A. Alberts, Verzameld werk

Waar verhalen al niet goed voor zijn

A. Alberts

Verzameld werk

Van Oorschot, 754, 844 en 603 blz., e 99,-

Wat over pakweg vijftig jaar is overgebleven van de Nederlandse literaire productie uit de tweede helft van de twintigste eeuw laat zich nauwelijks voorspellen. Het zou mij echter niet verbazen als er relatief weinig dikke boeken bij zullen zitten en dat vooral de meesters van de korte baan, de schrijvers van korte verhalen en dunne romans nog gelezen zullen worden. Naast F.B. Hotz en J.M.A. Biesheuvel gooit mijns inziens ook A. Alberts hoge ogen. En mocht dat niet kloppen, dan is dat voor de lezers van 2055 bijzonder spijtig.

De lof van het intense, trefzekere proza van Alberts (1911-1995) is al dikwijls gezongen. In het eerste deel van dit Verzameld werk staan alle tien als zelfstandige publicatie verschenen prozawerken van Alberts, van het uit 1952 daterende De eilanden tot aan het in 1991 verschenen De vrouw met de parasol. De lengte van deze boekjes varieert van een krappe 45 tot iets meer dan honderd bladzijden. Alberts weet niet alleen het decor waartegen het verhaal zich afspeelt met enkele opmerkingen te treffen, als een tekenaar die met schaarse lijnen een achtergrond suggereert, ook aan zijn karakters maakt hij nooit te veel woorden vuil. De lezer heeft bij hem altijd een werkzaam aandeel in het uiteindelijke resultaat.

Deze fraaie uitgave van Alberts’ verzameld werk heeft echter meer te bieden dan het verhalend proza waarvoor hij volkomen terecht in 1995, kort voor zijn dood, de P.C. Hooftprijs heeft gekregen. In deel 2 zijn de drie historische boeken opgenomen die hij tussen 1973 en 1976 publiceerde: De huzaren van Castricum (over Nederland tussen 1780 en 1800), De Hollanders komen ons vermoorden (over de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden aan het einde van de zestiende eeuw) en Een koning die van geen nee wil horen (over de Europese ambities van Lodewijk xiv). Het zijn ouderwets vertellende geschiedenisboeken die tijdens de afgelopen boekenweek zeker aandacht hadden verdiend.

Daarnaast bevat dit deel ook nog een afdeling Verspreid werk, waarin stukken uit diverse literaire tijdschriften zijn opgenomen en tevens een selectie is gemaakt uit de grotere artikelen die Alberts tussen 1950 en 1972 in De Groene Amsterdammer schreef. Van 1953 tot 1965 was Alberts redacteur van dit weekblad en schreef hij naast zijn wekelijkse buitenlandcommentaren van tijd tot tijd grotere stukken, die dikwijls over historische onderwerpen handelden. Sommige zijn te beschouwen als voorstudies voor zijn latere historische non-fictie, maar het in 1963 geschreven verhaal over de leider van de Schotse opstand tegen stadhouder-koning Willem iii diende als basis voor de in 1984 verschenen historische roman De zilveren kogel. Het zijn zonder uitzondering prachtig geschreven verhalen, die getuigen van een enorme historische kennis en een fijnzinnig gevoel voor ironie.

Van die ironie, die nooit studentikoos vervelend wordt, zijn ook de meeste in deel 3 opgenomen publicaties doortrokken. Dit deel bevat de «memoires en beschouwingen» van Alberts, zoals De Utrechtse herinneringen van A. Alberts (over zijn studenten jaren), Aan Frankrijk uitgeleend (over de jaren 1937-1939, toen hij als afgestudeerd indoloog was uitgeleend aan het Franse ministerie van Koloniën) en zijn in 1990 verschenen pamflet tegen de Duitse eenwording, Op weg naar het zoveelste Reich.

Deel 3 opent met het indrukwekkende In en uit het paradijs getild, over de jaren 1939-1947, die hij doorbracht in Nederlands Indië. Uiteraard be landde hij na de Japanse inval in een interneringskamp. Uiteindelijk kwam Alberts terecht in het grote kamp in Tjimahi. «Overigens is een kamp van tienduizend niet aan te bevelen», stelt hij droogjes. «Om te beginnen: het is er te vol.» Overal waren mensen, nergens vond men rust. «Een mooi uitzicht hadden we anders wel. Niet op de toekomst, maar op de Tangkoeban Prahoe. De vulkaan stond er iedere ochtend weer even mooi bij.»

Aanvankelijk doodden de gevangen de tijd met het houden van lezingen, over een scala aan onderwerpen. «We luisterden eerst naar een hele serie van mijn oudste broer over de verhouding tussen Keizer en Paus in de Middel eeuwen. We hebben daarna nog ene hoogleraar gehad over de Vrijmetselarij en een hoogleraar van het Jezuïeten seminarie in Djokja over Thomistische filosofie. Wij deden het niet minder. We moesten het wel minder doen met het eten. We werden magerder, zieker en doder.»

Die ervaringen uit het jappenkamp doken ook op in zijn Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986). «Malaria tropica heb ik daar gehad en dat is niet plezierig. Ik werd gered, letterlijk op het allerlaatst, door een dokter, die me in de hartstreek een van zijn restanten van wat voor medicijn dan ook inspoot. <…> De dokter zei naderhand: Ja, ik heb het maar gedaan, want u heeft zo’n aardig verhaal verteld over de Parijse revolutie van 1848 en hoe de kleine kroonprins zijn moeder en zijn schoentjes kwijtraakte. Waar verhalen al niet goed voor zijn.»

Wie zou Alberts durven tegenspreken.