Waar strafbaarheid eindigt

Twee nieuwe boeken belichten het einde van Nederlands-Indië, elk vanuit een ander perspectief. David Van Reybrouck schrijft vanuit de kampongs en dessa’s waar de grootste oorlogsmisdrijven plaatsvonden, Martin Bossenbroek vooral vanuit de ambtenarij die de misdrijven goedpraatte.

Op de dag voor de Indonesische onafhankelijkheid worden portretten van gouverneurs uit de Gouverneurswoning gehaald. Jakarta, 1949 © Henri Cartier-Bresson / Magnum Photos / ANP

Het einde van Nederlands-Indië, wat wij de dekolonisatie noemen en de Indonesiërs ‘revolusi’, kun je samenvatten in een simpele zin: geen leger is opgewassen tegen een idee waarvoor de tijd is gekomen.

Elke historicus moet zodoende met een dubbele blik naar dit tijdvak kijken, namelijk met die van de brandweerman en die van de psycholoog. Hoe ging het smeulende vuur van onafhankelijkheid vanaf de jaren twintig steeds feller oplaaien, en wat maakten de Nederlandse bestuurders zichzelf wijs zodat ze dachten dat ze de vlammen wel eventjes konden blussen?

Binnen een maand kwamen twee gevestigde historici, die voor een breed publiek schrijven, met twee kloeke, prachtig uitgegeven, overzichtswerken die deze vragen op hun manier beantwoorden. Martin Bossenbroek met De wraak van Diponegoro. En David Van Reybrouck met Revolusi. Twee meeslepende, verhalende boeken die, alsof ze het zo afgesproken hadden, perfect sluitend in elkaars verlengde liggen. Bossenbroek gebruikt het vertelmechanisme dat hij ook voor zijn fraaie De Boerenoorlog gebruikte (2012; winnaar van de Libris Geschiedenisprijs), waarbij hij de geschiedenis naloopt aan de hand van een paar hoofdrolspelers, die hij als literaire personages uitdiept. Van Reybrouck hanteert dezelfde methode als voor zijn baanbrekende Congo (2010; bekroond met de AKO Literatuurprijs) en reisde maanden, of misschien zelfs jaren, door Indonesië en Nederland, om laatste getuigen te interviewen en de geschiedenis meer ‘van onderop’ te schrijven.

De eerste helft van het boek van Bossenbroek wordt in beslag genomen door de Diponegoro uit de titel, en zijn Nederlandse tegenstrever, generaal Hendrik Merkus de Kock. Diponegoro begon een jihad tegen de koloniale overheerser, een opstand op Midden-Java die vijf jaar duurde, tot 1830 – en aan het einde waren er tweehonderdduizend doden, waarvan vijftienduizend aan Nederlandse zijde. De Kock keerde terug naar Nederland, ontving zo’n beetje elke medaille die je kon ontvangen en werd in de adelstand verheven, al kleefde er zoveel bloed aan zijn naam dat hij nooit gouverneur-generaal kon worden. Diponegoro verdween in een cel, zijn dood jaren later bleef bijna onopgemerkt.

Het was een oorlog waaruit alle verkeerde lessen werden getrokken, namelijk het idee dat als je maar bikkelhard was je vanzelf de Indonesische bevolking eronder zou houden. Dat idee hield tot na de oorlog aan, met desastreuze gevolgen.

Zowel Bossenbroek als Van Reybrouck schrijft over het Nederlands-Indië van voor de oorlog. Van Reybrouck beschrijft deze periode meer sociologisch, meer gericht op de tijdgeest. Hij gebruikt als metafoor op welk dek je thuishoorde op de grote stoomboten waarmee werd gevaren: bankiers, grootindustriëlen, planters, hogere ambtenaren en officieren op dek 1; handelaren, fabrikanten en bedienden op dek 2; boeren, arbeiders, soldaten en werklozen op dek 3. Op dek 1 protestanten en katholieken, op dek 2 taoïsten en confucianten, op dek 3 moslims. De wet op de staatsinrichting van 1925 verdeelde de bevolking in drie ‘landaarden’: Europeanen, Vreemde Oosterlingen en Inlanders, en bepaalde daarmee onder welke rechtbank je viel, via welke loonschaal je werd betaald, in welke mate je burgerschapsrechten had. Formele segregatie dus.

Enige sociale mobiliteit was mogelijk, hoofdzakelijk door scholing. Maar onder de Nederlandse bevolking stond lang niet iedereen open voor verandering. Nadat de Indonesische politieke islamisten, communisten en nationalisten geprobeerd hadden meer burgerrechten af te dwingen, werd onder gouverneur-generaal De Jonge Nederlands-Indië vanaf begin jaren dertig steeds meer een politiestaat, waarin politieke partijen grotendeels verboden werden, leerkrachten met enigszins nationalistische ideeën uit de klas werden gehaald en kranten werden gecensureerd. ‘Overal werd bespaard, zelfs op leger en marine, maar de politieke inlichtingendiensten kregen veel extra middelen’, schrijft Van Reybrouck.

