The Bell Jar, Sylvia Plath

‘Waar voel ik me schuldig over?’

Sylvia Plath kreeg na The Bell Jar (1963) de rol in de feministische canon van een door het huwelijk onderdrukte vrouw. Maar er bestaat ook een persoonlijker lezing. ‘Feminisme is bij Plath niet alleen verlost worden van mannen, maar vooral van andere vrouwen.’

In het voorjaar van 1957 schrijft Sylvia Plath in haar dagboek: ‘Ik zou een fantastische roman kunnen schrijven. Het probleem is de toon. Ik wil dat die ernstig en tragisch is, maar ook vrolijk & rijk & creatief. (…) Ik heb de tijd. Ik moet tegen mezelf zeggen dat ik de tijd heb.’

Een half jaar later: ‘Geen instorten meer, geen gekreun en gesteun: aan pijn raak je gewend. Dit doet pijn. Niet volmaakt zijn doet pijn. Dat je je met werk moet kwellen om te kunnen eten & een huis te hebben doet pijn. Wat zou het.’

Sylvia Plath, Marblehead, Massachusetts, 24 juli 1951 © Marcia Brown Stern / Courtesy of Smith College Special Collections, Northampton, Massachusetts

Een jaar later: ‘Schrijven is een religieuze handeling: het is een ordenen en hervormen van de mensen en de wereld zoals ze zijn en zoals ze zouden kunnen zijn, ze opnieuw leren kennen en van ze houden.’

In januari 1959: ‘Probeer van nu af aan het volgende: zet de wekker om 7.30 en sta dan op, moe of niet. (…) Zorg dat je voor 9 (negen) uur aan het schrijven bent: dat neemt de vloek weg. Het is nu bijna 11 uur. Ik heb twee truien gewassen, de badkamervloer gedweild, een afwas van een dag gedaan, het bed opgemaakt, de was opgevouwen en met afschuw naar mijn gezicht in de spiegel gestaard: een gezicht dat voor zijn tijd oud is.’

Het boek waar Sylvia Plath in die jaren over droomde zou uiteindelijk in januari 1963 verschijnen als The Bell Jar, maar niet onder haar eigen naam; ze gebruikte het pseudoniem Victoria Lucas. Het was fictie, maar van het autobiografische soort; de roman vertelde over Esther Greenwood, die met ingezonden verhalen een beurs heeft gewonnen waardoor ze nu een maand lang, zonder onkosten, door New York mag struinen, langs optredens en modeshows mag gaan, en stage mag lopen bij een damesblad. Vanaf de beroemde eerste zin (‘It was a queer, sultry summer, the summer they electrocuted the Rosenbergs, and I didn’t know what I was doing in New York’) is het duidelijk dat niets van de beurs aan Esther is besteed. Ze gaat op vreselijke dates met vreselijke mannen, wordt gekleineerd en betutteld door oudere dames, er zijn ziektes en voedselvergiftigingen, en net als je denkt dat het verhaal uit weinig meer bestaat dan de onzekerheden van een ondankbaar recalcitrant jong meisje, begin je je af te vragen of haar sarcastische toon niet ter camouflage dient van iets anders – een depressie misschien – en precies dan doet ze een zelfmoordpoging. Esther overleeft en zoals de Rosenbergs wegens spionage worden geëlektrocuteerd, komt zij door elektrotherapie weer bij zinnen. Ze krijgt een pessarium, waardoor ze van haar angst voor seks (en het huwelijk) wordt verlost, en ze mag het ziekenhuis verlaten met een instabiel maar hoopvol gevoel dat ze herboren is.

