Waar zijn de helden van onze tijd?

Het heeft even geduurd. De premier had het zo druk met de sociale partners in Den Haag en de Europese colle ga’s in Brussel dat hij, na zijn eerste «afschuw» van dinsdag 2 november, de openbaarheid meed. Maar na een week had Balkenende zijn analyse op orde. Maandag riep hij – nadat een islamitische school door een bom was getroffen, minister Remkes van Binnenlandse Zaken in NRC Handelsblad had geklaagd over de rechtsstatelijke «neigingen» van collega Donner op Justitie, die hem ook nog eens «tweede viool» laat spelen, en vice-premier Zalm bij ontstentenis van de regeringsleider zijn licht had laten schijnen over de oorlog tegen moslimextremisme – via het Journaal op tot «dialoog». De premier: «Nederland is altijd een mooi land geweest. Laten we niet over woorden vallen, niet alles over één kam scheren en proberen elkaar vast te houden.»

Uitgekiende strategie van een politicus die zes dagen lang niet durfde te zeggen wat velen desnoods hadden willen horen – de hartenkreet «ik weet het ook even niet meer precies» – of achterhoedegevecht van een regeringsleider die het spoor bijster is geraakt? Veel wijst op het laatste. Na de rituele moord op Van Gogh en de afschrikwekkende bedreigingen aan het adres van Hirsi Ali, Wilders, Cohen, Aboutaleb en anderen die nu moeten worden beschermd tegen fundamentalistische razernij, is de beer los. VVD-leider Van Aartsen wist het woensdag al. «Deze mensen willen onze samenleving niet veranderen, maar vernietigen. Wij zijn hun vijand. En dat hebben we sinds 1940 niet meer gezien», schreef hij in NRC Handelsblad. Later zei hij in Trouw: «De stemming doet me een beetje denken aan die van mei 1940. Nederland werd volkomen verrast door de Duitse inval.» Zijn voorganger Bolkestein was zondag in Buitenhof een stuk kalmer. Hij vermeed verbale krachtpatserij, maar verwees toch ook naar zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting.

De «liberale jihad», waartoe de Tweede-Kamerleden Hirsi Ali en Wilders anderhalf jaar geleden opriepen, begint contouren te krijgen. En niet meer alleen op straat waar angst en onbehagen al langer regeren. Ook aan de politieke tekentafels krijgt deze strijd nu gezicht. Directeur Spruyt van de Edmund Burke Stichting, die zelf ook schandalig wordt bejegend, onderkende het momentum. Via Trouw heeft hij het «radicale» programma gepresenteerd van de conservatieve beweging «die het land zal redden uit de handen van een oligarchie van technocraten» en andere «dames en heren politici» die het «éénpartijsysteem» en de «nihilistische ideologie van het cultuurrelativisme» schragen. Moslims hebben in dat nieuwe land een andere plaats dan niet-moslims. «De islam is als zodanig niet compatibel met de moderne democratische rechtsstaat, is als zodanig imperialistisch.» Want «het is duidelijk dat tegenover de islam en zijn libido dominandi een andere houding moet worden aangenomen. (…) Zij eisen rechten en vrijheden op die ze straks aan anderen zullen onthouden. Deze spanning moet onze ogen ervoor openen dat de toegang tot grondwettelijke rechten en vrijheden nooit onvoorwaardelijk is, dat de toegang tot die rechten en vrijheden alleen open staat voor die groepen die het gemeenschappelijke fundament van constitutionele waarden en normen delen. (…) Je past je aan, of je hoepelt op. (…) Burgerrechten moet je eerst verdienen voordat je ze zult genieten.» De consequenties zijn immens. De strijd tegen moslimextremisme zou, net als elke strijd tegen politiek geweld, allereerst praktisch moeten worden gevoerd. Met concrete maatregelen, al dan niet in de politiële sfeer, en permanent oog voor het in barre tijden nu eenmaal wankele evenwicht tussen doel en middelen. Die weerbarstige strijd dreigt nu te worden gereduceerd tot een ideologisch debat over de vraag of er überhaupt wel plaats is voor moslims.

Spruyt heeft daarop een antwoord. Dat is volstrekt oorbaar. Ware het niet dat het tegengeluid op voorhand verdacht lijkt. Spruyt zal niet op korte termijn zijn zin krijgen. Maar de richting is helder. We gaan nu op volle kracht centraliseren. Het voorstel van minister Verdonk om staatsgevaarlijke lieden met een dubbele nationaliteit hun Nederlandse paspoort te ontnemen, is slechts een beginnetje. Decentrale overheden moeten hun kop houden. Maatschappelijke instituties moeten dienstbaar aan de staat zijn. Dat integratiebeleid en terreur bestrijding zo door elkaar kunnen gaan lopen, is van later zorg. In dat licht is het appèl van Balkenende een machteloos gebaar. En de premier weet dat. Hijzelf maakte althans gewag van «Haags gedoe». Vermoedelijk bedoelde hij de mediaruis, maar intussen is ook zijn eigen kabinet door politieke paniek geïnfecteerd. Spreken de ministers wel met elkaar als een ogenschijnlijk geïntegreerde Marokkaan uit Amsterdam-West letterlijk het mes zet in de Nederlandse samenleving? Wordt er nog wel geregeerd?

Te midden van deze tomeloze politieke strijd, die elke verdedigingslinie tegen onbesuisde aanvallen op de rechtsstatelijkheid van Nederland doet ogen als een falanx vol Don Quichottes, is er goddank nog één geruststellende gedachte, mij deze week aangereikt door de Russische sociaal-democraat en dubbel gemankeerde presidentskandidaat Grigori Javlinski. Net als elders in Europa draaien volgens hem nu ook de wielen van de Nederlandse auto dol in het moeras dat is ontstaan door het vertrek van de oude vooroorlogse politici die het verleden nog kenden. Maar anders dan in Rusland wordt dat hier niet verzwegen. Daar zei president Poetin op een vraag wat er met de atoomonderzeeër Koersk was gebeurd: «Die is verzopen.» Hier maken we tenminste nog ruzie over alles wat naar de kelder gaat.

Het is niet veel, maar wel iets: een klein aanknopingspunt om te voorkomen dat we bij de strijd om de ideologische verworvenheden van de Verlichting de praktische verworvenheden van de Verlichting verliezen.