Essay Het democratisch debat

Waar zwijgen politici over?

De kwaliteit van een democratie laat zich ook aflezen aan de kwaliteit van het debat. Politiek bedrijven is, behalve stemmen winnen, ook een kwestie van de agenda bepalen. De aandacht vestigen op een veronachtzaamd probleem of verdrukt belang is een garantie voor aandacht. Maar soms is het even opportuun om een probleem níet aan te snijden. Vier politicologen geven, in aanloop naar de Avond van de Democratie, hun kijk op kwesties waar politici ongemakkelijk over spreken, of liever over zwijgen.

De onderschatting van het rechts-populisme

DOOR SARAH L. DE LANGE

HET SUCCES VAN radicaal rechts-populistische partijen blijft Nederlandse journalisten, politici, en wetenschappers bezighouden. Met enige regelmaat proberen zij de eventuele dreiging die ervan uitgaat in kaart te brengen. Zo publiceerde het Wetenschappelijk Instituut van het CDA recent het themanummer Populisme in de polder, waarbij verschillende CDA-prominenten de nadruk legden op het feit dat de populistische partijen zeer kritisch staan tegenover rechtsstatelijke instituties en principes.

Hoewel veel Nederlandse commentatoren onderkennen dat de opkomst van het populisme een uitdaging vormt voor de liberale democratie blijken ze dikwijls van mening dat er niet direct hoeft te worden ingegrepen. Ze veronderstellen dat het populisme een tijdelijk fenomeen is dat weer zal verdwijnen. Zo verklaarde Frits Bolkestein dat hij verwachtte dat Geert Wilders ‘een beperkte houdbaarheid’ heeft en niet meer dan een 'kortstondige komeet’ aan het Nederlandse politieke firmament zal zijn. Ook Fons van de Vijver, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Tilburg, suggereerde onlangs dat Wilders niet meer dan 'een eendagsvlieg’ zal blijken te zijn, omdat zijn partij geen oplossingen voor maatschappelijke problemen aandraagt.

Om hun stellingname te schragen verwijzen commentatoren vaak naar de Britse politicoloog en populisme-expert Paul Taggart, die in een recent interview in NRC Handelsblad beweerde dat het populisme een zelf-limiterend karakter heeft. Hij stelt dat de opkomst van het populisme het gevolg is van 'een tijdelijke communicatiestoornis tussen kiezers en gekozenen’. Zo maken populisten doorgaans een explosieve en onverwachte groei door, maar verdwijnen ze even snel weer van het politieke toneel. Volgens Taggart is het populisme daarom een vergankelijk fenomeen, waar niet te veel aandacht aan moet worden geschonken.

Gezien de geschiedenis van het populisme in West-Europa lijkt Taggart in eerste instantie gelijk te hebben. In de naoorlogse jaren kwam het populisme slechts sporadisch voor en verdween altijd even snel als het was opgekomen. De populistische bewegingen van boer Koekoek en de Fransman Pierre Poujade waren slechts een kort leven beschoren. Maar de huidige populistische tijdgeest kan niet worden vergeleken met die van de jaren vijftig of zeventig. Radicaal rechts-populistische partijen hebben een coherent en gedetailleerd politiek programma, waar het populisme slechts één onderdeel van is, en hebben een bijzonder loyale schare volgers weten te verwerven, die ze verkiezing op verkiezing blijft steunen. Het kan natuurlijk zo zijn dat de kiezers de partij tijdelijk de rug toekeren wanneer deze door interne strijd wordt verscheurd, zoals tussen 2000 en 2005 gebeurde bij de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ) en recenter bij het Vlaams Belang (VB), of wanneer de leider niet langer kan overtuigen, zoals de afgelopen jaren te zien was aan de electorale teloorgang van het Franse Front National (FN).

