Het haperende techniekonderwijs

Waar zijn de pijpfitters?

Technische opleidingen aan het vmbo en mbo zijn al jaren onder de maat, terwijl de Nederlandse industrie schreeuwt om goed technisch personeel. Zijn bedrijfsscholen de oplossing?

Bert van der Sluis staat in de scheepshal van scheepsbouwer IHC Merwede in Kinderdijk. Trots toont hij een 150 meter lang baggerschip in aanbouw dat de ruimte bijna volledig inneemt. ‘Hier wordt noeste arbeid verricht.’ Dat is te zien. Overal lopen mannen in blauwe overalls. Ze zijn aan het lassen, bankwerken en frezen. Het schip staat ‘op de helling’ en glijdt als het klaar is zo de Noord in, een zijrivier van de Beneden-Merwede. In een goed jaar levert het bedrijf twee van dit soort schepen af. ‘Wij bouwen grote schepen. Het zijn eigenlijk een soort drijvende fabrieken. Daar zit veel trots in en er is passie, kennis en kunde voor nodig.’

Precies om die reden zijn er onder de mannen in overall een flink aantal jongelingen. Leerlingen van het eigen technisch opleidingscentrum. Vier dagen per week zijn ze aan het werk met hun handen en de vijfde dag krijgen ze les in een lokaal in een aangrenzend gebouw. ‘Vmbo’ers die hier binnenkomen met een diploma metaalbewerken op zak weten nog niet hoe ze een lastang moeten vasthouden.’ Met het niveau van de mbo’ers is het niet veel beter gesteld. ‘Dus leiden we ze zelf op’, zegt Van der Sluis, hoofd human resources bij IHC Merwede, een van de grootste scheepsbouwers van Nederland.

Het is een probleem waar Nederland al jaren mee bekend is. De kwaliteit van de technische vmbo-opleidingen en van de mbo-opleidingen binnen de Regionale Opleidingscentra (roc) is ver onder de maat. Bedrijven overal in het land klagen steen en been over de beperkte capaciteiten van nieuw personeel. Niet alleen de vaktechnische, maar ook de theoretische vaardig­heden zijn beperkt. Van der Sluis: ‘De leerlingen komen met de nodige reken- en taalachterstand binnen. We hebben dus nog een hoop te doen als ze hier beginnen.’

Waar is het misgegaan? In 2007 benoemde de Tweede Kamer een parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van pvda-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem, die de onderwijsvernieuwingen in het voortgezet onderwijs in de jaren negentig onder de loep moest nemen. Voormalig staatssecretaris Tineke Netelenbos legde de commissie uit dat de gedachte achter het ontstaan van het vmbo juist was dat de kwaliteit verbeterd moest worden. Daarbij was het uitgangspunt dat het vbo en de mavo zo moesten worden ingericht dat leerlingen zonder problemen konden door­stromen naar een opleiding binnen het roc en dat het vbo een impuls moest krijgen. Netelenbos: ‘Met name met het voorbereidend beroeps­onderwijs ging het heel moeilijk. Weinig jongeren kozen hiervoor. Vooral de technische opleidingen waren in sommige delen van ons land zieltogend. Het vbo werd, oneerbiedig gezegd, het afvalputje van het Nederlandse onderwijs genoemd. Een statusverhoging van het vbo was [bij de vernieuwing] zeker aan de orde.’

Het tegenovergestelde geschiedde. De commissie-Dijsselbloem concludeerde onder meer dat de bewindslieden een tunnelvisie hadden vertoond, dat geld leidend was geweest bij beleidskeuzes en dat er onvoldoende was geluisterd naar docenten, leerlingen en ouders. Bovendien werden te veel ingrijpende veranderingen tegelijkertijd ingevoerd.

Publicist Leo Prick, die regelmatig over onderwijspolitieke kwesties schrijft, verwoordt het minder subtiel. ‘Het zijn allemaal gevolgen van de modieuze stompzinnigheid van de jaren zeventig, die werden gekenmerkt door een weerzin tegen deskundigheid op een vakgebied. Wie er anders over dacht werd uitgemaakt voor vakidioot’, stelt hij. ‘Docenten waren vroeger gerespecteerde vaklieden, afkomstig uit de praktijk, die een avondopleiding van zo’n jaar of zeven hadden gevolgd. Daarvoor in de plaats werd eind jaren zeventig de lerarenopleiding opgericht, voor studenten afkomstig van de havo. De helft van de tijd ging verloren aan stages, didactiek en onderwijskunde.’

