles daarboven). Hetzelfde bij ‘begeleiding individueel’, met de grens bij drie uur per week. En alles uit te voeren door professionals of non-professionals (mantelzorgers). Waarbij groepsbegeleiding de ‘voorliggende voorziening’ is, oftewel de eerste voorkeur.

Zoals sociaal werker Marian van de Klundert (57), die in een galerijflat op huisbezoek gaat bij een gescheiden vrouw, arbeidsongeschikt, rugproblemen, psychische problemen, een zoontje met adhd, onder begeleiding van een ggz-instelling. Rustig spreken ze de lijst problemen en mogelijke oplossingen door. Weer buiten zegt Van de Klundert, afkomstig uit de zwakzinnigenzorg: ‘Ik probeer hier eerst een band te creëren, vertrouwen te winnen. Niet meteen tjak-tjak-tjak, knopen doorhakken. Maar dat wordt wél van ons verwacht, met name nu op Wmo-gebied. Dat vind ik moeilijk… Ik hoop maar dat als iemand méér tijd nodig heeft je die ook mag blijven nemen…’

Roos van Gelderen (51), SP-wethouder, luistert op het Leidse stadhuis naar de bevindingen van de voorgaande week. ‘Het hele idee achter de wijkteams is dat ze zelf ook oplossend vermogen en deskundigheid in huis hebben, zodat ze niet alleen doorgeefluik zijn. We waren er hier al langer mee bezig, van onderaf, aansluitend bij de behoefte van de wijk. Maar het is allemaal ingewikkeld geworden toen de Wmo er van bovenaf ineens bij kwam’, zegt ze. ‘Bij “zorg” denk je vooral aan dementerende ouderen, huisaanpassingen en dergelijke. Maar de sociale wijkteams zijn geen “teams voor de zorg”! Het gaat vooral over welzijn en juist de verbinding met de zorg. En ik neem het rijk wel kwalijk dat we de tijd en het geld niet krijgen om de teams zoals we die gedacht hadden goed op te bouwen. Maar als de topdrukte door de herbeoordelingen Wmo over een half jaar voorbij is, is er meer rust voor de verdere ontwikkeling van de teams.’

Marijke van der Kruijt, de benjamin van het wijkteam, is er al met al niet gerust op. ‘Het concept is goed’, zegt ook zij. ‘Maar in een groter team heb je wél meer rek. Wij zijn nog te weinig generalist om alles te doen, heel ingewikkelde scheidingszaken met veel gezinsproblematiek of zo, en als je dan weinig specialisten achter je hebt, slibt het dus al snel dicht. Ik ben toch bang dat de burger de dupe gaat worden omdat hij, vooral voor psychosociale dingen, niet de juiste hulp krijgt.’ Even pauzeert ze. ‘Dat laatste doet zich trouwens toch al voor vanwege alle bezuinigingen.’


Beeld: (1) De bewoners die op het spreekuur van het sociale wijkteam komen zijn de Nederlandse taal vaak maar amper machtig. Zij verdwalen in de Nederlandse formulierenjungle; (2) Sociaal werkers Milou Fonk (rechts) en Marijke van der Kruijt houden spreekuur in het wijkgebouw; (3) Sociaal werkers Seyma Kuzu (links) en Marian van de Klundert spreken bij een gezin de zorgbehoefte rond de zoon door