Maar wanneer deze problemen zijn opgelost keren kiezers snel terug in de schoot van de partij. Sinds de FPÖ haar zaakjes weer op orde heeft, laten de verkiezingsresultaten van de partij een stijgende lijn zien en ook het FN staat er goed voor in de peilingen nu Marine Le Pen het leiderschap heeft overgenomen van haar vader. Wanneer radicaal rechts-populistische partijen toch het vertrouwen van de kiezer definitief verliezen en uit het parlement verdwijnen, staan in de coulissen soortgelijke partijen klaar om ze op te volgen. Zo nam de Bündnis Zukunft Österreich (BZÖ) in 2005 tijdelijk het estafettestokje over van de FPÖ, verving in Denemarken Pia Kjaersgaards Dansk Folkeparti (DF) de Fremskridtspartiet (FrP) van Mogens Glistrup toen deze in diskrediet raakte, en liepen veel kiezers van het Vlaams Belang bij recente verkiezingen over naar de even populistische Lijst Dedecker (LDD).

Ook de claim dat radicaal rechts-populistische partijen hun toon zullen matigen wanneer ze worden uitgenodigd om toe te treden tot een regeringscoalitie, als gedoogpartij of lid van het kabinet, blijkt niet op feiten te berusten. Wanneer ze bestuursverantwoordelijkheid nemen, leidt dat niet automatisch tot inkapseling in het establishment. Uiteraard kritiseren ze wanneer ze eenmaal op het pluche zitten niet langer de politieke elite als zodanig, dat zou hun regeringsdeelname tenslotte ongeloofwaardig maken. Maar dit betekent niet dat ze minder populistisch worden. Partijen als de DF, de Lega Nord (LN), en de Partij voor de Vrijheid (PVV) blijken wonderwel in staat om zichzelf te presenteren als de oppositie in de regering, met name door hun pijlen te richten op de linkse kerk die het hun onmogelijk maakt hun regeringsagenda uit te voeren.

Het idee dat radicaal rechts-populistische partijen eendagsvliegen zijn blijkt dus niet op waarheid te berusten. Alleen al hierom moet beter worden nagedacht over hoe het best op hun opkomst kan worden gereageerd. Daarnaast wordt in veel beschouwingen eenzijdig gefocust op de uitdagingen waarvoor het populisme de liberale democratie stelt. Door die nadruk wordt vaak vergeten dat het populisme niet de kern vormt van het gedachtegoed van rechts-populistische partijen. De kern bestaat namelijk uit een combinatie van nationalisme en xenofobie, door de Nederlandse politicoloog Cas Mudde ook wel aangeduid met de term 'nativisme’. Nativisten en populisten hebben met elkaar gemeen dat ze een wereldbeeld hanteren waarin de goeden tegenover de slechten staan. Zij promoten het dichotoom denken ('wij’ versus 'zij’) en dragen bij aan maatschappelijke en politieke polarisering. Ook het nativisme verhoudt zich slecht tot de liberale democratie, het heeft tenslotte geen boodschap aan constitutioneel vastgelegde minderheidsrechten. De uitdaging waarvoor radicaal rechts-populistische partijen liberale democratieën stellen wordt door Nederlandse commentatoren derhalve systematisch onderschat.

De stilte over Europa

DOOR CATHERINE E. DE VRIES

HOE GROOT DE ONTWIKKELINGEN in Europa de laatste jaren ook geweest mogen zijn, in Nederland was hier nauwelijks aandacht voor. Op 12 maart is er weer een belangrijke stap gezet in het Europese eenwordingsproces; de regeringsleiders uit de eurolanden hebben besloten om een structureel noodfonds in te stellen en de regels van het Europese Stabiliteitspact aan te scherpen. Het zogenaamde Europact heeft vooral het doel de toekomst van de euro veilig te stellen. Op het eerste gezicht niets nieuws onder de zon, maar niets is minder waar. Het Europact bevat namelijk vergaande plannen voor de harmonisatie van loonpolitiek, pensioenregelingen en vennootschapsbelasting. Integratie van belasting-, loon- of pensioenregelingen is een belangrijke stap in het eenwordingsproces en de soevereiniteitsoverdracht, vooral tegen de achtergrond van recente strubbelingen omtrent de Europese Grondwet en het Verdrag van Lissabon. In veel lidstaten was er dan ook veel politieke aandacht voor het Europact. In Hongarije en Griekenland gingen burgers zelfs de straat op om ertegen te demonstreren.