Dit is precies wat Plath had meegemaakt, in 1953. En zodra ze wist dat ze hierover wilde schrijven, maakte ze zich zorgen over hoe mensen het boek zouden lezen – bang dat de lezer slechts de onzekerheden van een bevoorrecht meisje zou zien, en niet haar diepere trauma’s. In haar dagboek noteerde ze dat ze wilde schrijven ‘over de zwerftocht van een meisje door vernietiging, haat en wanhoop op zoek naar de zin van de verlossende kracht van de liefde, die ze ten slotte ook vindt. Maar het afschuwelijke is dat het boek gewoon goedkoop en vol banale liefdesscène wordt als het slecht geschreven is. Als het goed geschreven is, kan seks verheven zijn & je tot het diepst van je hart ontroeren. Als het slecht geschreven is, wordt het bekentenislectuur. En alle introspectie van de wereld kan dat niet verhelpen.’ En bekentenisliteratuur was het zeker. In 1953 had Plath een beurs gewonnen om stage te lopen bij Mademoiselle, ze had eenzelfde soort breakdown gehad en op eenzelfde wijze zelfmoord geprobeerd te plegen. Haar moeder, haar behandelend arts, haar eerste vriendje, haar collega’s, haar medepatiënten herkenden zich allemaal in de personages in The Bell Jar. Waren zij er boos over, de pers was dat niet; de paar recensies die de roman kreeg waren onverschillig. Volgens biografen maakte dat niet meer uit. Plath verkeerde al maanden in depressie. Drie weken na de publicatie van haar debuutroman pleegde ze zelfmoord, dertig jaar oud.

Wanneer is iets een feministische klassieker? Je zou zeggen: als het boek een maatschappelijke inslag heeft, laat zien hoe vrouwen zijn, hoe ze worden onderdrukt, hoe ongelijkheid in stand wordt gehouden of juist doorbroken kan worden. Als het boek awareness creëert, vrouwen steunt in hun strijd, het patriarchaat aanvalt?

Het bestaan van haar moeder lijkt Plath aanzienlijk meer in de weg te zitten dan dat van Ted Hughes

In het geval van The Bell Jar moet je toegeven dat het simpelweg ook een feministische klassieker is omdat het is geschreven door Sylvia Plath, de patroonheilige van door het huwelijk onderdrukte vrouwen. Want die rol heeft ze gekregen in de feministische canon: de getalenteerde schrijfster en dichteres die haar talent wegcijferde en de kinderen opvoedde zodat haar echtgenoot, Ted Hughes, zich op zijn talent kon richten, en haar daarvoor bedankte door aan de lopende band vreemd te gaan.

Dat is tenminste The Ballad Ted and Sylvia die iedereen kan meezingen, hoewel er inmiddels stapels biografieën zijn verschenen die de songtekst net even anders maken. Plath had haar eerste depressies en eerste zelfmoordpoging lang voordat ze Hughes leerde kennen, maar hun huwelijk was volatiel, het was olie op een al behoorlijk brandend vuur.

Wat niet wegneemt dat The Bell Jar zo nu en dan wel degelijk actief feministisch aanvoelt. Esther Greenwoods omgang met mannen is moeilijk, in de zin dat ze steeds niet weet wat ze van hen wil, iets of niets. Wanneer ze op een date gaat met de VN-tolk Constantin heeft ze, tot haar verbazing, een heel leuke avond en besluit ze dat hij haar mag verleiden. Maar ze heeft te veel rode wijn gedronken en valt bij hem thuis meteen in slaap. Als ze midden in de nacht wakker wordt ligt Constantin naast haar, keurig, gewoon gekleed. Misschien als ik een beroemde schrijfster zou zijn, denkt Esther, of een perfecte neus zou hebben, of heel slim over politiek kon praten, dat hij met me naar bed zou willen.

Constantin is, vindt ze, misschien wel de mooiste man die ze ooit heeft gezien. Esther bedenkt dat dit haar steeds overkomt; van veraf ziet ze een man staan die haar geweldig lijkt, maar zodra ze dichterbij komt verliest ze alle interesse. Dat was een van de redenen waarom ze nooit wil trouwen: ze wil die ‘eindeloze veiligheid’ niet. Ze wil niet de plek zijn waarvandaan een pijl wordt afgeschoten, maar ze wil ‘change and excitement and to shoot off in all directions myself, like the coloured arrows from a Fourth of July rocket’.