Vakkennis raakte ondergesneeuwd. Sinds 1980 verdwenen de vakmensen geleidelijk uit het onderwijs. De ontwikkeling liep parallel met wat Prick de ‘mavoïsering’ van het onderwijs noemt: ‘Het accent verschoof steeds meer naar algemeen vormende vakken. Deze twee veranderingen samen gingen ten koste van de status van de technische vakken en van de docenten die deze vakken gaven.’ Scholieren kozen massaal voor de mavo in plaats van het lager beroepsonderwijs. ‘Het slechte imago is nog altijd een van de belangrijkste oorzaken van het tekort aan vaklui. Een technische opleiding zou enkel goed zijn voor een leven met smerige handen, een slecht salaris en een snel verslijtend lichaam.’

In de jaren negentig volgde een tweede vernieuwingsronde die het onderwijs in het algemeen en het praktijkonderwijs in het bijzonder weinig goed deed. Het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), lager beroepsonderwijs (lbo) en de mavo werden samengevoegd tot het vmbo. Binnen de opleidingen kreeg het theoretische onderwijskarakter van de oude mavo de overhand. Praktijkonderwijs kreeg nog minder aandacht. Tegelijkertijd werden mbo-opleidingen overal in het land geclusterd in regionale opleidingscentra (roc’s), grootschalige, anonieme onderwijscentra met te weinig aandacht voor kwaliteit en individuele ontwikkeling.

Scholen kregen in die periode voor het eerst de vrijheid om financiële middelen naar eigen inzicht te gebruiken. Prick: ‘Sindsdien hebben onderwijsinstellingen vooral geïnvesteerd in gebouwen en het creëren van allerlei staffuncties, en bezuinigd op onderwijs.’ Vooral het technisch onderwijs moest het ontgelden. ‘Technisch onderwijs is duur vanwege de eisen van veiligheid, de te gebruiken apparatuur en de intensieve begeleiding. Daarom hebben weinig instellingen er zin in.’

Dit laatste punt is ook Ineke Dezentjé ­Hamming-Bluemink, voorzitter van de fme, de ondernemersorganisatie voor de technologische industrie, een doorn in het oog: ‘We hebben in Nederland ruim veertig opleidingen voor artiest, waar we mensen opleiden voor de bijstand. Ik begrijp heel goed dat The Voice of Holland een populair tv-programma is, maar we zitten niet op duizenden werkloze artiesten te wachten. Wel op kundig technisch ­personeel.’ Ze voegt eraan toe: ‘roc’s hebben ons niet gebracht wat we ervan hadden verwacht. Ze geven niet het excellente beroeps­onderwijs dat de technologische industrie nodig heeft. Geen wonder dus dat bedrijfsscholen als paddenstoelen uit de grond schieten. Op het moment zijn het er meer dan zestig.’

Inderdaad logisch, vindt Prick: ‘Bedrijven leiden op vanwege het beroerde niveau van de opleidingen, die niet aansluiten bij de praktijk omdat de docenten daar van die praktijk nooit enige kaas hebben gegeten. Overigens kenden we vroeger veel gerespecteerde bedrijfsopleidingen, zoals die van Philips in Hilversum, maar door nieuwe regelgeving zijn die de nek omgedraaid.’

In augustus van dit jaar trok NedTrain, het onderhoudsbedrijf van de NS, veel aandacht met de opening van een eigen vakschool. De TechniekFabriek leidt vanaf dit jaar gespecialiseerd, hoogwaardig personeel op voor onderhoud en reparatie van de treinstellen in Nederland. Zo wil NedTrain ‘zelf de regie voeren over het werven en opleiden van technische vaklieden’. Journaals, kranten en tijdschriften besteedden veel aandacht aan de oprichting van de vakschool. Niet omdat het een nieuw fenomeen is, maar omdat NedTrain een mediageniek voorbeeld is. En omdat de schaal van het achterliggende probleem in steeds bredere kringen doordringt. Voor 2016 wordt een tekort aan personeel met een vmbo- of mbo-niveau verwacht van ruim 135.000 mensen.