In Nederland bleef het oorverdovend stil, en een uitzondering is dat niet. Zelfs na het luide 'nee’ in het Grondwetsreferendum verstomde de discussie over de richting en reikwijdte van het Europese project snel. Terwijl ruim de helft van de huidige Nederlandse wetgeving direct voortvloeit uit verdragen of directieven die op Europees niveau tot stand zijn gekomen. Waar komt dat gebrek aan politieke belangstelling vandaan?

Ten eerste is het voor nationale politici veelal politiek inopportuun om Europa te thematiseren. De reactie van minister-president Rutte na het Europact is exemplarisch. Hoewel met de ingang van het pact Europa zich vergaande zeggenschap zal toe-eigenen op het gebied van pensioen- of loonpolitiek tast dit 'onze soevereiniteit’ niet aan, aldus Rutte. Het is lastig om deze bewering als iets anders dan een farce te zien. Het harmoniseren ofwel aanpassen van belasting- en pensioenregelingen is een kerntaak van de overheid. Verdere economische integratie gaat automatisch gepaard met meer politieke samenwerking, wat politici ook zeggen. De opmerking van Rutte getuigt van weinig realiteitszin; een premier zal niet graag openbaar willen toegeven dat hij of zij aan politieke macht heeft ingeboet. Ook al onderhandelen nationale politici en beleidsmakers uit alle lidstaten met elkaar in Brussel, ze bevinden zich tegelijkertijd in directe beleidscompetitie met Brussel. Je wilt niet overkomen als de uitvoeringsorganisatie van Europa, vooral niet in een electorale realiteit waar duidelijkheid en daadkracht een steeds grotere rol spelen.

Ten tweede hebben veel politici de neiging hun eigen beleidsverantwoordelijkheid op Brussel af te schuiven. Enerzijds geven politici de bevolking veelal de indruk dat zij over de toekomst van Nederland gaan en Europa slechts weinig invloed heeft, anderzijds veranderen ze graag van discours als er impopulaire maatregelen moeten worden genomen. Bij bezuinigingsmaatregelen krijgt de Unie maar al te vaak de zwartepiet toegeschoven. Ministers binnen het tweede kabinet-Balkenende wezen bijvoorbeeld veelvuldig naar Europese begrotingsregels als reden voor vergaande bezuinigingen. In 2004 gaf minister van Financiën Zalm zelfs te kennen dat hij een mogelijke rode kaart uit Europa vanwege het oplopende begrotingstekort zou verwelkomen. Dit zou immers de druk vergroten op coalitiegenoten CDA en D66 om extra bezuinigingen op de sociale zekerheid te accepteren. Dit soort manoeuvres versterkt gevoelens van onbehagen en onzekerheid bij burgers als het gaat om de Brusselse bestuurslaag.

Ten slotte is Europa zelden een thema in politieke discussies, omdat het voor politici lastig is om het Europese belang als het Nederlandse belang te verkopen. Ten tijde van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal behoorde Nederland tot een select gezelschap van drie kleine en drie grote landen, anno 2011 kent de Unie 27 lidstaten met een grote culturele en economische verscheidenheid. Met de toename van het aantal lidstaten zijn specifiek Nederlandse beleidsstandpunten, zoals de legalisering van softdrugs of prostitutie, mogelijk in gevaar. Ook de discussie over de financiële bijdrage van Nederland kan in dit licht worden gezien. Sinds de jaren negentig behoort Nederland tot de kopgroep van nettobetalers. En dan zijn er nog de schandalen rond corrupte Europese politici en ambtenaren, verhalen over parlementariërs die enkel tekenen om hun dagvergoeding te incasseren en dan snel weer vertrekken, de geldverslindende maandelijkse verhuizing van Brussel naar Straatsburg en het tolkencircus. Dit zijn geen populaire boodschappen tijdens verkiezingen.

