`waar oprees hun burcht’

Ach, het roemruchte rode verleden. Een wandeling dan wel fietstocht door de Amsterdamse geschiedenis van de arbeidersbeweging. Van het Palingoproer naar Felix Meritis.
CENTRAAL STATION. De stad ligt voor ons. ‘Mokum Olf’, zoals joden uit Amsterdam en de ‘mediene’ haar noemden, in de vertaling van Henri Polak: ‘De eerste, de voornaamste, de boven alles gaande stad: de stad bij uitnemendheid.’ Voor ons ligt niet alleen de harde kern van de vaderlandse cultuurgeschiedenis maar tevens een belangrijk deel van de geschiedenis der Nederlandse arbeidersbeweging.

Welke kant op? Links lijkt een voor de hand liggende keuze. Bovendien, als we de Prins Hendrikkade aflopen, komen we op de Oostelijke eilanden. Daar vond in april 1869 de eerste georganiseerde staking plaats. De scheepstimmerlieden, de zogenaamde ‘bijltjes’, van Kattenburg, Oostenburg en Wittenburg staakten voor een hoger loon en kortere werktijden - ze wilden pas om 6 uur beginnen! - en behaalden de overwinning. In 1911 waren deze eilanden het toneel van een zeer rumoerige zeeliedenstaking waarbij enkele doden vielen, aangrijpend beschreven door Jan Mens in Er wacht een haven.
We maken echter een reformistische keuze, en buigen naar rechts. Via de Nieuwendijk, waar Troelstra in 1893 korte tijd woonde, komen we op de Haarlemmerdijk. In dezelfde tijd woonde hier, op nr. 166 zijn grootste rivaal: Ferdinand Domela Nieuwenhuis.
Schuin achter de Haarlemmerpoort, aan de overzijde van de Singelgracht, ligt het Nassauplein, te herkennen aan het beeld van een gebaarde man die de vuist ten hemel richt: Domela, de gewezen predikant die de hemel op aarde wilde brengen. Ongetwijfeld zal de beeldhouwer een revolutionaire sculptuur hebben willen maken, maar hij doet meer denken aan een beschonken dorpspredikant die in een vrijwel verlaten kroeg zijn laatste rondje bestelt. In zijn memoires Van Zwolle tot Brest-Litowsk verhaalt Igor Cornelissen hoe hier aan het eind van de jaren vijftig de bejaarde anarchist Bertus Zuurbier stond te venten met De Vrije Socialist. Nadat Cornelissen een exemplaar had gekocht, merkte hij dat dit nummer reeds een half jaar oud was. Hij reclameerde bij de oude revolutionair, en deze vroeg snedig of de jeugdige journalist dat nummer dan al gelezen had. Dezelfde Zuurbier was overigens in 1921, samen met 'Had-je-me-maar’ als schertskandidaat in de gemeenteraad gekozen, een initiatief van de vrij-socialistische bootwerkersvereniging De Veelbelovers, de anarchistische groente- en aardappelbewerkers en de Amsterdamse Anarchistische Taxichauffeurs.
Als we teruggaan naar de Singelgracht en er de oostelijke oever nemen, komen we via de Korte Marnixkade op de Marnixkade. Hier aanschouwde op 5 juli 1886 Willem Drees het levenslicht. We lopen naar het Eerste Marnixplantsoen, nu een treurig geheel van groen, huisvuil en speelwerktuigen, waar een junk wordt gewekt door de gemeentelijke grasmaaier. Het Volkspark - rechts, de Rotterdammerbrug over - is helaas al lang verdwenen. Daar hadden in die jaren de Amsterdamse socialisten hun hoofdkwartier in enkele wrakke keten. Daar ook vond op 4 juli 1886, terwijl bij moeder Drees de weeen reeds waren begonnen, een uiterst tumultueuze bijeenkomst plaats. Terwijl Domela Nieuwenhuis zijn volgelingen verslag deed van het proces wegens majesteitsschennis dat hem in het gevang zou doen belanden, schoot de behanger Johan Geel op politiecommissaris Stork, de beruchte socialistenhater, door Vliegen in De dageraad der volksbevrijding beschreven als 'een brutaal wezen, die iemand met een blik buiten zich zelven kon brengen’. De mislukte aanslag bracht Geel voor acht jaar in de gevangenis.
