Essay: Het verleden doet ertoe

Waarden zijn geen slogans

Het jaarlijks herdenken van de Tweede Wereldoorlog is meer dan alleen maar terugdenken aan wat ons overkwam. Het is ook een poging om het verleden een rol te laten spelen bij het nadenken over de toekomst, al komt dit in de dagelijkse politiek vaak niet tot uiting.

Geschiedenis, aldus een beroemde uitspraak van Johan Huizinga, is de geestelijke vorm waarin een samenleving zich rekenschap geeft van haar verleden. Jan Romein voegde daaraan toe: om het heden te begrijpen. Het verleden doet er dan ook toe in elke samenleving. In de dynamiek van het verleden liggen oorsprong en wording van het heden. Het verleden zal zo op ten minste twee manieren ook de toekomst, die als zodanig onvoorspelbaar is, mee bepalen: als gevolg van de voortgezette dynamiek van dat verleden via het heden en als gevolg van de keuzen die wij maken om ons (bewust of onbewust) te laten inspireren door elementen uit dat verleden. Goede reden zich met dat verleden bezig te houden, ook los van de specifieke ervaring van de Tweede Wereldoorlog.

In de wijze waarop dat verleden een rol speelt en wij het een rol willen laten spelen, lopen twee nagenoeg tegengestelde attitudes door elkaar: historisch bewustzijn en collectieve herinnering. Historisch bewustzijn beziet het verleden in zijn eigen betekenis om het te begrijpen in zijn eigen dynamiek, waarbij heden en verleden wezenlijk van elkaar verschillen. De nadruk ligt dan meestal op het anders zijn van het verleden. Dat brengt het inzicht mee dat er geen ‘lessen’ uit het verleden zijn te trekken in de vorm van direct toepasbare richtlijnen om actuele problemen op te lossen. Collectieve herinnering legt meestal juist een één-op-één-relatie met het verleden, haalt eruit wat nu direct bruikbaar lijkt en beklemtoont daardoor de gelijksoortigheid van heden en verleden. Zij meent ook juist wel ‘lessen’ uit het verleden te kunnen trekken. Bij pogingen het verleden een rol te laten spelen bij het nadenken over de toekomst domineert meestal deze laatste vorm, de collectieve herinnering, die – dat moge duidelijk zijn – ook als er geen levende getuigen van dat verleden meer zijn, functioneert. Zonder reflectie vanuit die andere component, het historisch bewustzijn, draagt dat het gevaar in zich van vrijblijvend wens­denken of contraproductieve effecten.

Voor mijn beschouwing over herdenken vormt dit een belangrijke achtergrond. Dit betoog wortelt weliswaar in hoge mate in mijn werk als historicus (mijn historisch bewustzijn), maar omdat het bovenal om wenselijkheden voor heden en toekomst gaat (collectieve herinnering), maakt het geen enkele aanspraak op wetenschappelijkheid. De criteria voor wat wenselijk is zijn immers wel beïnvloed door het verleden maar niet eenduidig af te leiden uit historisch wetenschappelijke studie. Anders gezegd: historici (en andere wetenschappers) zijn geen politieke of morele experts en zij moeten zich ook niet als zodanig voordoen. Deze beschouwing is gebaseerd op mijn persoonlijke politieke en morele keuzen.

De Tweede Wereldoorlog, in Nederland vooral als een bezetting beleefd, is verreweg de meest schokkende ervaring uit de geschiedenis van het land gedurende de laatste eeuwen. Het spreekt daarom vanzelf dat de Tweede Wereldoorlog sindsdien als voornaamste historisch referentie­kader (en moreel ijkpunt) heeft gefunctioneerd in het publieke debat. Tot midden twintigste eeuw had de Nederlandse Opstand in de tweede helft van de zestiende eeuw (de Tachtigjarige Oorlog) die functie heel lang vervuld. Maar deze werd als de ‘schragende nationale herinnering’ van Nederland vervangen door ‘dé oorlog’.

Dat was logisch, omdat datgene wat wij als essentieel beschouwen in onze samenleving zich ook vandaag nog vanzelfsprekend en overtuigend in een politiek-moreel perspectief met ‘de oorlog’ laat verbinden, zowel in positieve zin (vrijheid, democratie, mensenrechten) als in negatieve (Dat Nooit Meer!). Dat gebeurt bij uitstek in publieke herdenkingen, waarin de combinatie met de letterlijke herdenking van de slachtoffers, die men lange tijd ook persoonlijk had gekend, uitstekend werkt. Het zijn rituelen die in een samenleving een onontbeerlijk oriënterende functie hebben. Rituelen die bijdragen aan de overdracht van onze waarden. Rituelen die in de dynamiek van het historisch proces natuurlijk wel vorm­veranderingen ondergaan en waarin inhoudelijke accentverschuivingen optreden.