De ondraaglijke stilte maakt de incompetentie van het politieke midden om met lastige maatschappelijke thema’s om te gaan oorverdovend duidelijk. De overwegend pro-Europese standpunten van middenpartijen als het CDA, de PVDA of de VVD zijn bij een deel van de achterban ongeliefd. Door Europa te mijden, proberen deze partijen te voorkomen dat er een debat binnen de eigen gelederen ontstaat. Een stabiel politiek evenwicht is dit echter niet. Oppositiepartijen op de flanken van het spectrum, de PVV en SP, staan immers dichter bij de eurosceptische standpunten van een deel van de kiezers en slaan hier electoraal munt uit.

Ook vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit is de stilte niet wenselijk. Burgers hebben het recht op informatie over belangrijke maatschappelijke en politieke vraagstukken. Alleen dan is het mogelijk om politici verantwoordelijk te houden voor beleid. Dit is een lering die Nederlandse politici inmiddels wel uit de politisering van de immigratie- en integratieproblematiek zouden moeten hebben getrokken. De halfhartige benadering van Europa voedt momenteel het wantrouwen onder de bevolking. Om ervoor te zorgen dat burgers echt positie kunnen bepalen, is een debat waarin een betere informatievoorziening centraal staat van cruciaal belang. Dit zou Nederlandse politici ook meer mogelijkheden kunnen bieden in Brussel.

In Denemarken, waar Nederland vaak mee wordt vergeleken, wordt zo al jaren een Europa-debat gevoerd. De Denen kiezen in Europees verband vaak voor een zogenaamde opt-out, een uitzonderingsclausule waardoor zij zich deels aan bepaalde maatregelen uit Brussel onttrekken. Nederlandse kabinetten zouden middels deze clausule misschien ook meer steun kunnen verwerven voor hun Brusselse activiteiten. Maar dan moet je uiteraard wel eerst uitleggen wat een opt-out is.

De culturele dreiging

DOOR ELMAR JANSEN

POLITIEK HOUDT ZICH in potentie bezig met alle terreinen waar de overheid bij betrokken is, en dat zijn er nogal wat. Toch is het aantal onderwerpen dat uiteindelijk de agenda van het democratisch debat haalt vrij beperkt. Dat is niet helemaal verwonderlijk. Er is eenvoudigweg niet voldoende ruimte in de parlementaire agenda, op opiniepagina’s en in de hoofden van burgers om ons druk te maken over alles waarover politiek bedreven kan worden. Daarnaast lijkt er een zelfversterkend effect te bestaan: deelnemers aan het debat reageren op elkaar, als een onderwerp eenmaal 'hot’ is, wordt van iedere partij verwacht er een weloverwogen standpunt over te hebben.

Als er in Nederland iets het politieke en maatschappelijke debat het afgelopen decennium heeft gedomineerd, dan zijn het wel discussies rondom immigratie en integratie geweest. Dat is ook de sociale wetenschappen niet ontgaan. De afgelopen jaren is er dan ook een ware hausse geweest van onderzoek naar de vraag hoe er gedacht en gesproken wordt over immigratie en integratie. Zo weten we inmiddels vrij veel over wat bepaalt hoe individuele burgers aankijken tegen immigranten, specifieke migrantengroepen of immigratie in het algemeen. Dat is vooral interessant omdat we weten dat kiesgedrag er deels afhankelijk van is; het succes van antimigranten-partijen, zoals de PVV, is niet alleen te verklaren als proteststemgedrag, maar vooral vanuit inhoudelijke instemming met het partijprogramma over immigratie.

