Begint China het te leren?

Waar sars goed voor was

De Chinese president Hu Jintao is als een daadkrachtig leider uit de sars-crisis gekomen. De eerste breuken met het oude bewind van Jiang Zemin worden zichtbaar: een goodwilloffensief onder armen, nieuwe openheid, een beginnende persvrijheid. Van echte hervormingen is echter nog geen sprake.

Een uit China teruggekeerd Taiwanees meisje en achttien mensen in Hongkong werden vorige week in observatie genomen wegens sars-achtige symptomen. Even dreigde China opnieuw in de greep te komen van de angst. Het bleek te gaan om een stevige griep. De Wereldgezondheidsorganisatie sluit niet uit dat de geheimzinnige longziekte later dit jaar opnieuw zal opduiken. Maar daarop hoeven we niet te wachten om de politieke balans van sars op te maken.

In De Groene Amsterdammer van 2 mei waagde ik me al aan een paar hypotheses. De ziekte was op dat moment op haar hoogtepunt, maar ze werd geheel overheerst door de angst om haar op te lopen. Sars was eerder een aandoening van het gemoed dan van de longen. Nog nooit heb ik zo’n desolate wereldstad gezien als het lege Peking ten tijde van de sars-paniek.

Heel begrijpelijk, die angstreflex. Vijf maanden lang had de regering het bestaan van sars ontkend of gebagatelliseerd, om daarna de ziekte uit te roepen tot het grootste gevaar dat de mensheid bedreigde. Neurotisch-radicale maatregelen zoals de bewaking van de drinkwaterbassins van Peking en de sluiting van alle uitgaansgelegenheden misten hun effect niet: sars was de pest van de 21ste eeuw.

De ommekeer in het sars-beleid, geaccentueerd door het publieke ontslag van de minister van Volksgezondheid, de burgemeester van Peking en tientallen mindere goden, wees op een stevige machtsstrijd tussen Jiang Zemin en zijn opvolger als president en partijleider, Hu Jintao. Ik vrees dat ik nu moet citeren uit mijn vorige Groene-artikel:

«Niemand heeft toegang tot de duistere paleizen waarin de Chinese leiders hun machtsstrijd uitvechten. Maar je hoeft geen helderziende te zijn om te weten dat Hu Jintao, nog maar een paar maanden terug buiten het partijapparaat een volslagen onbekende, al direct na zijn aantreden vecht voor zijn politieke overleving. Hij moet eerst de sars-epidemie, product van het ancien régime, binnen afzienbare tijd zien te bedwingen. Dat zal hem bij het volk een heldenstatus geven die hem sterk genoeg zal maken om zich te ontworstelen aan de greep van zijn mentor Jiang Zemin. Daarna kan hij zich profileren als een verantwoordelijke, moderne leider, die wars is van de moorddadig gebleken praktijken van de oude politiek.»

De strijd voor zijn politieke overleving heeft Hu met glans gewonnen. Hij en premier Wen Jiabao hebben in de publieke opinie het aureool van de zegevierende veldheren in de sars-oorlog. Ze hebben het massacontrole apparaat van de communistische partij, dat sinds de dood van Mao leek te zijn vastgeroest, ingezet om verspreiding van de ziekte tegen te gaan en verdachte gevallen snel te isoleren.

Met haar 64 miljoen leden is de Chinese communistische partij verreweg de grootste en best georganiseerde club van de wereld. Eén bevel van de top en een miljoenenleger komt in actie om de mensen te controleren op hun lichaamstemperatuur, vreemdelingen buiten de dorpen te houden, in acht dagen een sars-ziekenhuis te bouwen, de naleving van de genomen maatregelen te controleren. Dit activistenleger heeft ongewild het vaak gehoorde argument ontkracht dat er domweg te veel Chinezen zijn om algemene verkiezingen te kunnen houden. Onzin: een epidemie smoren is heel wat ingewikkelder dan een stembusgang organiseren.

Dankzij deze efficiency heeft Hu Jintao na een leven als kleurloze partijman het charisma gekregen van een daadkrachtige leider, die niet schroomt om hoge koppen te laten rollen als het algemeen welzijn dat vereist. Net als in Mao’s tijd hangen overal in China weer rode spandoeken, waarop de partij de lof zingt van zichzelf. Dezelfde partij die China en de wereld heeft opgezadeld met sars, dient geprezen te worden om haar gedecideerde actie in de oorlog tegen de epidemie.

Hu’s gedaanteverwisseling ging niet gepaard met een openlijke confrontatie met zijn voorganger. Dat is logisch: Jiang Zemin heeft als opperste legerchef nog altijd veel macht, en de hoogste regionen in de partij zijn bezaaid met zijn volgelingen. Maar het verwachte effect van Hu’s plotseling gebleken leiderschap is uitgebleven: het gezag van Jiang, symbool van het oude bewind, is niet verbleekt.

Toch hadden ervaren China-watchers met stelligheid voorspeld dat er een nieuwe politieke wind zou opsteken. Aanwijzingen daarvoor ontbraken inderdaad niet. Jiang had het in de strijd tegen sars lelijk laten afweten. Hij moet hebben gegruwd van de nieuwe openheid, die tot voor China ongekende brutaliteiten leidde. Zo vroeg een journalist op de persconferentie van een minister hoe men er zeker van kon zijn dat de man niet weer stond te liegen. Sommige kranten kwamen met kritische artikelen die in een democratie niet zouden hebben misstaan.

