Matthew McIntosh, Well

Waar slaat de wereld op?

Matthew McIntosh

Well

Vertaald door Dirk-Jan Arensman

Vassallucci, 271 blz., € 20,-

In het kielzog van het literaire en commer ciële succes van Dave Eggers’ A Heartbreaking Work of Staggering Genius (2000) heeft uitgeverij Vassallucci een stroom vertalingen op de markt gebracht van Amerikaanse jonge honden die ook koket-autobiografisch dachten te kunnen schrijven, inclusief knipoog naar de waan van de dag en de zelfkant van de Amerikaanse Droom. Met een vleugje rauwheid en ruwheid, een flinke dosis narcisme en geforceerde humor plus een voorliefde voor de korte baan liet de ene na de andere Amerikaan onbedoeld maar met veel poeha en bravoure zien dat er nog heel veel water door de Mississippi moet stromen voordat er uit een epigoon een Eigen Stem opklinkt.

Alweer eentje. Dat dacht ik aanvankelijk toen ik de eerste bladzijden van Matthew McIntosh’ Well las en de zoveelste literaire poseur vermoedde die grossierde in literair effectbejag rond geestelijk en lichamelijk geweld: korte tot zeer korte vertellingen over stuurloze, verslaafde, hunkerende mannen en vrouwen in een buitenwijk van Seattle in de staat Washington. Misschien was ik al geïrriteerd geraakt door een slordig vertaald citaat op de achterflap waarin de naam van Samuel Beckett verkeerd staat gespeld. Of door de haastklusvertaling. Toch moest ik na enkele tientallen bladzijden lectuur mijn vooroordeel terzijde schuiven. Hoewel McIntosh zijn literaire mosterd en kruiden ongetwijfeld betrekt van veteranen als Sherwood Anderson (Winesburg, Ohio) of van jongere meesters als Eggers, William T. Vollmann of David Foster Wallace (wanneer komen er van de twee laatstgenoemden eens verzorgde vertalingen?), heeft de 26-jarige McIntosh een scherpe blik voor psychische chaos en wanhoop. In zijn verhalen presenteert hij die geestelijke warboel met een toon vol nieuwsgierige verbazing en mededogen. Zijn kracht zit ook in zijn snelle perspectiefwisseling, in een cameravoering die zowel het detail als het geheel (een wijk aan de rand van Seattle) beschouwt.

McIntosh’ tientallen personages dreigen aan verleiding (seks, drugs, grenzeloos verlangen) en pijn ten onder te gaan. Om ogenschijnlijk onverklaarbare redenen raken ze in de put. Het is die put, waarmee Well begint en eindigt, die het best tot Nederlandse titel had mogen brengen. Die put vormt het grootste gevaar, dat wil zeggen het besef «dat als je verdwaald bent in de put en toch blijft hopen, de bodem van de put met elke teleurstelling zakt, tot de buitenwereld nog maar een stipje is en je je ogen samen moet knijpen om ’m te zien».

McIntosh’ Amerikanen — werkloos of werkzaam in supermarkt, kroeg of fabriek — willen graag in de buurt van het rad van fortuin zijn, maar weten dat ze in een wereld leven die van verdriet is gemaakt. De last van die wereld zorgt voor escapistisch-vitalistisch gedrag: van grenzeloze wellust tot vlucht- en stalkgedrag. Typische McIntosh-zinnen zijn: «Het was net als in de film, je gaat te veel hopen»; «Als ze speed had gebruikt, dacht ze dat ze slimmer en beter was dan als ze nuchter was»; «Hij hyperventileerde. Hij huilde. Hij had geen idee wie of waar hij was.»

Opmerkelijk zijn de motto’s die McIntosh ontleent aan de bijbel, zinnen die Well op z’n minst vrijwaren van vrijblijvendheid. Het Mattheüs-citaat voorin suggereert een god die de mens «tot aan de voleinding van de wereld» zal bijstaan. Uit het citaat uit Psalm 40 — dan heeft de lezer al met een reeks godverlaten Seattle-bewoners kennisgemaakt — hoort «de Here» zijn worstelende schepselen en komt de put weer terug: «Hij trok mij op uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel.» In het mooi meanderende slotdeel van Well kan een vrouw alleen maar huilen in de kerk.

Met deze bijbelse verwijzingen wil McIntosh geen religieus moralisme prediken, eerder de solitaire positie van zijn creaties scherper tekenen. Wie is afwezig in de totale verlatenheid, God of de mens zelf? Aan het slot van het verhaal Schutter (dat zonder Don DeLillo’s snelwegseriemoordenaar in Underworld misschien ongeschreven was gebleven) maakt Matthew McIntosh een typische beginnersfout door zijn credo zo pontificaal over het voetlicht te brengen dat de lezer even niets heeft in te brengen. Hij legt de destructieve mens uit in plaats van dat hij vertelt. Andermaal vraagt hij zich in zijn zoektocht naar zingeving en welzijn af of er een hogere orde bestaat: «We doen er verslag van hoe onze wereld aan het instorten is. En we doen er verslag van hoe wij aan het instorten zijn.» McIntosh is goed als hij zich alleen op dat verslag, in fragmentarische vertellingen en schetsen, concentreert en mensen door het lint laat gaan, waarna ze een «cursus woedebeheersing» moeten volgen. En de lezer mag zich afvragen wat McIntosh bedoelt met het steeds terugkerende, litanieachtige zinnetje «Het duurt zo verdomd lang voordat het er is». Dat «het» verwijst naar welbevinden, welzijn, weltevreden, weldaad. Noem «het» hoop, genade en verlossing.

Als Samuel Beckett van grungemuziek had gehouden, zou die geklonken hebben als het proza van Matthew McIntosh. Dat beweert het flaptekstgevoelige Publishers Weekly tenminste. Ach, misschien had woordenweger Beckett dan geen letter meer op papier gezet. Wie het hart van de duisternis portretteert kan ook terecht bij Wagner, Mahler, Strawinsky of bij doodse stilte. McIntosh is Beckett niet, maar als letterkundige compositie is Well well done.