Met name binnen de sociale psychologie wordt er meestal van uitgegaan dat negatieve houdingen van mensen tegenover leden van een andere groep het resultaat zijn van het idee dat er een dreiging uitgaat van die groep. De vraag wordt dan dus op welk moment we groepen als bedreigend ervaren. Een eerste mogelijk antwoord lijkt bijzonder voor de hand te liggen: hoe groter de bedreigende groep, hoe groter de ervaren dreiging. Dit zou concreet betekenen dat burgers negatiever tegenover immigranten of specifieke immigrantengroepen staan naarmate er meer immigranten zijn. Opmerkelijk genoeg blijkt uit internationaal vergelijkend onderzoek en onderzoek door de tijd heen dat immigratiecijfers of de omvang van immigrantengroepen slechts een heel beperkt effect hebben op de houding tegenover immigranten en immigratie. Op lokaal niveau is het verband zelfs tegengesteld: hoe meer mensen in aanraking komen met leden van een andere groep, hoe minder negatief hun houding zal zijn. Zo staan plattelandsjongeren negatiever tegenover allochtonen dan grootstedelijk jongeren, terwijl de laatste groep het meest met allochtonen te maken heeft.

Behalve naar omvang kunnen we ook kijken naar de inhoud van de ervaren dreiging. Wat is het precies dat als bedreigend wordt ervaren? Recent onderzoek laat zien dat de negatieve houdingen ten aanzien van migranten steeds minder het gevolg zijn van een ervaren economische dreiging en steeds meer van een ervaren culturele bedreiging. De ervaren dreiging komt dus grotendeels voort uit het idee dat vreemde culturele waarden botsen met eigen culturele waarden, en niet uit het idee dat banen worden ingepikt of sociale voorzieningen worden misbruikt. Deze verschuiving is niet alleen zichtbaar in Nederland maar ook in andere Europese landen zoals België, Denemarken, Frankrijk en Oostenrijk.

Maar wat bepaalt dan in hoeverre burgers zich in culturele zin bedreigd voelen? Het vanzelfsprekende antwoord is hier: hoe groter de verschillen, hoe groter de dreiging. Dit is nogal lastig te onderzoeken omdat cultuur zo veelomvattend is dat er eigenlijk maar heel weinig zinnigs valt te zeggen over de afstand tussen twee culturen in algemene zin. Wat we wel kunnen, is ons richten op de specifieke elementen van cultuur die een grote rol spelen in het publieke debat. Neem de acceptatie van homoseksualiteit. Van Nederlandse niet-moslims vindt meer dan negentig procent dat homo’s en lesbiennes hun leven moeten kunnen leiden zoals ze dat zelf willen, tegen ruim vijftig procent van de Nederlandse moslims. Toch vertelt deze kloof niet het hele verhaal: zo is de gemiddelde SGP-kiezer (vijftien procent acceptatie) nog een stuk minder tolerant, terwijl de culturele botsing met deze groep als een stuk minder prangend ervaren wordt.

En uit onderzoek blijkt eigenlijk nauwelijks dat dergelijke tegenstellingen, die de grootste rol spelen in het debat, ook daadwerkelijk de oorzaak zijn van de ervaren culturele dreiging. Zo blijken autochtone burgers die zich tegen migratie en migranten keren juist relatief vaak op één lijn te zitten met de meeste eerste- en tweede-generatie-migranten wanneer het gaat om de mate waarin ze progressieve, liberale principes, zoals de acceptatie van homoseksualiteit of de vrijheid van meningsuiting, onderschrijven. Als culturele verschillen een rol spelen, dan zijn het waarschijnlijk eerder botsende normen en gebruiken, zoals de wijze van begroeten of kledingcodes, die als bedreigend worden ervaren.

