Waardig doorwerken

HET WAS in maart 2009 dat het kabinet-Balkenende-Bos een akkoord sloot met werkgevers en werknemers waarin was afgesproken dat de AOW-leeftijd naar 67 jaar zou kunnen. De toenmalige financiële crisis had verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd bespreekbaar gemaakt in de Nederlandse polder. Een hogere AOW-leeftijd draagt in een vergrijzende samenleving bij aan de houdbaarheid van de financiën van de overheid, omdat er daardoor meer werkenden komen die meebetalen aan de AOW.
Het gekrakeel over wat er toen precies was afgesproken begon echter meteen. Inmiddels is het een dikke twee jaar later en is de vakcentrale FNV zo verdeeld dat er nog steeds geen duidelijkheid is voor de 56-jarigen van nu over hoe hun pensioen er in 2020 uit zal zien. Dat hun AOW-gerechtigde leeftijd met ingang van dat jaar 66 is, is echter wel een zekerheid. Daar stuurt dit kabinet met ruime steun in de Tweede Kamer in ieder geval op aan.
Maar bijna belangrijker nog dan dat pensioen en AOW goed zijn geregeld, is dat er aandacht zou moeten zijn voor de laatste werkjaren van toekomstige ouderen.
Niet voor niks werd in 2009 gezegd dat de eerste generatie waarvoor de hogere pensioenleeftijd geldt en haar werkgevers zich daar ook op moesten kunnen voorbereiden. Wie tot 66 jaar moet werken, moet immers wel in de gelegenheid zijn en ook worden gesteld om dat te kunnen.
De aandacht daarvoor lijkt door alle stof die het pensioenakkoord doet opwaaien uit het zicht verdwenen. Dat werklozen van vijftig jaar of ouder moeilijker aan het werk komen dan hun jongere collega’s laat zien dat de oudere werknemer niet in trek is bij werkgevers en dat men al relatief jong als oud wordt gezien. Dat is niet alleen omdat ouderen relatief duur zijn, maar ook omdat er sprake is van hardnekkige negatieve beeldvorming: ouderen zouden minder flexibel, productief en stressbestendig zijn dan jongeren. Vergeten wordt: ervaring, loyaliteit en nauwkeurigheid.
Over het algemeen is de arbeidsparticipatie van ouderen nog steeds laag. Van de zestig- tot 64-jarigen werkte vier jaar geleden slechts 28 procent, al was toen wel de verwachting dat dat in dit jaar zou zijn gestegen tot 43 procent. Dat er een lange weg te gaan is, laat ook de leeftijd zien waarop gemiddeld genomen een Nederlander stopt met werken: dat was in 2008 nog 61,7 jaar.
De discussie moet veel meer gaan over scholing van werknemers tijdens hun werkzame leven en de verantwoordelijkheid daarvoor voor zowel die werknemer zelf als de werkgever. Het moet gaan over het van werk naar werk begeleiden van oudere werknemers die bij hun huidige werkgever geen functie kunnen vinden die bij hun leeftijd en mogelijkheden past. Een hogere AOW-leeftijd betekent langer werken - dan moet het toch zeker ook daarover gaan: over kunnen blijven werken. Zodat je op een waardige manier je pensioenleeftijd haalt.