Seks is de grote ongelijkmaker. Esther leest tijdschriftartikelen waarin staat dat jongens ‘enige ervaring’ opgedaan moeten hebben, maar dat meisjes ‘puur’ moeten blijven tot hun huwelijk, omdat de jongens hen anders niet serieus zouden nemen. Die dubbele standaard bezorgt Esther een verknipte relatie met seks – ze associeert het niet met plezier of lust, maar met zichzelf weggeven, zichzelf kwijt zijn.

Hierin zit ook een van de titelverklaringen. In de roman spreekt Esther over haar gevoel onder ‘een glazen stolp’ te leven, die haar smoort, haar de zuurstof ontneemt: die glazen stolp kun je zien als de maatschappelijke druk op een meisje om goed te zijn. Puur te blijven, hoge cijfers te halen, je correct te gedragen op feestjes, verantwoordelijk te zijn. Dit is de feministische lezing. Esthers instorting begint als ze niet wordt aangenomen voor een zomerschool creatief schrijven (zoals Plath niet werd aangenomen voor een cursus creative writing op Harvard): voor het eerst voldoet ze niet aan de verwachtingen van de instituties om zich heen.

Er is ook een tweede lezing, die veel persoonlijker is. Want Esther leeft onder haar glazen stolp sinds haar vader is overleden toen ze negen was (Plath was acht toen de hare overleed). Ze zegt met enige verbazing dat ze zich niet kan herinneren sinds haar negende ooit simpelweg gelukkig te zijn geweest. Het gevolg is dat ze haar vader verheerlijkt en is overgeleverd aan haar moeder, een vrouw wier keurigheid uitgesproken onderdrukkend is. Dit past in een lijn: de meeste gevoelens van onvrijheid worden bij Esther opgeroepen door de verwachtingen en belerende blik van andere vrouwen. Feminisme is bij Plath niet alleen verlost worden van mannen, maar vooral van andere vrouwen.

als je de dagboeken van Plath leest, lijkt het bestaan van haar moeder haar aanzienlijk meer in de weg te zitten dan dat van Hughes. Ze voelt zich een verlengstuk van haar moeder en weet niet hoe ze haar vrijheid moet verdienen. Door niet te doen wat haar moeder wil, namelijk lesgeven (een vaste baan, veilig), maar te schrijven. Tegelijk durft ze niet te schrijven, omdat ze bang is dat haar moeder zich haar verhalen dan zal toe-eigenen, zoals ze het gevoel heeft dat haar moeder zich haar hele leven al heeft toegeëigend. Ze wilde niet dat haar moeder bij haar baby kwam, omdat het háár baby was. Maar wanneer ze niet schrijft, heeft ze het gevoel dat ze haar moeder gelijk geeft dat ze nooit haar vaste onderwijsbaan had moeten opgeven. Het verstikt haar: ‘Wat ik dus moet doen is plezier in mijn werk hebben en HET GEVOEL DAT MIJN WERK WERKELIJK VAN MIJ IS. Zij mag ze gebruiken, ze in haar kamer neerleggen als ze gepubliceerd zijn, maar ik heb ze geschreven en zij heeft er niks mee te maken.’

Het is een catch 22: als ze doet wat haar moeder van haar verlangt, wordt ze zelf niet gelukkig. Als ze doet wat ze zelf wil, wordt haar moeder ongelukkig, waardoor zij weer ongelukkig wordt. ‘WAAR VOEL IK ME SCHULDIG OVER?’ noteert ze in haar dagboek.

Toen The Bell Jar acht jaar na de verschijning in Groot-Brittannië ook in de VS verscheen, schreef Plaths moeder de uitgever een brief: het boek was volgens haar ‘de laagste vorm van ondankbaarheid’ voor alle mensen die om haar gaven. Ze wilde graag dat de uitgever wist dat de ik-persoon Sylvia’s ‘valse zelf’ was. Haar ‘echte zelf’ was een ‘service-oriented good girl’. Zelfs na haar dood werd Plath nog ingesnoerd in het korset van keurig, correct en dienstbaar.