Tot slot horen we vaak dat de manier waarop burgers tegen immigranten aankijken voor een groot deel bepaald wordt door mediaberichtgeving. Uit onderzoek blijkt dat niet alleen de inhoud van de berichtgeving, maar voor een belangrijk deel ook de toon en insteek invloed hebben op onze opinies over immigratie. Toch is het de vraag in hoeverre de sterk toegenomen aandacht in politiek en media de afgelopen jaren heel veel invloed heeft gehad op de mening van burgers: eigenlijk is er in de laatste decennia niet zo heel veel veranderd aan hoe individuele burgers denken over immigratie en immigranten.

Europa als civil society

DOOR HEIN-ANTON VAN DER HEIJDEN

EEN VAN DE GROTE structurele problemen voor de Europese Unie is nog altijd haar gebrek aan politieke legitimiteit. Zeven keer nu al zijn er directe verkiezingen gehouden voor het Europese Parlement, maar nog steeds zien de inwoners van de 27 lidstaten zichzelf primair als Nederlander, Engelsman of Pool; het gevoel deel uit te maken van een Europees demos leeft nog altijd nauwelijks.

In een poging de politieke legitimiteit van de Unie te vergroten heeft de Europese Commissie vanaf de late jaren negentig geprobeerd een Europese civil society van de grond te krijgen. Door genereuze financiële steun aan bijvoorbeeld mensenrechten-, vrouwen- en antiracismegroepen is er in Brussel een breed netwerk ontstaan van non-gouvernementele organisaties. Voor een vierjarig programma voor het ondersteunen en professionaliseren van de Brusselse kantoren van milieugroepen bijvoorbeeld had de Europese Commissie niet minder dan 32 miljoen euro over. De Commissie probeert zo verschillende vliegen in één klap te slaan. Ngo’s beschikken over veel informatie die waardevol is voor Europese beleidsmakers; door regelmatige contacten met ngo’s wordt de legitimiteit van het Europese beleid versterkt; en, ten slotte, deze interactieve manier van politiek maken draagt op zichzelf al bij aan verdere Europese integratie.

De manier waarop de Europese Commissie probeert 'van bovenaf’ een Europese civil society te creëren heeft voor- en nadelen. Een voordeel is dat door de financïele steun aan Brusselse natuurbeschermings-, consumenten- en andere groepen een (bescheiden) tegenwicht wordt geboden aan de macht van de bedrijvenlobby, die nog altijd vele tientallen malen groter is dan de hele Brusselse ngo-lobby. En de Europese dimensie van veel politieke thema’s en conflicten (klimaatverandering, consumentenbescherming, voedselveiligheid) op deze manier beter voor het voetlicht komt.

Maar er zijn ook nadelen. Critici stellen dat de manier waarop Brusselse ngo’s bij het beleid worden betrokken eerder een vorm is van 'functionele participatie’ dan van politisering. De ngo’s komen vooral in beeld wanneer het gaat om het zo soepel mogelijk helpen uitvoeren van het beleid. Op deze kritiek is wel wat af te dingen. Goed lobbyen betekent ook in een vroeg stadium in de gaten hebben welke besluiten worden voorbereid, en vervolgens op het juiste moment en de juiste plaats aanwezig zijn om de juiste besluitvormers tot andere gedachten te brengen.

Een bezwaar dat meer hout snijdt, is dat je met het beperken van de politieke participatie tot door de EU gecertificeerde ngo’s niet alleen geïnteresseerde Europese burgers uitsluit van deelname aan de besluitvorming, maar ook het contact verliest met de ideeën die leven bij mensen en groepen in de lidstaten zelf. Volgens deze critici is het helemaal niet nodig, en zelfs niet gewenst, om te streven naar één geïntegreerde, geformaliseerde Europese civil society. Waar het volgens hen om gaat is dat er, van onderop, een informele Europese publieke sfeer ontstaat, of, liever nog, een aantal verschillende 'Europese publieke sferen’.