Het is goed zich bij tijd en wijle af te vragen of die rituele herdenkingen waarin onze waarden worden gecelebreerd nog bevredigend functioneren. En of het met die overdracht van kennis en waarden in ruimere zin nog wel goed gaat. Het is van belang ons te blijven afvragen of vorm en inhoud van die herdenkingen nog wel voldoende aanspreken. Het feit dat het aandeel van de levende, soms bovenal overlevende, getuigen van de bezettingstijd en de oorlog nagenoeg ten einde loopt, is dan een punt van overweging. Maar toch ligt mijns inziens daar niet het grootste probleem. Jongeren blijken keer op keer zeer ontvankelijk voor de plechtigheden en bij de vormgeving daaraan lijkt modieusheid een groter nadeel dan gebrek aan creativiteit. Mijn zorg betreft vooral het risico dat de herdenkingen afglijden tot vrijblijvende uiterlijke vertoningen van de dag. Het is nodig de herdenkingen steeds opnieuw in een adequate context te plaatsen. Daarom wil ik de voornaamste thema’s die steeds aan de orde waren nog eens nalopen en deze proberen te verbinden met grote actuele, meest politieke vraagstukken. Is de kloof tussen het proclameren van verheven idealen en de (modderige) dagelijkse politiek overbrugbaar? En zo ja, kan dan de samenbindende betekenis van rituele herdenking rond de grondslagen van onze samenleving behouden blijven? Het trekken van politieke consequenties leidt immers veelal juist tot conflicten en tegenstellingen.

Drie thema’s c.q. clusters van thema’s hebben sinds de bevrijding in wisselende onderlinge verhoudingen en in uiteenlopende intensiteit de inhoud van het herdenken en meer in het algemeen zin­gevend terugblikken op de Tweede Wereldoorlog bepaald. De eerste thematiek is die van de zelfstandige natie of staat. Aanknopingspunt is de ontoelaatbare aanval van het grote en agressieve nazi-Duitsland op het kleine en vredelievende Nederland. Los van de krenking van die ene nationale staat, is deze thematiek zonder meer relevant voor het veel bredere veld van de internationale verhoudingen. Zo kan ‘de oorlog’ betrokken worden op vraagstukken van oorlog en vrede (Nooit Meer Oorlog!), van internationale samen­werking zoals in de Verenigde Naties en interventies vanuit die organisatie. Ook de processen van Europese samenwerking wortelen zonder meer in de oorlogs­ervaringen. De grootscheepse dekolonisaties in de tweede helft van de twintigste eeuw hingen eveneens nauw met de oorlog samen. Kortom, dit thema kan vanuit de formulering van de waarde van de nationale zelfbeschikking en onafhankelijkheid heel direct de buitenlandse politiek en het defensiebeleid raken. Het drukt ook met de neus op de betekenis van de strijdkrachten (en dus de militairen), die de oorlog beslisten en van belang kunnen zijn bij het voorkomen of rechtzetten van schendingen van die nationale onafhankelijkheid. Verheven proclamatie van waarden en dagelijkse politieke praktijk staan daarbij veelal in een ongemakkelijke verhouding tot elkaar.

Het tweede cluster is dat van de politiek-ideologische thematiek. Het ging daarbij in de bezettingstijd in de eerste plaats om wat men de interne zelfbeschikking zou kunnen noemen, om de vervanging van de parlementaire democratie door de nationaal-socialistische dictatuur (Nooit Meer Fascisme!). Maar in ruimere zin ging het om vrijheid in vele vormen, om de rechtsstaat ook, die minderheden beschermt. Niet toevallig is ‘Vrijheid’ meestal een kernwoord in de zingeving aan ‘de oorlog’. Deze thematiek speelde ook in de koloniale verhoudingen een rol, al waren die in een ingewikkelde vermenging met de onderdrukking door de Japanse overwinnaars in het toenmalige Nederlands-Indië tot een hoogst verwarrend probleem geworden. Het heeft decennia geduurd voor de onaanvaardbaarheid van zowel die Japanse agressie en onderdrukking als (naar moderne inzichten) van de koloniale verhoudingen in een enigszins aanvaardbaar evenwicht naast elkaar konden komen te staan. De relevantie van deze thematiek voor vele aspecten van vooral de binnenlandse en internationale politiek moge daarmee duidelijk zijn.