De grootste Nederlandse kranten waren enthousiast over de ontwikkelingen in nazi-Duitsland, Nederlanders op Java waren buitenproportioneel aangetrokken tot de nsb, en toen Anton Mussert in zijn zwarte hemd in 1935 een rondtocht door Nederlands-Indië maakte, kon hij overal op bomvolle zalen rekenen (in Thom Hoffmans vorig jaar verschenen fotoboek, Een verborgen geschiedenis, staan een paar schrikbarende foto’s van dat bezoek; al die Nederlanders in zondagse jurken en tropenkostuums met hun rechterarm omhoog). Gouverneur-generaal De Jonge ontving Mussert tot twee keer toe.

Het idee dat als je maar bikkelhard was je vanzelf de Indonesische bevolking eronder zou houden, had desastreuze gevolgen

Martin Bossenbroek schrijft op zijn beurt uitgebreider over het intellectuele denkraam van de Indische onafhankelijkheidsdenkers en de Nederlandse bestuurders. Via een van zijn hoofdpersonen in het tweede deel van zijn boek laat Bossenbroek zien hoe die koloniale overheersing niet onbevraagd was – dat is Huib van Mook, een man als een natuurkracht, die in die universitaire wereld in Nederland, in het koloniale bestuur, in het kabinet steeds weerstand opriep en toch steeds kwam bovendrijven, tot hij uiteindelijk – in alles behalve de officiële titel – de laatste landvoogd van Nederlands-Indië was.

Van Mook vond dat ‘blank en bruin’ elkaar begonnen te mijden op de archipel, voelde de polarisering. Nadat hij in de jaren twintig in het Indisch Maconniek Tijdschrift (hij was aanvankelijk overtuigd vrijmetselaar) ervoor had gepleit dat Nederland ‘de goede sluiswachter’ moest zijn die het opkomende Indonesische nationalisme moest kanaliseren, werd hij begin jaren dertig oprichtend lid van De Stuw, een groep bestuursambtenaren en wetenschappers die zich sterk wilden maken voor de ontwikkeling van een zelfstandig Indisch gemenebest en de emancipatie van de Indonesiërs. De Stuw was klein – hun clubblad had een paar honderd exemplaren, tegenover de tienduizend van dat van de naargeestig conservatieve Vaderlandsche Club – maar was invloedrijk in de hogere kringen.

De ironie is dat toen Soekarno, de andere hoofdpersoon in Bossenbroeks tweede helft, eind 1930 tegenover de landraad stond om zich te verdedigen voor samenspanning en ondermijning, hij tal van ‘Europeesche geleerden’ kon opvoeren die de wreedheid en hebzucht van het imperialisme hadden gehekeld. Hij kon de cijfers die de uitbuiting lieten zien uit Nederlandse rapporten plukken. Natuurlijk werd hij alsnog veroordeeld, dat stond al vast, maar zijn speech maakte zijn naam, en werd later gepubliceerd als Indonesia Menguggat of Indonesie klaagt aan!

Bossenbroeks vertelling zit vol levendige mini-portretjes, van de hardlijnige generaal Simon Spoor, van schrijvers als E. du Perron en Bep Vuyk, van Lord Mountbatten en de kunstminnende levensgenieter Soedan Sjahrir, de eerste premier van Indonesië. Bossenbroeks Soekarno is geenszins de rechtlijnige revolutionair, geen IJzeren Hein. Soekarno maakt zich zorgen om zijn hondjes, voelt de klem op zijn hart als weer een gevangenisdeur achter hem dicht valt, wordt op onhandige momenten verliefd – iets wat hij met Van Mook gemeen heeft, die de goede gewoonte had steeds stapel op zijn secretaresses te worden. Soekarno is geen duistere macht, zoals hij vaak is weggezet, maar net als alle anderen een speelbal op de golven van zijn tijd.

Toen de oorlog kwam waren Soekarno en Van Mook, net als bijvoorbeeld De Gaulle in Londen, generaals zonder leger. Of zoals dat in Bossenbroeks montere, uitgesproken stijl klinkt: ‘Minister zonder koloniën. Luitenant zonder gouverneur-generaal. Churchill zonder sigaar. Man alleen.’ Ze hadden invloed, maar geen macht – die moesten ze van iemand anders lenen. Soekarno werd in maart 1942 door een Japanse officier uit zijn cel gelaten (die hem in het Frans aansprak), en hoewel de Japanse bezetter hem aanvankelijk hoffelijk behandelde, mocht er weinig. Geen volkslied, geen eigen vlag. Soekarno gooide het niet op een akkoordje met de Japanners, hij moest de onafhankelijkheid uit hun handen wrikken.