In het kader van de openheid maakte Hu Jintao een ongeluk met een marineonder zeeër bekend, dat weken tevoren had plaatsgevonden en alle zeventig opvarenden het leven had gekost. Jiang Zemin was daardoor gedwongen aanwezig te zijn bij de rouwplechtigheid, om te voorkomen dat Hu de show zou stelen in een militaire kwestie die formeel onder Jiang ressorteert.

Symbolische gebaren als deze hebben in China een geladen betekenis. Zo is de opmerking van Hu dat de media minder aandacht moeten besteden aan de leiders en meer aan de reële problemen, opgevat als een ware breuk met het verleden. Hetzelfde geldt voor zijn besluit om de kostbare afscheids- en welkomstceremonies voor zijn buitenlandse reizen af te schaffen, en voor zijn beslissing om het jaarlijkse zomerconclaaf van de leiders aan het vip-strand van Beidaihe niet te laten doorgaan. Dat moet de indruk vermijden dat de leiders ver afstaan van het volk.

Hu en zijn premier stellen in hun toespraken de belangen van het volk centraal. Hoewel «volk» een van de meest misbruikte woorden in de Volksrepubliek is — Jiang Zemin verstaat er voornamelijk de kapitaalkrachtige minderheid onder — hebben de nieuwe leiders duidelijk gemaakt dat het volk voor hen vooral bestaat uit de meerderheid van boeren en stedelijke armen, samen zo’n 1,1 miljard personen die dankzij lage lonen en gebrek aan elementaire rechten het Chinese economische wonder hebben mogelijk gemaakt.

Verlies van de steun van deze immense massa is menig dynastie fataal geworden. Maatregelen ten gunste van de armen is een politieke must, vooral nu sars juist in deze groep de zwaarste klappen heeft uitgedeeld. Miljoenen migranten van het platteland hebben hun werk in de steden en daardoor ongeveer vier miljard euro verloren.

De afschaffing van het gehate systeem om migranten zonder papieren op te pakken, af te persen en als slaven aan het werk te zetten, is onderdeel van het goodwilloffensief dat de regering onder de armen heeft ingezet. Aanleiding was de moord op een ingenieur die toevallig geen papieren bij zich had toen hij ter controle werd aangehouden. Dat zou niemand hebben geweten als de media dankzij de sars-openheid niet een stuk assertiever waren geworden. Daardoor raakte ook de moord bekend op een gevangene in een strafkamp, een onthulling die het hele goelag-systeem van de laogai op de helling heeft gezet.

Slechts heel even heeft China aan een begin van persvrijheid geproefd. Met sluitingen, ontslagen en verboden is de pers tot de orde geroepen. Een groot bankschandaal over frauduleuze leningen aan projectontwikkelaars in Shanghai, dat zich dreigde uit te breiden tot de hoogste kringen, moest in de doofpot. Zelfs de massale volksrebellie in Hongkong is op het vasteland vrijwel doodgezwegen.

China-kenners hadden voorspeld dat Hu Jintao op de 82ste verjaardag van de partij op 1 juli politieke hervormingen zou aankondigen, te beginnen met interne partijverkiezingen met meer dan één kandidaat. De kenners zaten ernaast. Hu kwam niet verder dan een loflied op de «belangrijke gedachte van de drie vertegenwoordigingen» — de rituele aanduiding van het vreemde ideologische spinsel waarmee Jiang Zemin het marxisme-leninisme-maoïsme tracht te verzoenen met het kapitalisme.

Ik herhaal: niemand heeft toegang tot de duistere paleizen waarin de Chinese leiders hun machtsstrijd uitvechten. We weten dus niet waarom Hu de hervormingen heeft beperkt tot symbolische gebaren. Vreest hij nog altijd de macht van Jiang Zemin? Is de geboren temporisator Hu, die na zijn zalving tot nieuwe leider door wijlen Deng Xiaoping tien jaar lang zijn tijd heeft gebeid, bang voor overhaasting? Of wil hij misschien helemaal geen hervormingen?

Het is niet reëel van Hu hervormingen te verwachten die het machtsmonopolie van de partij in gevaar kunnen brengen. Namen als Gorbatsjov en Dubcek zijn in China vloeken. Alles lijkt erop te wijzen dat China’s nieuwe leider geen conservatief is van het type Jiang, maar dat hij uit is op geleidelijke, gecontroleerde hervormingen, die door een mengsel van concessies en moderniseringen de macht van de partij moeten consolideren. Maar daarvoor wil hij geen botsing riskeren met Jiang, want sinds de traumatische conflicten over de aanpak van de Tiananmen-revolte van 1989 is eenheid binnen de partij een axioma.

Sars heeft geen eind gemaakt aan China’s lange politieke winter. Zolang de machtsstrijd niet is opgelost, gaat de politieke stagnatie door en komt het leninistische politieke controlesysteem steeds heviger in botsing met de cowboy-kapitalistische consumptie-economie. Hoe ver kunnen politiek en economie nog uit elkaar groeien voordat de bom barst?

In officiële publicaties worden er geen doekjes om gewonden. Het partijblad Op zoek naar de waarheid pleitte onlangs openlijk voor democratie. Een gewone Chinees die op internet hetzelfde doet, riskeert jaren cel.