Reden voor het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen om de noodklok te luiden. In een petitie die vno-ncw, MKB Nederland en de Stichting Platforms Vmbo vorig jaar aanboden aan de Tweede Kamer constateren zij dat sinds 2004 het aantal leerlingen in de techniek per regio gemiddeld met dertig procent is gedaald. ‘Voor het totale vmbo is het aantal leerlingen in de bovenbouw gedaald van 226.478 in 2004 naar 203.650 in 2010’, schrijven de ondertekenaars. ‘De daling van het aantal leerlingen vond vooral plaats in de basisberoepsgerichte leerweg, namelijk van 64.100 in 2004 naar 46.616 in 2010.’ Als deze trend niet ongedaan kan worden gemaakt, vrezen zij dat complete vmbo-techniekafdelingen moeten sluiten.

Begin dit jaar kwam daar het Masterplan bèta en technologie bij, een rapport dat werd opgesteld door onderwijsinstellingen en bedrijven uit de industriesector. Met als belangrijkste conclusie: ‘De schaarste aan technici kan een bedreiging vormen voor de groeiambities van het Nederlandse bedrijfsleven, en daarmee ook voor de economische groei en welvaart in Nederland op de langere termijn.’ Het uittreden van de babyboomers maakt het probleem extra urgent. Het kabinet reageerde met een toezegging van ruim zestien miljoen euro voor het verbeteren van het mbo-onderwijs en nog eens zes miljoen voor het werven van leerlingen. Maar om het tij te keren is meer nodig dan wat geld.

Klaas Terlage, directeur techniek van het roc Albeda College in Rotterdam, trekt zich de kritiek aan: ‘Natuurlijk moeten we gigantische stappen maken op het gebied van rekenen en taal. Maar dat kost tijd. We hebben het de afgelopen jaren laten lopen en dat proberen we nu met man en macht weer recht te zetten.’ Volgens Terlage maakt het bedrijfsleven zich er alleen wel erg makkelijk van af: ‘Ze schuiven ons de zwarte piet toe, maar ik denk dat een van de belangrijkste oorzaken van de problemen is dat de roc’s en het bedrijfsleven elkaar nog niet gevonden hebben. Maar mijn deur staat altijd open. Ik ben bereid bij bedrijven langs te gaan om afspraken te maken over samenwerken.’

De techniekafdeling van het Albeda College maakt deel uit van de RDM Campus op de voormalige rdm-werf in de haven van Rotterdam. Een concept dat probeert de kloof tussen onderwijs en bedrijfsleven te dichten. In een monumentale industriële hal – het Innovation Dock – werken honderden studenten van technische opleidingen van de Hogeschool van Rotterdam en het Albeda College samen met bedrijven aan innovatieve en duurzame concepten. Elke dag komen de meesten van hen met de speciaal daarvoor bestemde Aqualiner naar het terrein bij Heijplaat. Sinds de grote verbouwing van het terrein staan de letters rdm, oorspronkelijk de Rotterdamse Droogdokmaatschappij, voor Research, Design Manufacturing.

Het idee van de campus is simpel: klein­schalige bedrijven vestigen zich hier om aan een nieuw product te werken. De studenten van de Hogeschool Rotterdam denken mee en maken vervolgens de tekeningen. Ook voeren zij de verdere werkvoorbereiding uit. Vervolgens hebben de leerlingen van het Albeda College de taak om het product te bouwen of te maken. Aan goede apparatuur is geen gebrek. Terlage, met trots: ‘Het machinepark van het Albeda College loopt niet achter op het bedrijfsleven. Onze studenten werken met de nieuwste technieken.’

Dat doen ze 25 kilometer verderop op de scheepswerf van IHC Merwede in Kinderdijk ook. Op de eigen bedrijfsschool leiden ze vmbo’ers op tot lasser, metaalbewerker, pijpfitter of machinaal verspaner. Aan het eind van de tweejarige interne opleiding krijgen ze een mbo-diploma, niveau 2. De eerstejaars leerlingen zijn te vinden in de loods naast de scheepshal. Overal staan machines en liggen materialen klaar voor de praktijklessen.