Het derde cluster kan het best worden omschreven als dat van de mensen­rechten. De aanknopingspunten daarvoor liggen in de eerste plaats in de vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog van diverse het regime onwelgevallige individuen en vooral groepen in de Europese en Aziatische samenlevingen, met de vervolging van de joden als in schaal en systematiek precedentloze kern. Het heeft wel enige tijd geduurd voor de holocaust als het historisch gesproken meest wezenlijke aspect van deze periode werd onderkend. Inmiddels staat deze vrijwel steeds juist wel centraal (Nooit Meer Auschwitz!). Toch wordt de waarde, waar het hier om gaat, breder geformuleerd dan die van de mensenrechten in het algemeen. Individuele rechten, die bijvoorbeeld ook voor vluchtelingen van toepassing dienen te zijn. Het vooroorlogse asielbeleid van de Europese landen jegens de vluchtelingen uit nazi-Duitsland roept achteraf allerwege schaamte op. Maar de toepassing in het heden blijkt, ondanks alle proclamaties van de grote waarde van mensenrechten, nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Maar ook collectieve rechten. De internationale strafrechtelijke bepalingen tegen bijvoorbeeld genocide zijn wel aanleiding tot veel debat, maar aanzienlijk minder vaak tot effectieve actie. Ook hier dus een ongemakkelijke verhouding tussen het ideaal van de ‘waarden van onze samenleving’ en de dagelijkse werkelijkheid in de wereld. Het gaat bij uitstek om een cluster met sterk internationale reikwijdte, al is er alle reden vooral niet te vergeten om ook de eigen Nederlandse praktijk kritisch te blijven bezien.

Elk van deze drie clusters van centrale waarden in onze samenleving roept dus het probleem op hoe de afstand tussen plechtige proclamatie en dagelijkse praktijk te overbruggen. Het is natuurlijk illusoir te denken dat sprake zou kunnen zijn van een eenvoudige toepassing van de idealen, van deze hoge waarden. Idealen zijn maar zelden volledig te realiseren. Forceren ten koste van alles leidt vaak tot catastrofes van andere aard. Menig optreden blijkt contraproductieve kanten te hebben. De werkelijkheid is weerbarstiger dan wij willen en sommige waarden kunnen, althans in eerste aanleg, onderling tegenstrijdig zijn in hun toepassing. Hoe bijvoorbeeld is de wil om oorlog te vermijden te rijmen met de bestrijding van mensenrechtenschendingen door de overheid in een land (Nooit Meer Oorlog versus Nooit Meer Auschwitz)? En, minder verheven in de intenties, zijn wij wel bereid onze eigen welvaart en veiligheid in de waagschaal te stellen voor toekenning van onze waarden aan anderen?

Met het vaststellen van een kloof tussen de proclamatie van onze waarden in rituele herdenkingen en de dagelijkse praktijk van de (dikwijls uitblijvende) toepassing daarvan, zijn die waarden natuurlijk niet minder van belang geworden. Het bestaan van die kloof lijkt onvermijdelijk en zal dus aanvaard moeten worden. Maar het zou wel een aansporing moeten zijn om ons met veel nadruk over de vraag te buigen of die kloof niet minder wijd kan worden. Of, in de eerder gebruikte formulering: hoe te bevorderen dat deze proclamatie van die waarden niet vrijblijvend is? Dat leent zich wellicht niet voor zeer massale bijeenkomsten, maar het moet de moeite waard zijn om na te gaan hoe de pogingen die hiertoe zijn en worden ondernomen uitgebreid zouden kunnen worden en meer gewicht zouden kunnen krijgen. De meer inhoudsrijke bijeenkomsten, die in de entourage van de herdenkingsdagen wel worden gehouden, bieden daarvoor in beginsel mogelijkheden. Er zou een aansporing vanuit kunnen gaan om ook buiten die herdenkingscontext de grote vraagstukken van de hedendaagse samenleving in het publieke en politieke debat meer diepgaand – ook in hun historische context – te behandelen.

Het grote probleem waarvoor wij bij zulke debatten staan is de eerder genoemde spanning tussen collectieve herinnering en historisch bewustzijn. De deelnemers worden als het ware verscheurd tussen de morele dwang die van die grote waarden uitgaat en die om directe en grondige actie schreeuwt enerzijds en de vele beperkingen en onmogelijkheden die de uiterst gecompliceerde werkelijkheid oplegt anderzijds. Dat is ook de spanning tussen de wens om lessen uit het verleden direct toe te passen en het inzicht dat dit verleden zo anders is dan het heden, dat zoiets helemaal niet kan en meer dan eens ook contraproductief blijkt uit te pakken. Dat dwingt tot bescheidenheid, gematigdheid en afzien van elke claim om alle problemen afdoende te kunnen oplossen.