De man die de eerste socialistische minister-president zou worden was nog geen drie weken oud toen op een steenworp afstand hiervandaan de bevolking van de Jordaan in opstand kwam. We gaan via de Nieuwe Willemsstraat en de Lijnbaansgracht naar de Lindengracht. Om precies te zijn naar het gedeelte tussen de Tweede Lindendwarsstraat en de Karthuizerdwarsstraat - de plek waar op 25 juli 1886 het Palingoproer losbarstte. Hoewel de overheid het beschouwde als een door de sociaal-democraten van Domela georganiseerde opstand, was het een spontane uitbarsting van volkswoede, veroorzaakt door ontactisch optreden van de politie en gevoed door de onbeschrijflijke sociale misere in de Jordaan. De agenten die trachtten het verboden volksvermaak van het palingtrekken - waarbij mannen in een roeibootje moesten proberen een levende paling van een touw te trekken dat over de gracht was gespannen - konden niet vermoeden dat de vlam zo in de pan zou slaan. De volgende dag werd het leger ingezet. Als we via de Eerste Lindendwarsstraat de Lindenstraat inlopen, komen we bij de hoek van de Eerste Boomdwarsstraat op de plaats waar een van de talrijke barricaden was opgeworpen. De salvo’s van de infanterie resulteerden in twee doden en talloze gewonden. Bij de brug over de Prinsengracht, tegenover de Noorderkerk, maakten de soldaten zich volgens Vliegen schuldig aan een 'heevige moordpartij’. Onder de zesentwintig doden bevond zich een socialist, tegen zeven katholieken.
Als we de Prinsengracht een stukje volgen en vervolgens de Tuinstraat inslaan, bevinden we ons in het decor waar ruim een half jaar later opnieuw onlusten plaatsvonden. Terwijl Domela reeds een maand in de kerker zuchtte, braken op de dag dat de reactionaire Willem III zijn verjaardag vierde antisocialistische relletjes uit. De met jenever en laster opgehitste Oranjeklanten bestormden woningen en bedrijfjes van bekende socialisten. In de Tuinstraat was de boekhandelaar en uitgever J. A. Fortuyn gevestigd, een prominent lid van de SDB en in 1894 een van de oprichters van de SDAP. Vijftig met stokken bewapende socialisten wisten te voorkomen dat de zaak kort en klein werd geslagen.
Aan het eind van de Tuinstraat slaan we linksaf, de Lijnbaansgracht op. Dit gedeelte van de Jordaan - tussen Lijnbaansgracht en Prinsengracht, en tussen Brouwersgracht en Rozengracht - was een kleine halve eeuw later wederom het toneel van hevige onlusten. Aangekomen op de Rozengracht slaan we linksaf.
Helaas is het etablissement De Harmonie niet meer te vinden. Daar kwam in 1934 dagelijks het door communisten gedomineerde Werklozen Strijd Comite bijeen. Op 4 juli 1934 leidden geruchten over een op handen zijnde forse verlaging van de werklozensteun tot schermutselingen rond dit lokaal. De volgende dag was het onrustig in het noordelijke gedeelte van de Jordaan. ’s Avonds was de toestand zo gespannen dat geen politieagent zich nog in dit stadsdeel waagde. Evenals in 1886 werd het leger ingezet, nu zelfs met pantserwagens. Resultaat: zes doden.
Henk Gortzak, toen nog geen communistische parlementarier maar een Jordanese timmerman, werd samen met Jef Last gearresteerd. Aanklacht: opruiing en verboden wapenbezit. Na gefouilleerd te zijn vertelde Gortzak de agent dat hij niet goed had gezocht. 'Zegt die agent: je moet de boel niet in de maling nemen. Ik zeg: ik neem de boel helemaal niet in de maling, maar hier hangt m'n vulpen. En het beste wapen is volgens Stalin een scherpe pen.’
