Waarheen? Ja, heus, waarheen??

Een jaar geleden bezocht ik een vriendin in Duitsland die in een boerengemeenschap biodynamische groenten verbouwt en meubels maakt. Bij aankomst werd me direct duidelijk dat dit geen Urlaub was; ik kreeg een overall en laarzen. ‘De toekomst’, zei tuinman Alexander toen ik die middag meteen meehielp met zaaien, ‘stoppen we hier eerst maar eens diep in de grond.’

Een week lang molk ik ’s ochtends de koeien (dampend weiland, dampend dier, dikke klodders vaseline, warme uiers), ’s middags was er warm eten, tot in de vroege avond groef ik geulen en hield ik me bezig met de samenstelling van de composthoop. Toen ik in de trein terug naar Nederland mijn boek opensloeg, viel er een bedankbriefje van Alexander uit. Hij sloot af met een zowel alarmerende als geruststellende boodschap: ‘Straks’, schreef hij, ‘als Nederland onder water staat, kom dan maar weer terug bij ons.’

De Duitse dichter Monika Rinck schrijft over de wankelheid die we ervaren als we over de toekomst spreken: ‘Kijk: vrijheid kan ik je niet geven, die kan ik alleen aan je overlaten.’ Haar gedichten zijn ‘honende honingprotocollen’ – goed geordende raten die, zoals de vertaler schrijft, ‘de lezer lijken te willen waarschuwen’. Bij nader inzien zijn de raten toch niet zo overzichtelijk en voorspelbaar als ze lijken; ze zitten vol twijfel, onenigheid en ongeduld.

De toekomst is telkens de achteloze onbekende. Heeft het zin op haar vooruit te lopen? Wordt haar charme niet genadeloos neergehaald door haar te duiden, of is dat duiden juist nodig om voorbereid te zijn wanneer ze aanbreekt? (Maar is dat niet het verraderlijke, dat ze telkens aanbreekt?)

Ik ontmoette eens iemand die voor de overheid modellen maakt over hoe dat nou moet, met die stijgende waterspiegel. De helft van het werk, legde hij uit, is weten welke terminologie je moet gebruiken. We ‘vechten niet tegen’ het water, we ‘bewegen mee’. Er zijn geen ‘problemen’ gaande maar ‘veranderingen’, er zijn geen ‘oplossingen’ nodig maar ‘aanpassingen’. Het lijkt, zei hij, of je door deze woorden te kiezen de toekomst zowel op je neemt als met rust laat. Dat vond hij precies de bedoeling.

Basta

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen. Zij willen naar de toekomst wijzen.
Zij zijn het beu voortdurend maar te beschrijven wat er is gebeurd. Ze willen
er zelf uit uitbreken. Ai, luister, ik heb het geld, vijftig neergesmeten euroflappen
en waar die zich bevinden, zijn er nog veel meer. Ik pik je met de taxi op.
Zeg me je nummer. Ik ben er zo meteen. Je hebt ongeveer tien minuten
om je pak aan te trekken. Ik wil de lieftalligheid zien. Windbewogen haartjes waaien
in de toekomst. Daar wil ik heen. Met jou. Waarheen? Ja, heus, waarheen??
Dat weten we nog niet. We kunnen het niet weten, omdat dat, snoepje,
juist toekomst is. Logisch. Ik breng je erheen. Dat is de hele zin ervan, de rest
is basta. Kijk: vrijheid kan ik je niet geven, die kan ik alleen aan je overlaten.
Ik kan ook niemand verhongeren, ik kan hem alleen maar laten verhongeren.
Jahaa, ik zou hem te eten kunnen geven. Dat heb je heel juist opgemerkt.
Maar nu zou het er eenvoudig op aankomen dat je neemt wat ik je
vermoedelijk kan geven. Ik hang nu op, ik kom naar je toe, ik voer je weg.

Monika Rinck
Uit: Honingprotocollen, vertaald door Miek Zwamborn, Perdu/Terras/Poëziecentrum, 2015