Van Mook zocht het bij de Amerikaanse bevelhebber Douglas MacArthur, die vanuit Australië zijn campagne richting Japan plande. MacArthur deed allerlei toezeggingen, zou het Nederlandse gezag op de archipel direct herstellen. Het is een van de grootste what-if’s uit de koloniale geschiedenis: wat als het machtige leger van de VS de nieuw uitgeroepen Republiek had platgewalst? Maar in werkelijkheid werd bij het overleg van Potsdam in de zomer van 1945 Indonesië overgeheveld van het Amerikaanse bevel naar het Britse bevel, onder Lord Mountbatten – en Mountbatten had meer aan zijn hoofd en vond eind 1945 dat Van Mook maar eens moest gaan praten met die Soekarno, waarmee hij de facto Van Mook dwong Soekarno’s positie te erkennen.

Het leeuwendeel van Van Reybroucks Revolusi draait om de paar jaar na de onafhankelijkheidsverklaring, op die 17de augustus 1945. Het zijn jaren van chaos: na de onafhankelijkheidsverklaring kwam het revolutionaire geweld van de Bersiap-periode (november 1946), gevolgd door het Akkoord van Linggajati (november 1946). Toen dat akkoord viel volgde de Eerste Politionele Actie (juli 1947), gevolgd door het Renville-akkoord (januari 1948). Toen dat weer werd geschonden volgde de Tweede Politionele Actie (december 1948), die leidde tot een guerrilla-oorlog tegen Nederland (eerste helft 1949) die weer werd beëindigd door het Roem-Van Rooijen Akkoord (mei 1949), die uitmondde in de wapenstilstand van augustus 1949, die nog eens werd bekrachtigd door de Rondetafelconferentie van november 1949, en de Soevereiniteitsoverdracht van 1949.

Van Reybrouck ziet die onafhankelijkheid vanuit een breder internationaal perspectief. Dat Mountbatten Van Mook dwong om met Soekarno te praten kwam doordat Mountbatten Soekarno zag in een golf: India had Gandhi, Vietnam Ho Chi Minh, Birma Aung San – zoals Indonesië later weer voor andere landen een voorbeeld was. Van Reybrouck plaatst dat internationale perspectief al voor de oorlog. Hij koppelt de vrijheidsdrang van jonge Indonesiërs aan bijvoorbeeld Japan, een land waar ze tegenop keken. Vanaf de Russisch-Japanse oorlog van 1905 hield Japan zich internationaal staande, en breidde zijn machtssfeer uit. Overal in Nederlands-Indië werden Japanse winkeltjes geopend. ‘Men bewondert Japan, men dweept met Japan’, schreef de latere premier Sjahrir zijn vrouw. In een rusthuis op Sumatra komt Van Reybrouck een meneer tegen die in 1941 werd geboren. Zijn voornaam: ‘Nippon’.

‘Voor een vijftienjarige jongen uit Java was Soekarno een oudere man die al erg lang meeging en met de bezetter had geheuld’

Daarnaast brengt Van Reybrouck sterk een gevoel van momentum in kaart. De strak gesnoerde keten van acties en reacties, die mensen laat opvlammen en radicaliseren. Hij schrijft wel dat de Bersiap-periode een gevolg van de longue durée was van jongeren die op dek 3 waren opgegroeid, maar hij laat ook zien hoezeer het een generatiestrijd was: ‘Voor een vijftienjarige jongen uit Java was Soekarno een oudere man van 45 die al erg lang meeging en met de bezetter had geheuld.’ De jongeren wilden niet net als Soekarno vergaderen en onderhandelen, ze wilden Alles. Nu. Meteen.

Natuurlijk zou David Van Reybrouck David Van Reybrouck niet zijn als hij niet ergens een 102-jarige Indonesiër aantreft (in een rusthuis in Callantsoog) die tijdens de oorlog in Nederland in het verzet belandde (ze waren meer antikoloniaal dan anti-Nederlands, en zagen in het fascisme een veel grotere vijand), opgepakt werd, en naar Dachau werd gestuurd. Hij verbaasde de kamparts: ‘Aus Indonesien? Hier? Das haben wir noch niemals gehabt?’ Elke dag moest hij tientallen doden, bezweken aan de vlektyfus, naar de ‘Totenkammer’ brengen. Toen de Amerikanen op 29 april 1945 met een kleine eenheid Dachau bevrijdden, vroegen ze wie er kon schieten. Dat kon hij, hij had vroeger met zijn vader op krokodillen gejaagd. Dus gaven de Amerikanen hem een geweer met twaalf kogels en moest hij helpen het kamp bewaken.