Een goed voorbeeld is de publieke sfeer die in de Europese Unie is ontstaan rondom het verzet tegen genetisch gemodificeerde organismen (GMO’s). In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd genetisch gemodificeerd voedsel voor het eerst commercieel in de markt gezet: tomaten, maïs, soja, aardappelen. Terwijl deze marktintroductie in de Verenigde Staten nauwelijks weerstand opriep, leidde ze in Europa tot hevige protesten van groepen als Greenpeace en Friends of the Earth. Havens werden geblokkeerd, supermarkten geboycot, proefvelden vernietigd. Onder druk hiervan kondigde de EU een moratorium af op nieuwe GMO’s. Maar ondertussen had de dreigende komst van deze gewassen al geleid tot een groot aantal initiatieven van onderop: een nieuwe publieke sfeer rondom GMO’s. Het meest geïnstitutionaliseerde deel hiervan was het Europese Netwerk van GMO-vrije Regio’s. Dit netwerk werd opgericht in 2003 in antwoord op de plannen van de Europese Commissie om GMO-gewassen op den duur toch toe te staan. Het initiatief werd genomen door tien Europese regiobesturen, zoals dat van Toscane. Volgens het oprichtingsmanifest, dat was ondertekend door de ministers van Landbouw van de tien regio’s, hadden regio’s het recht om GMO’s op hun grondgebied te verbieden. Sinds 2003 is het netwerk gegroeid tot meer dan vijftig regio’s waaronder, bijvoorbeeld, Karinthië, Tirol, Wallonië, de Auvergne, Bretagne, Bourgondië, Umbrië, Wales, Schotland en Asturië.

Sinds de oprichting nemen vertegenwoordigers van het Netwerk actief deel aan symposia en actiebijeenkomsten die worden georganiseerd door boeren-, milieu-, gezondheids- en ontwikkelingsorganisaties. De verscheidenheid aan groepen die deel uitmaken van deze nieuwe publieke sfeer wordt weerspiegeld in de verschillende manieren waarop GMO’s worden geframed. Sommige, bijvoorbeeld de Franse en Italiaanse Slow Food-beweging, zijn tegen GMO’s omdat zij deze zien als 'Frankenstein food’. Het boegbeeld van dit deel van de beweging is José Bové, die in 1999 betrokken was bij het vernielen van een McDonald’s in aanbouw in het Zuid-Franse Milau. Maar Bové is ook een van degenen die heeft gewezen op de macht van multinationals zoals Monsanto, die een groot deel van de GMO-markt in handen hebben. De strijd tegen genetisch gemodificeerd voedsel is ook geframed in termen van volksgezondheid: volgens sommige artsenorganisaties is het daar een serieuze bedreiging voor. Andere frames zijn die van het beschermen van biodiversiteit, antiglobalisering, voedselsoevereiniteit, en regionale autonomie.

Voor het aanpakken van grote, grensoverschrijdende milieuproblemen is de Europese Unie niet alleen onmisbaar, zij is ook voor de hele wereld een voorbeeld van een moderne, 'postnationale’ politieke gemeenschap. Wat de strijd tegen GMO’s laat zien is dat Europese besluitvorming over een bepaald onderwerp kan leiden tot het ontstaan van civil society-initiatieven van onderop. De publieke sferen die zich als gevolg hiervan ontwikkelen, dragen waarschijnlijk evenveel bij aan de broodnodige democratisering als de door de EU zelf gecreëerde civil society van Brusselse ngo’s.

Bovenstaande politicologen maken deel uit van de onderzoeksgroep Challenges to Democratic Representation, onderdeel van het Amsterdam Institute for Social Science Research (AISSR) aan de Universiteit van Amsterdam. De onderzoeksgroep bestudeert het functioneren van de democratie in de 21ste eeuw. Meer informatie op www.bedreigdedemocratie.nl