Het vereist ook dat in zulke debatten wordt afgezien van de te vaak overheersende communicatie in oneliners, slogans en statements in 140 tekens. In plaats daarvan is scherpe analyse van het heden nodig en dus van de historische processen die daaraan vooraf gingen. Dan kunnen die grote waarden die mede aan het verleden zijn ontleend op een hoger niveau en in een historische analyse ingebed een relevante rol spelen. Dat leidt niet zomaar tot een heldere en gegarandeerd succesvolle politieke koers. Maar het legt wel een basis voor besluitvorming vanuit kennis van zaken en met een zekere wijsheid, potentieel voor meer kwaliteit dus.

Dit pleidooi stoelt op het in de geschiedwetenschap ten minste impliciet breed gedeelde inzicht dat geschiedenis niet alleen over mensen gaat maar ook door mensen wordt gemaakt, individueel en groepsgewijs. De dynamiek van het historisch proces wordt in essentie bepaald door de eindeloze interactie van onuitputtelijke reeksen van menselijke handelingen, beslissingen en keuzen (ook om dingen niet te doen). Die mensen handelen bewust, onbewust en vooral in gecompliceerde mengvormen daarvan. Zij beslissen individueel, maar tegelijk in een enorme variëteit van groepen. Zelfs als het in de uiterlijke vorm om zogenaamd anonieme instituties gaat, gaat het uiteindelijk toch steeds om menselijk handelen. Dat geldt ook voor meestal moeiteloos gehanteerde begrippen om de werkelijkheid in het verleden mee aan te duiden, zoals Renaissance, Verlichting en: Tweede Wereldoorlog, democratie, holocaust, genocide en volkenrecht. Het blijven reeksen van menselijk handelen. Achter factoren gaan altijd actoren schuil.

In dit verband is van belang dat elke historische situatie (en dus het heden) in beginsel open is. Het vervolg staat niet vast. De geschiedenis voltrekt zich niet, in ieder geval niet geheel, gedetermineerd. Zij is weliswaar niet omkeerbaar, maar zij was nooit bij voorbaat onvermijdelijk, hoezeer dat soms ook zo lijkt. In de praktijk zijn de marges vaak smal, maar al die menselijke handelingen en beslissingen, die in interactie de voortzetting van het historisch proces bepalen, beïnvloeden die feitelijke voortzetting. Zij doen er dus toe, ondanks het feit dat er lang niet altijd een direct oorzakelijk verband is tussen intentie en effect en ondanks de vaststellingen achteraf dat de ene handeling een veel ingrijpender betekenis had dan de andere. Mensen overzien de situatie waarin zij verkeren maar zelden. Tot de moeilijkste opgaven voor historici (belast met de kennis van hoe het verder ging) behoort het om de onzekerheden terug te halen waarmee de handelende mensen in het verleden werden geconfronteerd. Aan het belang van die handelingen doet dat niet af.

Dat drukt ons met onze neus op de verantwoordelijkheid die wij zowel op collectief en institutioneel als op individueel niveau dragen voor handelingen en beslissingen in het heden. Ook de kleine beslissingen kunnen ertoe doen. Niemand kan volledig overzien welke de betekenis ervan precies zal zijn. Daarvoor is de eigen dynamiek van het historisch proces te gecompliceerd. De toekomst is niet te voorspellen. Dat kan tot een houding leiden waarin de toekomst, met inbegrip van de humanitaire en andere catastrofes daarin, als een soort natuurramp wordt aangevoeld, die zich onontkoombaar buiten ons om voltrekt. Maar dat is dus onjuist. En daarom ontslaat die onzekerheid over de toekomst ons niet van de plicht ons althans rekenschap te geven van onze handelingen (met inbegrip van het achterwege laten van handelen). Dat vereist inspanningen om de kennis te verwerven over heden en verleden, die aan inzicht vooraf gaat. Het noopt ook tot terughoudendheid en bescheidenheid zonder in apathie te vervallen. Juist de Tweede Wereldoorlog geeft in dit opzicht veel te denken. Nadenken daarover kan de basis leggen voor per saldo betere beslissingen en dus ook een betere samenleving. In die zin ben ik, bij al mijn diepe pessimisme over ons vermogen een ideale wereld te scheppen (en zelfs de grote gevaren van fanatieke pogingen daartoe), een gematigd optimist. Het kan. Of het gebeurt hangt van ons af.

J.C.H. Blom was directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogs­documentatie en hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is de voordracht die hij hield op de herdenkingsbijeenkomst 5 mei 2012 in de Johannes de Doperkerk in Wageningen