Djajeng Pratomo: ‘Krokodillenjager, telg uit een aristocratisch geslacht, student geneeskunde, student economie, koerier van clandestien drukwerk, kampgevangene, verpleger van tyfuspatiënten en nu: kampbewaker van bevrijd Dachau. Sommige mensen beleven minstens tien levens in één.’ Daarmee was het niet af, want, dacht Pratomo: Dachau was bevrijd, maar Indonesië nog niet!

Je moet het hem nageven; andere schrijvers zouden van één zo’n Pratomo een heel boek maken, maar Van Reybrouck heeft er handenvol. Zo zit hij op het platteland buiten Tokio merkwaardig sponsvormig gebak te eten tegenover de hoogbejaarde meneer Natsui, die bij de eerste Japanse aanvalsgolf op Java, maart 1942, hoorde. Na eerder in Mantsjoerije gevochten te hebben, was de uitzending naar Zuidoost-Azië een soort vakantie. Lekker weer, zwemmen in de oceaan. Zijn tank rukte makkelijk op richting Bandung, blies een truck met zeven of acht Nederlandse soldaten op, totdat hij zelf op een landmijn reed. ‘Het spijt me dat ik u niet meer kan vertellen’, zegt meneer Natsui met een buiging. ‘Ik was maar een uur op Java, ik heb geen Indonesiërs of Nederlanders gezien. U bent helemaal voor niets gekomen.’

Niet iedere getuige heeft zo’n geweldig treffend verhaal, of niet elke getuige krijgt zulke ruimte. Met 640 bladzijdes, inclusief 120 bladzijdes noten en bibliografie, is Revolusi gek genoeg aan de korte kant.

De verschillen tussen de auteurs zijn niet te missen. Bossenbroek schrijft zonder oordeel, zijn verhaal is op de eerste plaats precies dat: een verhaal. Van Reybrouck heeft zijn oordeel meer voor op de tong liggen, onderstreept dat soms wel heel nadrukkelijk, maar hij schrijft dan ook meer vanuit de kampongs en de dessa’s waar de grootste oorlogsmisdrijven plaatsvonden. Bossenbroek schrijft meer vanuit de ambtelijke paleizen waar die misdrijven werden goedgepraat of weggemoffeld. Zelfs Van Mook, die zo van de ethische politiek en samenwerking met de Indonesiërs was, knijpt een oogje dicht bij de keiharde methodes die tot die brandende kampongs van generaal Spoor leidden. Bossenbroek bakent zijn geschiedenis helder af, eindigt met het gefrustreerde pensioen van Van Mook. Van Reybrouck schrijft over hoe de geschiedenis voortleeft en heden nog steeds zichtbaar en voelbaar is.

Beide auteurs voeren Rémy Limpachs De brandende kampongs van Generaal Spoor, uit 2016, op als een doorslagmoment in de Nederlandse geschiedschrijving. Limpachs negenhonderd grote, dichtbedrukte bladzijdes geven een grauw en niet te weerleggen overzicht van het structurele geweld tegen de Indonesische bevolking. Net als Limpach laat Van Reybrouck zien hoe ‘systematisch geweld begint waar strafbaarheid eindigt’ en geeft hij veel voorbeelden van de achteloosheid waarmee soldaten konden moorden of verkrachten, zonder zich om juridische gevolgen zorgen te maken.

Op basis van zijn talloze interviews met veteranen schrijft Van Reybrouck dat er een ‘doorzichtig maar geluiddicht gordijn door het Nederlandse leger’ liep ‘tussen manschappen die niets wisten en hun werk deden en manschappen die alles wisten maar zwegen’. Geen nieuwe conclusie, maar wat nieuw is, is dat dat zwijgen inmiddels steeds meer wordt doorbroken. Er verschenen memoires, ooggetuigenverslagen, veteranen spraken zich uit in interviewseries, in documentaires.

Voegt hij dan wel iets toe? De compleetheid van Limpach is allicht niet te overtreffen, maar zijn feitenonderzoek is aan te vullen met anekdotes, kleine menselijke geschiedenissen, de levensverhalen die statistieken voelbaar maken. Van Reybrouck doet precies dat, met verve. In Lekopadis, op West-Celebes, loopt hij aan tegen een vrouw die de methode-Westerling van dichtbij had meegemaakt, waarbij iedereen die maar een beetje voor rebel aangezien kon worden door kapitein Westerling ten overstaan van het hele dorp werd geëxecuteerd. Haar vader werd gedood, vertelt ze Van Reybrouck: ‘Mijn moeder beschermde mij door zich op mij te werpen. Ik was enig kind. Jij bent de eerste Europeaan die ik sindsdien zie.’

Van Reybrouck schrijft niet hoe hij daarop reageerde. Ik denk dat hij stilviel, zoals iedereen die het leest ook even stilvalt.