Dennis (17) is een van de 71 leerlingen van het technisch opleidingscentrum. Hij is net klaar met een opdracht in een van de vele las­cabines. ‘Boten bouwen is mijn passie’, zegt hij. Als eerstejaars brengt hij zijn tijd door in de opleidingshal. ‘Maar mijn droom is om mee te bouwen aan de grote schepen op de helling, in de hal hiernaast.’ Volgend jaar, als hij is gepromoveerd tot tweedejaars, mag hij aan het grote werk op de helling proeven en als hij de opleiding met goed gevolg afrondt, mag Dennis daar blijven. Zoals ook bij andere bedrijfsscholen krijgen alle leerlingen bij IHC Merwede een baangarantie.

Hetzelfde begintraject doorliep Peter Wemmers. 35 jaar geleden begon hij als vijftienjarige in de leerschool van het bedrijf, inmiddels staat hij aan het hoofd van het opleidingscentrum. ‘Ik ben begonnen als scheepsmetaalbewerker. Ik laste alle onderdelen van baggerinstallaties aan elkaar. Later heb ik er in de avonduren eerst een mbo-opleiding scheepsbouw en later een hbo-opleiding bedrijfskunde en personeelswerk en arbeidsmarktpolitiek bij gedaan.’ Het bracht hem van de scheepshal naar de afdeling personeel en organisatie. Vandaar stroomde hij door naar de functie van general manager IHC Fabrication en hoofd opleidingen.

Zijn collega Van der Sluis pronkt graag met Wemmers. Hij is een schoolvoorbeeld van het succes van de eigen bedrijfsschool. Je zou denken dat de bedrijfsscholen de oplossing zijn voor het tekort aan goed geschoold technisch personeel. Maar dat is te makkelijk, alleen al omdat iedere bedrijfsschool samenwerkt met een plaatselijk roc voor het theoretische gedeelte van het onderwijs. Engels, Nederlands en wiskunde worden gewoon gegeven door docenten van daar. Bovendien, benadrukt Terlage: ‘Bedrijfsscholen hebben roc’s nodig om te diplomeren.’ Maar dat is volgens hem niet de voornaamste reden dat de opkomst van de bedrijfsschool geen duurzame oplossing is: ‘Het opleiden van technisch personeel is door de grote tekorten nu economisch rendabel. Maar je weet niet wat de toekomst brengt. Als de tekorten afnemen of bedrijven het zelf zwaar krijgen, dan is het maar afwachten of ze blijven investeren in een eigen opleidingscentrum.’

Ook Jan van Zijl, voorzitter van de MBO Raad, heeft zijn twijfels bij de bedrijfsscholen: ‘Ze leiden heel eenzijdig op. Als je bij IHC Merwede wordt opgeleid, leer je boten bouwen. Bij NedTrain leer je treinstellen repareren. Op een roc leer je een vak in de volledige breedte. Je zit daardoor niet vast aan een bedrijf, maar kunt alle kanten op. Dat is ook de opdracht aan de roc’s vanuit de politiek.’

Bert van der Sluis van IHC Merwede vindt de huidige situatie ook niet optimaal: ‘Ze krijgen op het vmbo allemaal theorievakken en uiteindelijk maar weinig technische vakken. Veel jongeren die wij opleiden, hadden eigenlijk al op hun dertiende met hun handen aan de slag willen gaan, maar moeten wachten tot ze zestien zijn en een diploma op zak hebben. Hier begint de echte opleiding pas en dat is ook voor ons niet wenselijk. We willen samen met het onderwijs zoeken naar aansluiting.’

Dat het anders moet is duidelijk, maar hoe? De problemen zijn groot en divers. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit van leerlingen moet omhoog. Maar wie is hiervoor verantwoordelijk? De scholen die de leerlingen opleiden, de bedrijven die op zoek zijn naar personeel, de politiek?

Een lichtend voorbeeld is de technomavo aan het Teylingen College in Voorhout. De opleiding werd in 2009 opgericht en speelt in op het gebrek aan balans tussen status en ambitie. Het vmbo telt vier niveaus waarbij de technische opleidingen behoren tot de laagste twee niveaus en de meest theoretische leerweg (vmbo-t) het hoogst haalbare is. Jongeren met een vmbo-t-advies kiezen niet snel voor een lager niveau, ook al zouden ze eigenlijk graag praktijkonderwijs volgen. De technomavo biedt een opleiding voor leerlingen uit de gemengde, theoretische leerweg van het vmbo en leerlingen van de havo, en wordt aangevuld met praktijklessen. Scholieren krijgen naast hun gewone lessen elke dag onderwijs in de praktijklokalen, waardoor ze na de middelbare school meteen kunnen doorstromen naar een technische mbo-opleiding op niveau 4. Een gouden greep, zo bleek uit de grote hoeveelheid aanmeldingen. Het initiatief is een stap in de goede richting, maar volgens de kenners is er meer nodig om het personeels­niveau echt op peil te krijgen.

