Waar zijn de Engelsen zo bang voor?

Agnès Catherine Poirier
Touché: A French Woman’s Take on the English
Weidenfeld & Nicholson, 164 blz., £ 9.99

Buiten schijnt de zon, binnen zitten treinpassagiers als ratten in de val. Vanuit de intercom weerklinkt de mededeling dat de trein wegens ongelukkige lichtval, of iets van die orde, even niet verder kan boemelen door de Londense buitenwijken. Een passagier mompelt wat, een andere maakt stoïcijns zijn kruiswoordpuzzel af en een derde zet onverveerd zijn telefoongesprek voort. Onderwijl staat de Parijse journaliste Agnès Catherine Poirier zich op te vreten. «Incredible, incroyable! The English can take everything. Nothing seems to make them angry. They never complain out loud like my fellow-countrymen», schrijft ze in Touché: A French Woman’s Take on the English.
Nou ja, er zijn grenzen. Klagen deden de Engelsen een jaar geleden over Poiriers Les nouveaux Anglais, een luchtige profielschets over de Engelsen, bedoeld voor intern gebruik. Doch, de Engelse correspondenten te Parijs kregen er lucht van. Wat dacht mademoiselle Frog wel niet! «Française noemt ons onerotische zuiplappen», brieste The Daily Telegraph. «Française noemt ons onerotische, door huisdieren geobsedeerde zuiplappen», alarmeerde The Daily Mail. En dat terwijl het boek een cryptische liefdesverklaring was. Het cultuurverschil tussen de French kiss en tongue-in-cheek, tussen de Vijfde Republiek waar lingerieadvertenties worden bestudeerd alsof het doeken uit het Louvre zijn en een koninkrijk waarin ontblote Traceys, Daisys en Staceys in populaire dagbladen commentaar leveren op recente ontwikkelingen in Irak of Westminster, bleek echter aanzienlijk. Voor alle duidelijkheid – wie spreekt er nog een tweede taal in Engeland? – besloot Poirier een en ander in het Engels te herschrijven, net zoals de Londense cafetaria Messrs C. een Franse lunch «Breakfast All Day» besloot te noemen.

In de ruim tien jaar dat ze nu in Londen woont, heeft de 32-jarige Poirier zich als een antropologe lopen verbazen over het bestaan der Engelsen. Het delen van een appartement was nieuw voor haar, een verwarming met een «timer» een verschrikking, het bestaan van de tabloids een schande, de schaarste aan verse groenten een ramp en het zoeken naar een buurtcafé waar ze niet het risico liep dat er een dartpijltje in haar boek belandde een odyssee. Wat ze het meest miste, waren de demonstraties. In Parijs gaan jong en, in mindere mate, oud wekelijks de straat op om tegen het laatste kabinetsvoornemen te protesteren, hetgeen vaak nog helpt ook. Al die jaren heeft Poirier in Londen twee demonstraties gezien: voor de vossenjacht en tegen de Irak-oorlog. In beide gevallen hielp het niets, hetgeen voor een pragmatisch volk bepaald geen stimulans vormde om iets aan die straatvrees te doen.

Het gebrek aan assertiviteit bij de Engelsen trof ze ook aan in het dagelijkse taalgebruik. Poirier raakte in verwarring door het overdadige gebruik van het woord «sorry». Zelfs bij een botsing met een lantaarnpaal zijn Engelsen in staat zich te verontschuldigen. Dat heeft enerzijds te maken met pragmatisme (wanneer ieder lichamelijk contact in de metro uitloopt in een principieel discours aangaande de schuldvraag ontstaat er een nutteloze burgeroorlog), en anderzijds met een interessant gemeenschapsspel, waarvan de eerste regel luidt: nooit iets direct te zeggen. Eenzelfde functie heeft de uitdrukking «I’m afraid that…» «Waar zijn die Engelsen altijd zo bang voor?» vroeg Poirier zich in het begin af. Het antwoord: om zich uit te drukken, te zeggen wat ze denken en een confrontatie aan te gaan. Dat was wennen voor iemand uit een land waar men niet bang is om de lieve vrede te verstoren.

Ze merkte dit tevens bij de kroeg- en tafelgesprekken. Waar Frankrijk het land is van de grote verhalen, daar heerst in Engeland de small talk. Geamuseerd hoorde Poirier de Engelsen praten over huizenprijzen, hypotheken en schoolkeuzes, gesprekken waarbij het mes slechts gebruikt werd voor de biefstuk. In Frankrijk was Poirier gewend aan existentiële dialogen waarbij geen van de deelnemers zich zorgen maakt over iets als bescheidenheid. Een Engelse toehoorder zou meteen «O, come off it!» roepen, iets wat Jezus volgens de filosoof George Steiner te horen zou krijgen wanneer hij Engeland, als het alternatieve Jeruzalem, verkiest als plek om een comeback te maken en de mensheid de les te lezen. Het is niet voor niets dat de intellectuele elite in Londen van oudsher spottend wordt aangeduid als de «chattering classes».

Ondanks de culturele onvolkomenheden is Poirier uiteindelijk toch gevallen voor Londen. Waarom? Het zit ’m in de energie van de inwoners, het gebrek aan reflectie en het voortdurende uitvoeren van nieuwe ideeën, hoe ondoordacht ze ook zijn. Volgens haar is het hedendaagse Londen wat Parijs, volgens de overlevering, in de jaren twintig moet zijn geweest: «Cosmopolitan, full of energy, daring, heroic, untidy, a microcosm of the world.» Natuurlijk, voor flaneren is Londen uitermate ongeschikt, maar tijdens het snelwandelen zie je de vreemdste mensen en dingen. De kunst van verleiding blijft een hopeloze zaak, maar de vluchtige flirt heeft ook iets. Op elegante wijze winnen is prachtig, maar er gaat uiteindelijk niets boven heroïsch verliezen. En waarom, ten slotte, zou je een Alain Finkielkraut willen, wanneer je Sir Mick Jagger hebt?