Windroosgedichten 1950-2006

Waar straten naar zijn vernoemd

Voor een dag van morgen. De allermooiste Windroosgedichten 1950-2006
Samengesteld door Henk van Zuiden
Holland, 144 blz., € 12,90

Ik ga een bekentenis doen. Ik trek de poëzie van Hans Andreus niet meer. Dat is erg, want iedereen houdt van Andreus en ik bauwde altijd mee, maar ik lees het en kijk ernaar als naar witbrood dat ver over de houdbaarheidsdatum heen is.

Haast je niet

Haast je niet. De tijd vergaat wel.

En al vergaat hij niet,

je hebt de wereld aan jezelf,

je hebt het leven aan jezelf

en de dood als een dier

achter je, in je, naast je.

Haast je niet. De tijd vergaat wel

en de dood is als een deur,

die je kunt opendoen.

Leef niet het rechte der oplossing na.

Sta niemand na.

Spreek echter. Sommigen willen weten

wat er valt te zien.

Zo’n statement in regel 1 dat meteen in regel 2 ondergraven wordt, als miezemuisgrapje. In regel 3 t/m 7 gebeurt werkelijk helemaal niets en regel 8, ‘de dood is als een deur’, zou je op iedere cursus creatief schrijven op hoongelach komen te staan. Ook in 1956, het jaar waarin het gedicht verscheen, moet dat al een platgetrapte beeldspraak zijn geweest. Helemaal lachen als de dichter dan ook nog meent te moeten toevoegen dat het om een deur gaat ‘die je kunt opendoen’.

Niet alleen de vroege poëzie van Andreus blijkt bederfelijk. Ook de dijenkletsers van Nico Scheepmaker gaan er bij mij in als niet te verstouwen koek. ‘Twee dingen zijn er niet/ in de hemel// ten eerste een god/ en ten tweede een plumpudding/ made in great britain’. Waarna de dichter gaat uitleggen dat hij helemaal niet van Engelse pudding houdt, ‘want daar gaat het niet om// maar je leeft zonder god/ zo onhandig’. Je zou dit gedicht eigenlijk met een andere naam eronder naar een paar toonaangevende literaire tijdschriften moeten sturen. Het zou me verbazen als er nog een standaardafwijzingsbrief aan gewijd wordt.

Gerrit Kouwenaar zou ik heel graag vragen hoe hij het in 1953 presteerde om het gedicht Het is vanavond vroeg donker, met meesterlijke zinnen als:

hoe zweeg mijn long nu voor de laatste maal

vanavond in deze kamer

wie gaf mijn dode taal een rugslag

er is een kanon met wereldlucht

geef mij te drinken

zo meende te moeten afsluiten:

de lampen zijn aangestoken

mijn kieuwen zijn afgesloten

ik adem ik eet

ik adam –

Zo eindigt het echt. ‘Ik adam’. Als woordspeling op het ademen. Toenmalig redacteur van de Windroosreeks Ad den Besten had de nog jonge Kouwenaar een schop onder het achterste moeten geven, met de eenvoudige opdracht: Gerrit, dat einde, werk daar eens aan. Want dit kan echt niet. Misschien zijn het jeugdzonden die mijn maag doen omkeren, maar toch verbaas ik me over de erosie die optreedt in de woorden van dichters waar straten naar vernoemd worden.

Ad den Besten was in 1950 initiatiefnemer van De Windroos, een poëziereeks waarin ‘een nieuw podium’ werd geboden aan ‘jonge beginnende dichters’. In de reeks verschenen bundels van onder anderen Remco Campert, Paul Rodenko en Simon Vinkenoog. De reeks lag na 1990 stil, tot redacteur Chrétien Breukers in 2003 de serie opnieuw opstartte, waarna Henk van Zuiden twee jaar later de fakkel overnam. Hij is nu ook verantwoordelijk voor een verzamelbundel Windroospoëzie verschenen tussen 1950 en 2006.

De meeste lol in deze bloemlezing valt te beleven bij een cultdichter als Bergman in 1950 (‘ik ben een evenwichtig man –/ reïncarnatie van een lama;/ ik houd van orde en ik kan/ niet dromen zonder mijn pyjama’), bij de geïmplodeerde ironie van J. Meulenbelt, ook in 1950 (‘Af en toe, met zijn fiets aan de hand,/ komt een agent kijken naar de orde./ Er is niets aan de hand./ Logisch want overal staan borden’) of de razorbladenempathie van Mieke Tillema in 1988 (‘God, zie mijn vader – hij gelooft/ dat U er bent, doe daar iets aan’).

En bij de mij totaal onbekende Ruth van Rossum, van wie vorig jaar de bundel Eilandranden verschenen schijnt te zijn. Lees en huiver:

Zomernacht op de ritselaardijk

Die nacht maakten we ons los van de families aan het water

en wandelden de hele dijk zo warm nog was het dat we trui

noch jas na dagen op de velden het geraas van de combines zwaar

de geuren van het oogsten stof ook in de lucht van koren bomen

om de boerenerven ritselden in zuchtjes wind die aarzelend

hun weg vervolgden eenden vlogen over vleugelklap en roep om

thuis te raken donkere contouren ons omringden in de verte en

dichtbij geluid van grote beestenlijven zich verliggend in hun

slapen vleugen koelte op ons pad soms in het donkere plotse

scherpte in de neus bij het in teugen tot mij nemen van dit

groeien uren later bleken ouders zorgenmakend zouden we

maar nee mijn hoofd stond daarnaar niet ik was verbijsterd om

hoe ik de aarde leven voelde en mezelf daarin geborgen wist.

Hoe komt het dat ik nog nooit van Ruth van Rossum heb gehoord? ‘Grote beestenlijven zich verliggend in hun/ slapen’. Het is wat aanmatigend klassiek in z’n ‘hoe ik de aarde leven voelde’ en wind die ‘aarzelend’ z’n weg vervolgt, maar niettemin: wat een krachtig, zomerzinderend gedicht is dit.

Ruth van Rossum zal zich dagelijks in slaap huilen omdat niemand haar debuutbundel in de Windroosreeks heeft opgemerkt, maar ik beloof u dat daar verandering in gaat komen.