Jan van Zijl van de MBO Raad wijst daarbij in eerste instantie naar het bedrijfsleven. Dat moet ervoor zorgen dat jongeren een goede reden hebben om voor een technische opleiding te kiezen. Want werk in de industriële sector heeft een slecht imago, al is dat niet altijd terecht, vindt hij: ‘Daar moeten bedrijven iets aan doen. Als het werk aantrekkelijk is, zal het aantal scholieren dat een technische opleiding kiest vanzelf oplopen. En dan is de eerste belangrijke stap gezet.’

In diezelfde lijn riep Ad Lagendijk, hoog­leraar natuurkunde aan de TU Twente, scholieren op om vooral geen technische opleiding te kiezen. In Nederland, stelt hij, wordt technisch personeel structureel onderbetaald. ‘Google en Apple hebben geen problemen met het aantrekken van hooggekwalificeerd technisch personeel. Zij zijn bereid om de vereiste prijs te betalen. Ondernemingen die niet willen betalen voor het personeel dat ze nodig hebben, zullen het loodje leggen. Hoe eerder, hoe beter.’

Nederland lijkt inderdaad traag in zijn reactie op het groeiende tekort. Door het grote ­succes van de dienstenindustrie wordt de ­maak­industrie nauwelijks serieus genomen. Van der Sluis ziet met een jaloerse blik hoe in Duitsland wél ­adequaat wordt gereageerd. Daar wordt flink geïnvesteerd in deze sector. ‘Maar’, zegt hij ­optimistisch, ‘in Buitenhof zei Diederik Samsom voor de verkiezingen dat we er alles aan ­moeten doen om het tekort aan technisch ­personeel terug te dringen. Nederland moet meer oog hebben voor de maakindustrie en zich minder blindstaren op de dienstverlening. Dat maakt ons land kwetsbaar. Samsom zei dat landen met meer maakindustrie de crisis beter doorkomen. Daar moeten we het onderwijs op inrichten.’

Hoe? Heel simpel, door meer technisch onderwijs te geven. Een van de grootste obstakels daarbij is het bestaande financierings­model, waarbij scholen worden beloond voor de verstrekte diploma’s. Dat maakt een opleiding met dure apparatuur voor een school minder aantrekkelijk dan een opleiding tot administratief medewerker of zangeres. Van der Sluis: ‘Ik zou willen dat de maatschappelijk relevante studies, zoals metaalbewerker, meer overheidsfinanciering krijgen.’

Dat wil ook Ineke Dezentjé Hamming-­Bluemink, voorzitter van de ondernemers­organisatie voor de technologische industrie. Ze pleit voor onconventionele politieke keuzes om een einde te maken aan de tekorten. Zo moet er een einde komen aan wat zij ‘pret­opleidingen’ noemt. ‘Als je wilt dat jongeren kiezen voor een opleiding waarmee ze aan de bak komen, dan moet je geen opleidingen aanbieden waar geen werk voor is. We moeten ze opleiden voor een baan, zodat ze direct aan de slag kunnen als ze van school komen. Aan roc’s de taak om beter in te spelen op de instroom uit het vmbo. Ze ­moeten de glamour terugvinden van het ­bouwen van een schip en met enthousiasme voor de klas staan.’

Daarnaast zouden roc’s beter moeten samenwerken en het aanbod aan opleidingen op elkaar afstemmen. Dezentjé Hamming-­Bluemink: ‘Niet elk roc hoeft elke ­opleiding aan te bieden, maar de beste school moet zich kunnen specialiseren.’

Het slotpleidooi van de voorzitter van vvd-huize sluit aan bij de woorden van Diederik Samsom: ‘De maakindustrie zorgt voor een enorme economische groei en nationale welvaart, dan moet die industrie ook prioriteit krijgen. In een geglobaliseerde wereld is alleen ruimte voor kampioenen. Als we willen voorkomen dat bedrijven naar de buren gaan, moeten we investeren in gouden handjes en knappe koppen.’