De even forse als afzichtelijke katholieke kerk aan de Rozengracht, bouwjaar 1929, herbergt nu een moskee. Op deze plaats stond vroeger het gebouw Constantia, enige tijd het bolwerk der hoofdstedelijke socialisten. Volgens Troelstra een louche tent, waar je alleen met een geladen revolver naar binnen kon. Andere socialisten dachten later met weemoed terug aan het gammele gebouw, waar zij zo heerlijk van de revolutie hadden gedroomd. Op 1 oktober 1894 hield de toen ruim een maand oude SDAP hier haar eerste openbare vergadering. Een provocatie, aangezien dit de uitvalsbasis van Domela en de zijnen was. De massaal opgekomen 'revolutionairen’ maakten het de 'parlementairen’ onmogelijk het woord te voeren, en verschillende kersverse SDAP'ers werden mishandeld.
We lopen de Rozengracht uit, de Westermarkt op. We kunnen nu bij de Keizersgracht rechtsafslaan, en de rechteroever aanhouden. Op nummer 324 vinden we het gebouw Felix Meritis. Nu een culturele instelling, ooit het hoofdkwartier der Nederlandse communisten. Op de gereinigde gevel schemeren nog vaag de letters 'De Waarheid. Advertentie Afdeling’. Toen op zondag 4 november 1956 de troepen van het Warschaupact met tanks en vliegtuigen de opstandige Hongaren tot de orde trachtten te roepen, werd dit gebouw belaagd door verontwaardigde democraten en relbeluste jongelui. Ger Harmsen heeft later de sfeer beschreven in de bedreigde veste der vaderlandse stalinisten. Harry Verhey, die negentien jaar later als lid van B&W tenminste de politie kon inzetten tegen de relschoppers van de Nieuwmarkt, bleef zijn gevoel voor humor behouden: 'Jarenlang hebben we geprobeerd de massa te winnen, maar nu ze eindelijk naar ons toekomt, moeten we haar met een ijzeren staaf van ons lijf houden.’
DE DAM, HET hart van Mokum. Terwijl in 1848 elders revoluties uitbraken, vond hier alleen een opstootje plaats, door wat cavaleristen uiteengeslagen. Bij het oversteken van dit plein richting Damstraat zien we links, achter de Bijenkorf, de Beurs. Dit heiligdom van het zelfzuchtige en verrotte kapitalisme werd gebouwd door de socialist Berlage en gedecoreerd door de niet minder sociaal bewogen Richard Roland Holst. Toen een revolutionair Gesamtkunstwerk waar de buikige en benepen beursbengels weinig van begrepen, aangezien ze de gewijde ruimte wilden ontsieren door zoiets banaals als een tapijt. SDAP-gemeenteraadslid Henri Polak kon dit niet tegenhouden maar kreeg wel gedaan dat er een tapijt kwam dat tenminste in het interieur paste.
De Damstraat. Massa’s toeristen schuifelen hier nu langs sexshops, shoarma-tentjes en onderhandelende junks. In zijn Gedenkschriften beschrijft Troelstra hoe hier in de jaren negentig op zaterdagavond een felle politieke strijd werd gestreden. Colporteurs van Domela’s Recht voor Allen wedijverden met die van Troelstra’s Nieuwe Tijd, terwijl anderen luidruchtig ventten met Sta Pal, orgaan van de Oranje-bond, De Anarchist of De Roode Duivel. Borden met wervende teksten moesten klanten lokken en dienden tevens om er de concurrentie mee op het hoofd te rammen.
ALS WE RECHTDOOR lopen, komen we via de Nieuwmarktbuurt - twintig jaar geleden toneel van een verbeten strijd tussen uit de arbeidersbeweging afkomstige wethouders en tot wanhoop gedreven buurtbewoners - bij de Sint Anthoniesbreestraat. Hier slaan we rechtsaf. Op het Jonas Daniel Meyerplein staat het symbool van de strijdbare Amsterdamse arbeidersklasse: de Dokwerker. We lopen door, de Muiderstraat in. De verleiding is groot om bij de Nieuwe Herengracht even naar links te gaan, naar De Populier. Daar vond op een snikhete junidag in 1982 een memorabele confrontatie plaats tussen enerzijds de in 1958 uit de CPN gegooide Ger Harmsen en Henk Gortzak, en anderzijds de linientreue stalinisten Harry Verhey en Jaap Wolff. Na bijna een kwart eeuw scheldpartijen en verdachtmakingen spraken ze hier voor het eerst weer met elkaar.
