Waar straf is, moet schuld zijn

Met monografieën zijn Nederlandse uitgeverijen nogal zuinig, er verschijnen maar weinig uitgaven met een overzicht van het hele werk van een Nederlandse of buitenlandse auteur. Bij de, als ik het goed heb, tiende vertaling van Ismail Kadare biedt Van Gennep voor een klein prijsje zo'n monografie, Een masker voor de macht, van de hand van Piet de Moor. Toegespitst op een paar thema’s laat hij Kadares werk de revue passeren, ook niet-vertaalde boeken, en dat zijn er nogal wat: sinds 1953 schreef Kadare zo'n veertig titels.

De Moor gaat in op Kadares leven en zijn politiek niet altijd even gemakkelijke positie. Helemaal duidelijk is die nooit geweest, vooral in zijn verhouding tot de Grote Leider van Albanië, Hoxha, met wie hij begin jaren zestig een zeker contact had, wat niet verhinderde dat in 1965 zijn roman Het monster verboden werd. Om Hoxha af te leiden stelde Kadare voor een grote roman te schrijven over Albaniës breuk met de Sovjetunie; van het respijt dat dit plan hem bood, maakte hij gebruik om snel twee andere romans te schrijven. De grote politieke roman, De grote winter, zou in 1973 verschijnen. Kadare had wel een erg dialectisch motief om hem te schrijven: door een positief beeld van de Albanese dictator te geven wilde hij hem een literair masker opdrukken, waaraan Hoxha zich misschien zou conformeren. Het devies: de dictator moet geholpen worden zich van zijn demonen te bevrijden. Ik heb de indruk dat De Moor zijn auteur hier wel erg gewillig volgt en ook ook elders mis ik enige distantie tot een auteur die zichzelf soms wel bijzonder hoog heeft zitten. Maar hoe dan ook, Kadare is de auteur van een aantal bijzondere werken, ik denk vooral aan Kroniek van de stenen stad, Het dromenpaleis en De brug met drie bogen.
Het boekje van Kadare dat tegelijk met dat van De Moor verschijnt, De adelaar - een roman geheten, al is het niet meer dan een lang verhaal - zou ik niet gauw als introductie aanbevelen. Eigenlijk is het boek niet meer dan de uitbeelding van de uitdrukking ‘in ongenade gevallen’. Op een avond zakt Max, een jongeman van 22, door een plankier boven een bouwput en een half etmaal later komt hij bij in de onderwereld, een provincieplaats waar de bevolking voor de helft bestaat uit mensen die door het regime zijn afgevoerd.
Max’ fout is geweest dat hij op een bijeenkomst niet de woorden heeft gezegd die hij had moeten zeggen; ook voor anderen geldt het Kafka-devies: waar straf is, moet schuld zijn. Er speelt nog een onuitgewerkt Daedalus-Icarus motief, waarop een vlucht van de hoofdpersoon volgt op de rug van een adelaar die in ruil voor zijn hulp stukjes vlees eist, eventueel eigen vlees. Het is allemaal knap symbolisch en tenslotte zou het nog wel eens kunnen zijn dat de hele mensheid in deze uithoek van het heelal zit vastgeketend, waar alleen een enkeling uit wil. Daarbij gaat het kennelijk om de werkelijke of de geheime geschiedenis van de mensheid, waar Kadare volgens De Moor op uit is, 'die zich achter de zichtbare geschiedenis verbergt’.
Ik moet zeggen dat ik, als het om literatuur over politieke aanpassing en verzet onder een dictatuur gaat, de eveneens bij Van Gennep vertaalde roman van Kadares echtgenote Helena Gushi-Kadare dan nog liever heb, hoe traditioneel en breedvoerig zij ook vertelt. De hoofdpersoon in Een vrouw uit Tirana trekt zich als redactrice van een uitgeverij het lot aan van een schrijver wiens manuscript de ergernis van de autoriteiten heeft gewekt. Aan haar zijde ziet zij ondertussen haar echtgenoot met zijn opportunisme het hellend vlak af glijden. Een sympathiek boek, maar vergeleken met de hier vorige week gesignaleerde roman van Herta Müller over de psychische kwellingen onder een dictatuur, is het niet erg sterk. Oosteuropese auteurs krijgen het er, nu in de eerste plaats literaire maatstaven tellen, niet gemakkelijker op: òf ze zijn met bepaalde onderwerpen (voor ons lezers) te laat òf te vroeg.