We gaan echter rechtdoor, langs het Wertheimpark, en vervolgens linksaf de Plantage Parklaan in. En dan, rechtsaf, de Henri Polaklaan in. We bevinden ons inmiddels in het vroegere kiesdistrict Amsterdam III, 'het district waar oprees hun burcht’, zoals Emanuel Querido schreef in Het geslacht der Santeljano’s. Die burcht was het gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond; thans is het Vakbondsmuseum er gevestigd. Onder de overwegend joodse bevolking van dit district had de SDAP een massale aanhang. Het andere sociaal-democratische bolwerk was het westelijke Amsterdam IX, waar merendeels gojim woonden. De rivaliteit tussen III en IX over wie het 'roodst’ was, leek soms een antisemitisch karakter aan te nemen. Een joodse arbeider gaf daarom de secretaris van IX, de latere SDAP-parlementarier en nog latere nationaal-socialist en antisemiet Jan Duijs, het advies om bij de volgende betoging een bord mee te voeren met als tekst: 'Wij komen uit Negen, maar hebben niets op Joden tegen.’ Ook het ANDB-gebouw is een schepping van Berlage, en ook daar zijn de wandschilderingen van Richard Roland Holst.
Na de statige Henri Polaklaan komen we uit op de Plantage Kerklaan. We gaan even naar links, en vinden daar op nummer 61-63, schuin tegenover de ingang van Artis, de enigszins in verval geraakte zaal Plancius. In zijn memoires beschrijft J. F. Ankersmit, hoofdredacteur van Het Volk, hoe hij er als jong verslaggever van de burgerlijke Telegraaf eind 1894 de vergaderingen van de stakende diamantbewerkers bijwoonde. Hier werd hij bekeerd tot het socialisme en verwierf hij zich 'het geloof in de arbeidersklasse, zonder hetwelk ook de theoretisch best toegeruste socialist maar een halfslag-sociaaldemocraat blijft’.
We keren terug op onze schreden en steken de Plantage Middenlaan over. Hier zien we rechts de Hollandse Schouwburg. Vandaaruit vertrok de overgrote meerderheid der joodse bewoners van Amsterdam III naar Westerbork, en daarmee verdween een zeer kleurrijk element uit de Amsterdamse arbeidersbeweging. Wat de schaarse thuiskomers terugvonden was louter een herinnering, een ondraaglijke herinnering, zoals Presser schreef in de Orpheus-cyclus: 'Want iedere stem is hier herhaling/ en elke steen herinnering./ Het zonlicht zelf is als de straling/ van wie voor altijd van mij ging/ en 'k voel mijn doem: nog dieper daling/ in heimwee en vertwijfeling.’
AAN HET EINDE van de Plantage Kerklaan gaan we de Nieuwe Kerkstraat in. Hier bracht de radencommunist en historicus Ben Sijes, onder meer auteur van het standaardwerk over de Februaristaking, zijn jeugd door. Hier ook stond de wieg van Monne de Miranda, de in Amersfoort vermoorde SDAP-wethouder voor volkshuisvesting, wiens naam voortleeft in het door hem gebouwde zwembad aan de President Kennedylaan. Met de leuze 'Wil je baaje, wil je sjwemme, dan moet je de Miranda sjtemme!’ ging de SDAP de gemeenteraadsverkiezingen in.
Aangekomen bij de Amstel gaan we naar links, en staan na drie huizen voor nummer 85. Nu een eenvoudig maar goed opgeknapt en chique zeventiende-eeuws halsgeveltje, maar een mensenleeftijd geleden een bouwval dat een lekkend onderdak bood aan de redactie van het communistische dagblad De Tribune. Vlakbij, in de Sarphatistraat, leek in 1918 de revolutie eventjes een feit. Op 13 november, een dag na Troelstra’s revolutie-oproep, trok door deze straat een demonstratie die de vrijlating eiste van enkele revolutionairen, die overigens helemaal niet gearresteerd waren. Op kop liepen Henriette Roland Holst en David Wijnkoop, Domela volgde in een koetsje. Bij de cavaleriekazerne aan het eind van de straat wilde 'tante Jet’ de wachtcommandant spreken. Deze liet echter het vuur openen, hetgeen drie demonstranten het leven kostte.
Op weg naar de kazerne kruisen we de Weesperstraat, nu een racebaan, toen een rustige weg waar men prettig kon flaneren. Hier was de barbierszaak van Staal, die volgens Meyer Sluyser uitsluitend SDAP-leden knipte. Links zien we het Weesperplein, beginpunt van de uitvaart van Domela Nieuwenhuis, op 22 november 1919. Een blik naar rechts confronteert ons met het Wibauthuis, een betonnen doodskist die op slag doet vergeten dat het socialisme van Wibaut en de zijnen in de eerste plaats een cultuurbeweging was. Iets wat anti-Stopera-demonstranten aan het begin van de jaren tachtig blijkbaar ook was ontschoten; ze trokken Wibauts standbeeld hier van zijn sokkel.
Via de Eerste Boerhavestraat terug naar de Amstel. Hier, op de Weesperzijde, vinden we De IJsbreker. Thans een florerend centrum voor hedendaagse muziek annex cafe, aan het begin van deze eeuw de stamkroeg van de orthodox-marxistische opposanten in de SDAP. Hier probeerde de gematigde P. L. Tak, die na de spoorwegstakingen van 1903 Troelstra was opgevolgd als hoofdredacteur van Het Volk, 'steigerende veulens’ als Wijnkoop, Van Ravesteijn en Sam de Wolff tot bezinning te brengen. De laatste hierover: 'Urenlang, onder menig potje bier, sprak hij dan als een vader met ons. Helaas waren wij geen gezeggelijke kinderen.’ Even verderop, op nummer 32 kwam in 1904 de Middelburgse miljonair Wibaut wonen. Een deftig, uitbundig gedecoreerd en oerburgerlijk pand, waar nu bruidsluier en springbalsemien het gevecht met de ornamenten aangaan.
WAT TE DOEN? - om de tegenwoordig zo weinig geciteerde V. I. Lenin maar eens aan te halen. We kunnen de Amstel oversteken, en ons richting Concertgebouw begeven. Een historische plek. Daar kwamen in 1904 vertegenwoordigers van de Tweede Internationale bijeen. Daar debatteerden Jean Jaures en August Bebel, een twistgesprek dat ademloos werd gevolgd door de achttienjarige stenograaf Willem Drees. Daar zaten Troelstra en Herman Gorter nog broederlijk naast elkaar. Op het belendende Museumplein, toen nog IJsclubterrein, demonstreerden in 1923 tienduizenden sociaal-democraten tegen de Vlootwet. Een veelvoud aan demonstranten zei daar in 1981 'nee’ tegen kruisraketten en tegen een regering waarin sociaal-democraten zaten. In een grasperkje daar vinden we een merkwaardig beeldhouwwerk: uit de grond stekende armen met gebalde vuisten. Terwijl Domela nog fier ten hemel rees, en zijn vuist balde tegen het van hogerhand verordonneerde onrecht, steken hier wanhopig de laatste rebellen hun machteloze handen boven het maaiveld uit.
Bij al die beelden, gebouwen, in al die straten is het verleden niet meer echt aanwezig, daar heeft de tijd zijn vernietigend werk gedaan. We gaan naar het oostelijk havengebied, naar de Cruquiusweg. Daar staat het wereldvermaarde Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Domela, Vliegen, Troelstra, Wibaut en al die anderen treffen we daar ook niet meer aan, maar we vinden er wel hun archieven, en al die andere papieren van de revolutie.